GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.362.011/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 24-4152
zaaknummer rechtbank : C/09/667724
beschikking van de meervoudige kamer van 1 juli 2026
inzake
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. V. de Roo te Rotterdam,
tegen
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. A.C. van 't Hek te Dordrecht.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming,
locatie: Den Haag,
hierna te noemen: de raad.
1. Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 2 september 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna: de bestreden beschikking.
2. Het geding in hoger beroep
De moeder is op 28 november 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De vader heeft op 27 maart 2026 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
Voorts zijn bij het hof ingekomen:
- een brief van de zijde van de moeder van 14 januari 2026, met bijlage, ingekomen op 19 januari 2026;
- een tweetal e-mails van de zijde van de moeder van 21 mei 2026, met bijlage.
De hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] heeft haar mening per brief kenbaar gemaakt. De minderjarige [minderjarige 2] heeft geen gebruik gemaakt van de door het hof geboden gelegenheid om haar mening kenbaar te maken.
De mondelinge behandeling heeft op 22 mei 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door mr. R.W. de Gruijl, kantoorgenoot van haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
3. De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum] 2013 tot [datum] 2020.
Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 2] ( [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] ,
hierna tezamen: de minderjarigen.
Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit. De minderjarigen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
Partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:247a BW een ouderschapsplan opgesteld, dat is gehecht aan de beschikking van de rechtbank Den Haag van 23 december 2019. Voor zover van belang houdt dit ouderschapsplan het volgende in:
“Omgangsregeling / Zorgregeling
6. Partijen zijn een ouderschapsplan overeengekomen, waarin de verschillende zorg- en opvoedingstaken - en ieders verantwoordelijkheid daarbij - zijn verdeeld
en besproken.
Beide ouders nemen op zich ervoor te zorgen dat de kinderen met elk van hen contact onderhoud. Zij zullen de kinderen hiertoe stimuleren.
7. De ‘standaard’ zorgregeling ziet er als volgt uit:
Partijen kiezen voor omgang. Dit zat als volgt worden ingevuld: Als ingangsdatum wordt gekozen de dag vanaf wanneer de man elders geschikte woonruimte heeft gevondenen zich op dat adres heeft ingeschreven (BRP leidend). De regeling wordt dan:
De kinderen zullen vijf dagen in de week bij de moeder zijn en twee dagen in de week bij de vader. De dagen zullen wekelijks worden verdeeld.
8. Partijen overleggen samen en (indien de kinderen oud genoeg zijn) met de kinderen over de verdeling van de vakanties en overige vrije dagen. Ouders streven naar een evenredige-vakantiezorgverdeling (50/50).
Jaarlijks in januari overleggen de ouders omtrent de invulling van de vakanties en feestdagen. In gezamenlijk overleg zullen zij een ‘schema’ opstellen voor het kalenderjaar.
Kinderalimentatie / bijdrage levensonderhoud
9. Ouders stellen vast dat de kinderen behoeftig zijn.
10. Gezien de inkomenssituatie van partijen en de wens om een omgangsregeling tot stand te brengen, zijn partijen als volgt overeengekomen: De vrouw verzorgt de kinderen, koopt dus de kleding, regelt de kapper etcetera. De vrouw gebruik hiervoor de kinderbijslag, het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslagen tevens zal de man € 250,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw voldoen.
11. Ouders dragen beide zelf de kosten voor eten/ drinken/ vakanties/ uitjes en soortgelijke uitgaven gedurende de periode dat de kinderen bij hen zij.”
Bij tussenbeschikking van 14 november 2024 is bepaald dat de minderjarigen voorlopig bij de vader zullen zijn: elke week van vrijdag 17.00 uur tot zondagavond 19.00 uur. Daarbij is de raad verzocht een onderzoek te verrichten naar onder meer de verdeling van de zorg- en opvoedtaken van de minderjarigen en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen.
4. De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking is (voor zover in hoger beroep van belang), met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank van 23 december 2019 en het daaraan gehechte ouderschapsplan en de beschikking van de rechtbank van 14 november 2024 - bepaald dat ten behoeve van de minderjarigen de volgende zorgregeling geldt:
- week 1:
- maandag: tot naar school bij de vader, uit school bij de moeder;
- dinsdag: bij de moeder;
- woensdag: bij de moeder;
- donderdag: tot naar school bij de moeder, uit school bij de vader;
- vrijdag: bij de vader;
- zaterdag: bij de vader;
- zondag: bij de vader;
- week 2:
- maandag: bij de vader;
- dinsdag: bij de vader;
- woensdag: tot aan school bij de vader, na school bij de moeder;
- donderdag: bij de moeder;
- vrijdag: bij de moeder;
- zaterdag: bij de moeder;
- zondag: bij de moeder;
- week 3:
- maandag: bij de moeder,
- dinsdag: bij de moeder;
- woensdag: bij de moeder;
- donderdag: tot naar school bij de moeder, na school bij de vader;
- vrijdag: bij de vader;
- zaterdag: bij de vader;
- zondag: bij de vader;
- week 4:
- maandag: tot naar school bij de vader, uit school bij de moeder;
- dinsdag: bij de moeder;
- woensdag: bij de moeder;
- donderdag: bij de moeder;
- vrijdag: tot naar school bij de moeder, uit school bij de vader;
- zaterdag: bij de vader;
- zondag: bij de vader,
- waarbij de ouder die de minderjarigen naar school brengt die dag verantwoordelijk is voor hen, en hen dus opvangt tijdens ziekte of een studiedag en daarnaast ervoor zorgt dat de minderjarigen aan het eind van de middag bij de andere ouder worden gebracht;
- de vakanties en feestdagen worden tussen de ouders onderling bij helfte verdeeld;
- gedurende de Islamitische feestdagen verblijven de minderjarigen bij de moeder.
Partijen zijn bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing doorverwezen naar [hulpverleningsinstantie] voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap.
Verder is de door de vader met ingang van 2 september 2025 aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: kinderalimentatie) bepaald op € 373,- per maand voor beide kinderen tezamen.
De bestreden beschikking is in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de zorgregeling te vernietigen en een regeling te bepalen waarbij:
- de minderjarigen twee weekenden van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijven;
- de minderjarigen het derde weekend de minderjarigen bij de vader verblijven van vrijdag uit school tot donderdag naar school;
- de minderjarigen het vierde weekend bij de moeder verblijven vanaf donderdag uit school tot weer het eerste weekend;
- vakanties in onderling overleg bij helfte worden verdeeld, waarbij uiterlijk in de eerste schoolweek na elke zomervakantie de verdeling van de schoolvakanties gereed is en vakanties starten bij de ouder waar de minderjarigen voorafgaand hieraan verblijven.
De vader verzoekt het hof:
I. het door moeder ingestelde appel af te wijzen, althans de beschikking te bekrachtigen, althans een zorgregeling te bepalen tussen hem en de minderjarigen, die het hof in het belang van de minderjarigen passend acht, en
in incidenteel appel, al dan niet voorwaardelijk,
II. het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vader te bepalen,
III. een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen eens per twee weken van donderdagmiddag tot maandagochtend bij de moeder verblijven, althans een zorgregeling vast te stellen tussen moederen de minderjarigen die het hof in het belang van de minderjarigen passend acht,
IV. de kinderalimentatie alsnog af te wijzen, althans op nihil te stellen, nu de vader in dat geval de dagelijkse verzorging van de minderjarigen op zich neemt,
V. althans, indien het hof van oordeel is dat alimentatie verschuldigd blijft, deze - gelet op de gewijzigde omstandigheden - vast te stellen op een bedrag dat in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven, per datum van het oorspronkelijke verzoek van de moeder, althans per datum van de beschikking van de rechtbank, althans per datum van het incidenteel appel, dan wel per datum van de beschikking van het hof.
Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 19 december 2025 is de moeder veroordeeld om de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling na te komen, waarbij de telling van de weken tijdens de schoolvakanties niet doorloopt en de eerste week na de kerstvakantie 2025/2026, startend op maandag 5 januari 2026, als week 3 van de zorgregeling zal gelden. Verder is - met wijziging in zoverre van de bestreden beschikking - bepaald dat tot en met de herfstvakantie van 2026 de volgende vakantie- en feestdagenregeling geldt:
Kerstvakantie 2025: week 1 bij de vader, week 2 bij de moeder tot en met donderdag 8 januari 2026 naar school, volgens week 3 van de reguliere zorgregeling;
Voorjaarsvakantie 2026: bij de vader, van zaterdag 14 februari 2026 tot maandag 23 februari 2026 naar school in week 1 van de reguliere zorgregeling;
Meivakantie 2026: in de eerste week bij de vader vanaf zaterdag 25 april 2026 (week 1 reguliere zorgregeling), tot en met zondag 3 mei 2026 om 12.00 uur. In de tweede week zijn de kinderen bij de moeder vanaf zondag 3 mei 2026 12.00 uur tot maandagochtend 11 mei 2026 naar school (week 2 reguliere zorgregeling);
Zomervakantie 2026: de eerste drie weken bij de vader, vanaf zaterdag 18 juli 2026 in week 3 van de reguliere zorgregeling tot zondag 9 augustus 2026 12.00 uur. De laatste drie weken bij de moeder, vanaf zondag 9 augustus 2026 tot maandag 31 augustus 2026 naar school, waarna de reguliere zorgregeling verder gaat volgens week 4 van het schema;
Herfstvakantie 2026: bij de moeder, waarbij geldt dat de vakantie start in week 2 van de reguliere zorgregeling waarin de kinderen vanaf donderdag 15 oktober 2026 na school bij de moeder zijn, tot donderdag 29 oktober 2026 volgens week 3 van de reguliere zorgregeling (die geldt vanaf maandag 26 oktober 2026);
Suikerfeest en Offerfeest: bij de moeder van 11.00 uur tot 19.30 uur, waarbij de vader de kinderen naar de moeder brengt en de moeder de kinderen bij de vader terugbrengt.
5. De motivering van de beslissing
Vooraf
De moeder heeft bezwaar gemaakt tegen de verzoeken van de vader in het incidenteel appel, omdat dit nieuwe verzoeken zijn, die voor het eerst in hoger beroep worden gedaan. Deze verzoeken van de vader hebben onder meer betrekking op een (voorwaardelijk) verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en een in verband daarmee vast te stellen zorgregeling tussen de minderjarigen en de moeder, alsmede vast te stellen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, ten laste van de moeder. Het hof constateert dat de vader in eerste aanleg zelfstandige verzoeken heeft gedaan, zodat het hem in beginsel vrij staat zijn verzoek in hoger beroep te vermeerderen, waaronder ook het doen van nieuwe verzoeken moet worden verstaan. Het toetsingskader voor de toelaatbaarheid van een dergelijke vermeerdering van het verzoek wordt gevormd door artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in combinatie met artikel 283 Rv en 130 Rv. Het komt erop neer dat de vermeerdering niet in strijd mag zijn met de eisen van de goede procesorde. De moeder heeft niet gesteld dat dit het geval is. Gelet daarop en vanwege de sterke samenhang van de nieuwe verzoeken met de verzoeken die in het principaal appel aan de orde zijn, zal het hof de vader ontvangen in zijn verzoeken in het incidenteel appel.
Hoofdverblijf
De vader verzoekt het hof het hoofdverblijf van de minderjarigen bij hem te bepalen, om dat de moeder de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling niet goed naleeft.
De moeder vindt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar moet blijven.
Juridisch kader
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Overweging van het hof
Het hof vindt continuïteit in de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen belangrijk en ziet in het geschil tussen partijen over de zorgregeling gaan aanleiding deze te wijzigen. Dit verzoek van de vader zal worden afgewezen en de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen blijft dus bij de moeder.
Zorgregeling
Het verzoek van de vader
Het hof begrijpt dat het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling voor de moeder voorwaardelijk is, in die zin dat hij dit verzoek doet voor de situatie dat het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vader zou zijn. Omdat die situatie zich niet voordoet - het hoofdverblijf van de minderjarigen blijft bij de moeder - wijst het hof het verzoek van de vader af.
Het verzoek van de moeder
De moeder stelt dat de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling niet in het belang is van de minderjarigen. In de kern beoogt de moeder dat die regeling teveel wisselmomenten bevat, wat onrustig is voor de minderjarigen, vooral voor [minderjarige 1] , die op de middelbare school zit. Verder stelt de moeder dat de huidige regeling teveel onduidelijkheden bevat, wat problematisch is in de uitvoering, omdat partijen niet goed in staat zijn met elkaar te communiceren. De huidige regeling vraagt daarom teveel van de minderjarigen, aldus de moeder.
De vader is er voorstander van dat de huidige zorgreling in stand blijft. Volgens hem loopt die regeling goed, hebben de minderjarigen het fijn bij de vader, en is het ook in het belang van de minderjarigen om een zo gelijkwaardig mogelijk contact met beide ouders te hebben.
Juridisch kader
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande dan wel een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Overweging van het hof
Het hof ziet op grond van de stukken en wat bij de mondelinge behandeling is aangevoerd, geen reden om een andere beslissing te nemen dan de rechtbank over de reguliere zorgregeling, en wel om de volgende redenen. Het hof stelt voorop dat beide ouders betrokken zijn op de minderjarigen en het beste met hen voor hebben. Beide ouders gunnen de minderjarigen rust en een goed contact met de andere ouder, wat waardevol is voor de minderjarigen. De rechtbank heeft bij het vaststellen van de regeling het aantal wisselmomenten zoveel mogelijk willen beperken, en het hof is het daarmee eens. Het hof acht het in belang van de minderjarigen dat zij in staat worden gesteld een zo gelijkwaardig mogelijk contact met de beide ouders te hebben en te profiteren van de opvoedvaardigheden van beide ouders. De huidige regeling voorziet daarin. Het hof acht het weliswaar aannemelijk dat die regeling ook een beroep doet op de flexibiliteit van de minderjarigen om tussen de ouders te laveren en dat te integreren in hun hun alledaagse (school)leven. Het hof heeft echter onvoldoende redenen om aan te nemen dat de huidige regeling de minderjarigen (vooral [minderjarige 1] ) overvraagt, of anderszins in strijd is met hun belangen. Het hof deelt de visie van de raad dat de minderjarigen best wat aankunnen als de ouders de zorgregeling gezamenlijk ondersteunen. Dat legt naar het oordeel van het hof ook een bestendige basis voor het creëren van rust en een stabiele opvoedsituatie voor de minderjarigen. De ouders worden op dit moment nog begeleid door [hulpverleningsinstantie] . Beide ouders lijken gemotiveerd om dat traject een kans van slagen te geven. Het hof doet een beroep op de ouders om de geboden hulp te benutten om een nieuw evenwicht te vinden in hun rol als gezamenlijke ouder van de minderjarigen.
Het hof zal gelet op het voorgaande de bestreden beschikking ten aanzien van de reguliere zorgregeling bekrachtigen.
Vakantieregeling
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen afspraken gemaakt over de vakantieregeling. Partijen verzoeken het hof de hierboven in overweging 4.4 vermelde regeling op te nemen in de beschikking, met daarbij de kanttekening dat die regeling geldt voor de even jaren en in de oneven jaren wordt gespiegeld en daarnaast met de kanttekening dat partijen voor wat betreft de zomervakantie 2027 (een oneven jaar) een afwijkende regeling zijn overeengekomen, namelijk dat de minderjarigen in de zomervakantie 2027 de eerste drie weken bij de vader doorbrengen en de laatste drie weken bij de moeder.
Het hof zal overeenkomstig de tussen de ouders bereikte overeenstemming beslissen, omdat niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich daartegen verzet. Dat betekent dat het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de vakanties en feestdagen zal vernietigen.
Kinderalimentatie: wijziging van omstandigheden
Het hof begrijpt dat de vader primair voorwaardelijk verzoekt de kinderalimentatie alsnog af te wijzen, althans op nihil te stellen, in die zin dat hij dit verzoek doet voor de situatie dat het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vader zou zijn. Omdat die situatie zich niet voordoet – het hoofdverblijf van de minderjarigen blijft bij de moeder - wijst het hof het verzoek van de vader af.
De vader stelt zich subsidiair op standpunt dat er aan zijn zijde sprake is van een wijziging van omstandigheden, gelegen in een inkomensdaling. De vader verzoekt het hof daarom de kinderalimentatie vast te stellen op een nader te berekenen bedrag dat in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. Hoewel de vader heeft toegezegd om, ruim op tijd, de juiste nieuwe financiële stukken in het geding te brengen, met een daarbij behorende draagkrachtberekening, heeft de vader daaraan geen opvolging gegeven. Ook ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de vader zijn stelling op geen enkele wijze nader onderbouwd. Het hof gaat daarom aan dit verzoek van de vader voorbij en zal de bestreden beschikking ten aanzien van de kinderalimentatie bekrachtigen.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
Het hof, in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de vakanties en feestdagen en, in zoverre opnieuw beschikkende, bepaalt - met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank van 23 december 2019 en het daaraan gehechte ouderschapsplan en de beschikking van de rechtbank van 14 november 2024 -
stelt - met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank van 23 december 2019 en het daaraan gehechte ouderschapsplan en de beschikking van de rechtbank van 14 november 2024 - de navolgende verdeling van de vakanties en feestdagen vast:
bepaalt dat in de oneven jaren het spiegelbeeld van deze regeling plaatsvindt, met uitzondering van de zomervakantie 2027, waarin de minderjarigen de eerste drie weken bij de vader verblijven en de laatste drie weken bij de moeder;
bekrachtigt de bestreden beschikking ten aanzien van de reguliere omgangsregeling en de kinderalimentatie;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, H.J. Wieman-Bart en D. Valle Robles-Roomer, bijgestaan door mr. A. Wijtzes als griffier en is op 1 juli 2026 uitgesproken door mr. A.A.F. Donders in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.