ECLI:NL:GHDHA:2026:2934

ECLI:NL:GHDHA:2026:2934

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 25-09-2026
Zaaknummer 200.372.054/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2026:22227

Samenvatting

Internationale kinderontvoering. Artikel 3 HKOV; gewone verblijfplaats. Weigeringsgronden artikel 13 lid 1 sub b en lid 2 en artikel 20 HKOV. Kostenveroordeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

zaaknummer : 200.372.054/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 26-4222

zaaknummer rechtbank : C/09/704139

beschikking van de meervoudige kamer van 25 augustus 2026

inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.H. Weermeijer-Patist te Oegstgeest

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. H.P. Scheer te Utrecht.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de bijzondere curator] ,

kantoorhoudende te Leiderdorp,

in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de na te noemen kinderen,

hierna te noemen: de bijzondere curator.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden,

hierna te noemen: de raad.

1. De zaak en de beschikking in het kort

Deze zaak gaat over de teruggeleiding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanuit Nederland naar Tsjechië. De rechtbank heeft in de beschikking van 9 juli 2026 (hierna: de bestreden beschikking) het verzoek van de vader tot teruggeleiding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Tsjechië toegewezen.

De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking. Zij wil dat de teruggeleiding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Tsjechië alsnog wordt afgewezen. De vader heeft hiertegen verweer gevoerd.

In deze beschikking wijst het hof het hoger beroep van de moeder af. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking bekrachtigt en geen andere beslissing neemt dan de rechtbank.

Het hof geeft hierna eerst een beschrijving van het verloop van de procedure tot nu toe en het geschil in hoger beroep. Daarna motiveert het hof zijn beslissing.

2. Het geding in hoger beroep

De moeder is op 23 juli 2026 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

Het hof heeft op 1 augustus 2026 het verslag van de bijzondere curator van diezelfde datum ontvangen.

De vader heeft op 4 augustus 2026 een verweerschrift met daarbij een incidenteel hoger beroep ingediend.

De moeder heeft op 7 augustus 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

Daarnaast heeft het hof van de moeder de volgende stukken ontvangen:

een journaalbericht met bijlage van 29 juli 2026, ingekomen op diezelfde datum;

een journaalbericht met bijlagen van 6 augustus 2026, ingekomen op diezelfde datum;

een journaalbericht met bijlagen van 7 augustus 2026, ingekomen op diezelfde datum;

een journaalbericht met bijlage van 11 augustus 2026, ingekomen op diezelfde datum.

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de voorzitter met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling is een samenvatting gegeven van deze gesprekken. Alle betrokkenen hebben hierop kunnen reageren.

De mondelinge behandeling heeft op 11 augustus 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

de moeder, bijgestaan door haar advocaat en [de tolk 1] , tolk Tsjechisch;

de vader, bijgestaan door zijn advocaat en [de tolk 2] , tolk Tsjechisch;

de bijzondere curator, door middel van een videoverbinding;

de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

3. De feiten

Het hof gaat uit van de feiten zoals de rechtbank die in de bestreden beschikking heeft vastgesteld. Onder meer staat het volgende vast.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en zij zijn de ouders van:

[minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] , Tsjechië;

[minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] , Tsjechië;

hierna samen ook: de kinderen.

De kinderen verblijven nu bij de moeder in Nederland.

De vader, de moeder en de kinderen hebben de Tsjechische nationaliteit.

De vader heeft zich niet gemeld bij de Nederlandse Centrale Autoriteit.

Bij besluit van 11 augustus 2023 van de arrondissementsrechtbank in [plaats 1] is bepaald dat de moeder het Tsjechisch grondgebied niet mag verlaten met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Bij beschikking van 27 mei 2025 van de arrondissementsrechtbank in [plaats 1] heeft de rechtbank beslist om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de zorg van de vader toe te vertrouwen. Daarnaast is bepaald dat de moeder gerechtigd is omgang te hebben met de kinderen gedurende de laatste week van elke maand (de week waarin de laatste dag van de maand valt), van zondag van de voorafgaande week vanaf 16.00 uur tot de daaropvolgende zondag tot 16.00 uur. Ook is een vakantieregeling bepaald en is vervangende toestemming verleend aan de vader voor inschrijving, toelating en deelname van [minderjarige 1] aan de verplichte schoolgang in de basisschool in [basisschool] , [plaats 1] .

Bij vonnis van 20 november 2025 van de regionale rechtbank in [plaats 1] is de voornoemde uitspraak van 27 mei 2025 gewijzigd, in die zin dat de kinderen worden toegewezen aan de gedeelde zorg van de ouders, en dat zij in de zorg van de moeder zullen zijn in Nederland in elke kalendermaand vanaf donderdag die voorgaat aan de laatste week van de kalendermaand vanaf 16.00 uur tot zondag van de daaropvolgende week tot 16.00 uur en in de zorg van de vader in Tsjechië zullen zijn de resterende tijd zijn van elke kalendermaand. De overdracht van de kinderen zal altijd geschieden in de woonplaats van de vader.

4. De omvang van het geschil

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de terugkeer gelast van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Tsjechië uiterlijk op 27 juli 2026, waarbij de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dient terug te brengen naar Tsjechië en beveelt, als de moeder nalaat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] terug te brengen naar Tsjechië, dat de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 27 juli 2026, zodat de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf mee terug kan nemen naar Tsjechië. Het verzoek van de vader de moeder te veroordelen tot betaling van de kosten van de vader verbonden aan de teruggeleidingsprocedure is afgewezen.

De moeder is het niet eens met deze beslissing. Zij verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

de bestreden beschikking wordt vernietigd;

het verzoek van de vader tot teruggeleiding van de kinderen alsnog wordt afgewezen;

het verzoek van de vader tot veroordeling van de moeder in de proceskosten wordt afgewezen;

kosten rechtens.

De vader voert verweer en verzoekt het hof het beroep van de moeder af te wijzen (het hof begrijpt: en de bestreden beschikking te bekrachtigen) en de moeder te veroordelen in de proceskosten in beide procedures. Bij dit verweerschrift heeft de vader ook incidenteel hoger beroep ingesteld. Hierin verzoekt de vader het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het verzoek van vader de moeder te veroordelen tot betaling van zijn (proces)kosten en opnieuw rechtdoende de moeder te veroordelen aan de vader te voldoen een bedrag van € 22.990,78 althans een bedrag dat het hof zal vaststellen.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het incidenteel hoger beroep van de vader en verzoekt het hof dit verzoek van de vader af te wijzen. Kosten rechtens.

5. De motivering van de beslissing

Vooraf

Het verzoek van de vader tot teruggeleiding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Tsjechië is gebaseerd op het Haags Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980, Trb. 1987, 139 (hierna: het Verdrag), waarbij zowel Nederland als Tsjechië partij zijn.

Aangezien [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun werkelijke verblijfplaats hebben in Nederland, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om kennis te nemen van het teruggeleidingsverzoek. Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is de rechtbank Den Haag, en daarmee als enige appelinstantie het Hof Den Haag, bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

Het Verdrag heeft tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding; artikel 3 van het Verdrag

Wat staat er in het Verdrag?

Op grond van artikel 3 van het Verdrag is sprake van een ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren van het kind geschiedt in strijd met het gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.

Het geschil in hoger beroep

Het geschil in hoger beroep ziet op de vraag waar de kinderen voorafgaand aan de achterhouding in Nederland hun gewone verblijfplaats hadden. De moeder meent dat de gewone verblijfplaats van de kinderen niet kan worden vastgesteld. De vader voert verweer en stelt dat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Tsjechië hadden.

Gewone verblijfplaats

Het hof stelt voorop dat het conflictenrechtelijke begrip 'gewone verblijfplaats van het kind' een feitelijk begrip is waaraan inhoud wordt gegeven door de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daarbij gaat het, kort gezegd, om de plaats waarmee het kind onmiddellijk voorafgaand aan zijn overbrenging maatschappelijk de nauwste bindingen heeft. Tot de voor de bepaling van de gewone verblijfplaats van het kind in aanmerking te nemen factoren kunnen, naast fysieke aanwezigheid van het kind in een lidstaat, in het bijzonder worden gerekend omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats van het kind een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat.

Verder kan de bedoeling van de ouders om zich met het kind in een andere lidstaat te vestigen, waaraan uiting is gegeven door maatregelen, zoals de koop of de huur van een woning in de lidstaat van ontvangst, een aanwijzing voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats zijn. De leeftijd van het kind en zijn sociale en familiale omgeving zijn van wezenlijk belang voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats. Doorgaans is de omgeving van een jong kind in wezen een familiale omgeving, waarvoor de persoon of personen bij wie het kind woont, die daadwerkelijk gezag over hem uitoefenen en voor hem zorgen, bepalend is of zijn (zie HR 17 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4833).

Oordeel van het hof

Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de kinderen voorafgaand aan de achterhouding in Nederland in Tsjechië was. Het hof neemt de gronden waarop dit oordeel berust over en maakt deze, na een eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep is niet gebleken van feiten en omstandigheden die leiden tot een ander oordeel.

Het hof voegt hieraan toe dat de kinderen, op basis van de uitspraken van de Tsjechische rechter, sinds hun geboorte altijd het merendeel van de tijd in Tsjechië waren. Ook de laatste uitspraak van 20 november 2025 heeft hier geen verandering in gebracht. De moeder was op basis van deze uitspraak gerechtigd om de kinderen mee te nemen naar Nederland, maar alleen in het kader van de zorgregeling. Een wijziging van of onduidelijkheid over de gewone verblijfplaats kan hier niet uit worden afgeleid. De vader heeft hier ook nooit toestemming voor gegeven. Het hof gaat tot slot ook niet mee in de stelling van de moeder dat het de intentie was van beide ouders om de kinderen in twee landen te laten opgroeien. Deze intentie is het hof geenszins gebleken.

Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat sprake is van een ongeoorloofde achterhouding van de kinderen in Nederland als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer; artikel 12 lid 1 van het Verdrag

Op grond van artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Nederland en de indiening van het verzoek in eerste aanleg door de vader, dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Tsjechië te volgen, tenzij sprake is van een van de in het Verdrag genoemde weigeringsgronden.

De moeder beroept zich in hoger beroep op de weigeringsgronden van artikel 13 lid 1 sub b en artikel 20 van het Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

Wat staat er in het Verdrag?

Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondraaglijke toestand wordt gebracht.

Het hof stelt voorop dat artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag restrictief moet worden uitgelegd en dat een beroep daarop slechts in uitzonderlijke situaties kan worden gehonoreerd. Als uitgangspunt geldt dat, in geval van kinderontvoering, terugkeer naar de staat van de gewone verblijfplaats in het belang van het kind is en dat de verzochte terugkeer alleen in bijzondere omstandigheden geweigerd wordt. De rechter van de aangezochte staat mag de in voornoemd artikel gestelde voorwaarden niet reeds vervuld achten louter op grond van zijn oordeel dat het belang van het kind in het land van herkomst minder goed gediend is dan in het land van de aangezochte rechter. De belangenafweging bij de vraag waar en bij wie van de ouders het kind zijn uiteindelijke verblijfplaats moet hebben, moet immers plaatsvinden in een bodemprocedure en past niet in de onderhavige procedure, waarin slechts een ordemaatregel wordt getroffen (zie HR 20 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4795).

Oordeel van het hof

Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat de kinderen bij een terugkeer naar Tsjechië wordt blootgesteld aan enig lichamelijk of geestelijke gevaar en/of in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het hof sluit zich ook op dit punt aan bij het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dit oordeel berust, welke gronden het hof overneemt en na eigen afweging tot de zijne maakt. In hoger beroep is niet gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot een ander oordeel. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe.

Ook in hoger beroep is niet dan wel onvoldoende gebleken dat er sprake is (geweest) van structurele (fysieke) mishandeling van de kinderen en dus ook niet dat dit zou zijn toegebracht door de vader of zijn familie. Het hof benadrukt in dit kader bovendien dat de kinderen zullen worden teruggeleid naar een land, Tsjechië, en niet zozeer naar een persoon, de vader. Verder heeft de raad ter zitting in hoger beroep herhaald dat het onderzoek van Veilig Thuis niet aan de vereisten voldoet, met name omdat de vader niet is betrokken in dit onderzoek. De door de moeder ingebrachte nadere toelichting van Veilig Thuis hierop maakt dit oordeel niet anders. Het onderzoek is gebaseerd op het verhaal van de moeder en hetgeen de kinderen hebben verteld. Door de bijzondere curator is ter zitting in hoger beroep echter verklaard dat de kinderen behoorlijk klem raken door de strijd tussen de ouders. De kinderen lijken zich in een loyaliteitsconflict te bevinden. De bijzondere curator heeft ter zitting namelijk nogmaals verklaard dat de kinderen om beide ouders geven. Verder zijn ook veel van de andere stukken die door de moeder zijn overgelegd gebaseerd op het verhaal dat de moeder aan instanties of professionals heeft verteld en niet of nauwelijks op een eigen waarneming van deze instanties of professionals.

De moeder heeft verder nog naar voren gebracht dat de kinderen van haar (en hun halfzusje) zullen worden gescheiden bij een terugkeer naar Tsjechië omdat de moeder, zoals zij desgevraagd ter zitting heeft bevestigd, niet mee zal gaan. Naar het oordeel van het hof is dit een eigen keuze van de moeder. Het zal voor de moeder complex zijn om terug te keren, mede gezien haar gezinssituatie en haar gezondheid, maar het hof is niet gebleken dat het voor de moeder, die zelf Tsjechisch is, feitelijk onmogelijk is om terug te keren. De moeder heeft bijvoorbeeld niet dan wel onvoldoende onderbouwd dat het voor haar nieuwe partner niet mogelijk is om naar Tsjechië te gaan of dat medische afspraken niet ook in Tsjechië kunnen worden uitgevoerd dan wel dat de moeder hiervoor niet naar Nederland zou kunnen afreizen.

Tot slot volgt het hof de moeder niet in haar stelling dat er bij een terugkeer naar Tsjechië geen adequate voorzieningen voorhanden zijn. Het hof stelt voorop dat Tsjechië een EU-land is en dat de zorgen over het gezin al bekend zijn in Tsjechië. Blijkens de stukken is de politie op de hoogte en ook OSPOD is al betrokken. OSPOD heeft een zorgmelding gedaan bij de Nederlandse Centrale Autoriteit, waarna er onderzoek is gedaan, en ook in Tsjechië wordt onderzoek gedaan. De door de moeder overgelegde e-mails van Veilig Thuis en de Tsjechische politieagent maken dit oordeel niet anders. Volgens het hof volgt uit deze e-mails niet dat de autoriteiten niets willen of kunnen doen maar slechts dat zij alleen via de officiële kanalen communiceren en handelen. Tot slot heeft de raad ter zitting nogmaals aangeboden een zorgmelding te kunnen doen bij de Tsjechische autoriteiten.

Gelet hierop faalt het beroep van de moeder op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Verdrag

Wat staat er in het Verdrag?

Artikel 13 lid 2 van het Verdrag bepaalt dat de rechter eveneens kan weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

Oordeel van het hof

Ook wat deze weigeringsgrond betreft sluit het hof zich aan bij het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat oordeel berust. Het hof komt net als de rechtbank tot de conclusie dat niet kan worden geoordeeld dat de kinderen een mate van rijpheid hebben bereikt die rechtvaardigt dat met hun mening rekening wordt gehouden. Het aanvullend verslag van de bijzondere curator in hoger beroep en het kindgesprek in hoger beroep hebben geen aanleiding gegeven voor een ander oordeel.

Gelet hierop faalt het beroep van de moeder op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 2 van het Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 20 van het Verdrag

Wat staat er in het Verdrag?

Artikel 20 van het Verdrag bepaalt dat de terugkeer van een kind, overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van het Verdrag, kan worden geweigerd wanneer deze terugkeer op grond van de fundamentele beginselen van de aangezochte staat betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, niet zou zijn toegestaan.

Oordeel van het hof

Net als de rechtbank volgt het hof de moeder niet in haar stelling de zorgen over huiselijk geweld niet worden gedekt door artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag en dat moet worden gekeken naar artikel 3 en 8 van het EVRM, artikel 19 van het IVRK en de rechtspraak van het EHRM. Naar het oordeel van het hof zijn door de moeder geen dusdanig uitzonderlijke omstandigheden gesteld die een beroep op deze weigeringsgrond rechtvaardigen. Het hof merkt daarbij op dat Tsjechië net als Nederland partij is bij het EVRM en het IVRK. Voor het overige wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is overwogen over de hulpverlening en/of bescherming die in Tsjechië kan worden geboden.

Gelet hierop faalt het beroep van de moeder op deze weigeringsgrond.

Conclusie

Het voorgaande brengt met zich mee dat het hof het hoger beroep van de moeder zal afwijzen. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking bekrachtigt en, net als de rechtbank, de teruggeleiding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Tsjechië zal gelasten.

Nu de door de rechtbank bepaalde datum van teruggeleiding, als gevolg van dit hoger beroep, inmiddels is verstreken zal het hof bepalen dat de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uiterlijk op maandag 7 september 2026 dient terug te brengen naar Tsjechië. Indien de moeder nalaat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] terug te brengen naar Tsjechië, beveelt het hof dat de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 7 september 2026, zodat de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf mee terug kan nemen naar Tsjechië.

Voorlopige voogdij

Op grond van artikel 13 lid 4 van de Uitvoeringswet kan de teruggeleidingsrechter op verzoek of ambtshalve en in elke stand van de procedure een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet belasten met de voorlopige voogdij over een kind, indien gevaar bestaat dat het wordt onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een bevel tot teruggeleiding als bedoeld in lid 5 van dat artikel.

De advocaat van de vader heeft ter zitting verzocht een voorlopige voogdij maatregel uit te spreken omdat de moeder, volgens de vader, van plan is om met de kinderen op vakantie te gaan naar Spanje. Het hof ziet, gelet op de gemotiveerde betwisting van de moeder ter zitting en het gebrek aan nadere (schriftelijke) onderbouwing door de vader, onvoldoende aanleiding voor toewijzing van dit verzoek.

Kosten

Het hof maakt een onderscheid tussen de proceskosten en de kosten gemaakt in verband met de ontvoering en teruggeleiding.

Kosten in verband met de ontvoering en teruggeleiding

Op grond van artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet kan de rechter, voor zover hier van belang, op verzoek of ambtshalve elke persoon die voor de internationale ontvoering van het kind verantwoordelijk is, of medeverantwoordelijk is, veroordelen tot betaling aan de Centrale Autoriteit, of aan de persoon aan wie het gezag over het kind toekomt, van de door deze in verband met de ontvoering en de teruggeleiding van het kind gemaakte kosten.

Aangezien het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen, ziet het hof aanleiding om de moeder te veroordelen tot betaling van de door de vader gemaakte reiskosten in verband met de ontvoering en teruggeleiding in eerste aanleg en in hoger beroep. De vader heeft een overzicht overgelegd waaruit een totaal aan reiskosten voor reizen naar Nederland kan worden opgemaakt van € 1502,- en € 144,- voor een hotelovernachting voor het kort geding in [plaats 2] . Het hof komt dit bedrag niet onredelijk voor en het hof ziet voldoende samenhang tussen deze procedure en de kort gedingprocedure. De moeder heeft in het kort geding immers gevraagd om schorsing van de beslissing van de Tsjechische rechter van 20 november 2025. De totale reiskosten bedragen hiermee € 1.646,-.

De kosten voor vertalingen, tolken en de advocaat vallen onder de proceskosten.

Proceskosten

Het hof ziet onvoldoende aanleiding om de moeder te veroordelen in de proceskosten in beide instanties, zoals door de vader is verzocht. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van misbruik van (proces)recht of onrechtmatig handelen. Er is volgens het hof geen sprake van evidente ongegrondheid.

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren en de beslissing van de rechtbank tot compensatie van de proceskosten in eerste aanleg bekrachtigen.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover deze de teruggeleiding en de compensatie van de proceskosten betreft, met dien verstande dat het hof:

de terugkeer gelast van:

naar Tsjechië uiterlijk op 7 september 2026, waarbij de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dient terug te brengen naar Tsjechië en beveelt, indien de moeder nalaat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] terug te brengen naar Tsjechië, dat de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 7 september 2026, opdat de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf mee terug kan nemen naar Tsjechië;

vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze het verzoek om de moeder te veroordelen in de kosten verband houdende met de ontvoering en de terugkeer naar Tsjechië betreft en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de moeder tot betaling aan de vader van de kosten verband houdende met de ontvoering en de terugkeer van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Tsjechië, begroot op € 1.646,-;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af;

ontslaat de bijzondere curator van haar taak met ingang van de datum van de datum van teruggeleiding;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Zonneveld, A.N. Labohm en H.A. Schipper, bijgestaan door mr. N. van Duijvenbode als griffier, en is op 25 augustus 2026 door mr. A.A.F. Donders uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. N. van Duijvenbode

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand