GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.360.339/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 24-8303
zaaknummer rechtbank : C/10/688906
beschikking van de meervoudige kamer van 17 juni 2026
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat voorheen mr. A. Aksü te Rotterdam, thans mr. N.T. Vogelaar, te Maasdijk,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. C.W.F. Jansen te Rotterdam.
1. Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).
2. Het geding in hoger beroep
De man is op 15 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De vrouw heeft op 25 november 2025 een verweerschrift ingediend.
Voorts zijn bij het hof ingekomen:
- een e-mail van de zijde van de man van 12 maart 2026, met bijlagen;
- een e-mail van de zijde van de vrouw van 13 maart 2026, met bijlagen;
- een e-mail van de zijde van de vrouw van 23 maart 2026.
De mondelinge behandeling heeft op 24 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de advocaat van de vrouw.
De vrouw is, zoals tevoren aangekondigd, niet verschenen.
3. De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 1989 te [huwelijksplaats] , Turkije.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 6 augustus 2024 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op [ontbindingsdatum] 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4. De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking is ten laste van de man aan de vrouw met ingang van 1 november 2024 een uitkering tot levensonderhoud (hierna: partneralimentatie) toegekend van € 1.610,- per maand. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat deze onderhoudsbijdrage per 1 januari 2025 ieder jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, zodat de onderhoudsbijdrage met ingang van die datum afgerond € 1.715,- per maand bedraagt. De bestreden beschikking is in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
De man verzoekt het hof, na wijziging van zijn verzoek, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de partneralimentatie met ingang van 1 november 2024 op nihil wordt gesteld, althans op een zodanig lager bedrag als het hof juist acht.
De vrouw verzoekt het hof, in reactie op het gewijzigde verzoek van de man, de man ten dele in zijn grieven niet-ontvankelijk te verklaren en het verzoek voor het overige af te wijzen.
5. De motivering van de beslissing
Procesorde/strijd met twee-conclusieregel
De vrouw maakt bezwaar tegen indiening van de brief van de advocaat van de man van 12 maart 2026. Volgens de vrouw is de inhoud daarvan in strijd met de twee-conclusieregel en de goede procesorde, omdat de man daarin nieuwe grieven heeft opgeworpen en zijn verzoek heeft gewijzigd en dit, bovendien, in een zeer laat stadium van de procedure heeft gedaan.
Ingevolge artikel 278 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 359 Rv moet het beroepschrift in rekestzaken de gronden bevatten waarop het beroep berust. Alle grieven tegen de bestreden beschikking dienen dus al te zijn opgenomen in het beroepschrift. De Hoge Raad heeft echter bepaald dat de appelrechter in alimentatiezaken - met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor - in beginsel acht dient te slaan op een nieuw aangevoerde grief (zelfs nog op de mondelinge behandeling in hoger beroep).
Wat betreft de eisen van de goede procesorde is het hof met de vrouw van oordeel dat de nieuwe grieven en de bijbehorende wijzing van het verzoek in een laat stadium van de procedure zijn ingediend en gedaan terwijl deze grieven eerder in de procedure naar voren gebracht hadden kunnen worden. Daarbij is naar het oordeel van het hof echter ook van belang dat deze grieven wel meer dan tien dagen voor de mondelinge behandeling zijn ingediend en dat de vrouw, voorafgaand aan de mondelinge behandeling, inhoudelijk verweer heeft gevoerd op de nieuwe grieven van de man en zijn gewijzigde verzoek en de nieuwe grieven en het gewijzigde verzoek tijdens de mondelinge behandeling inhoudelijk zijn besproken met partijen. Bij deze stand van zaken is naar het oordeel van hof geen sprake van strijd met de eisen van een goede procesorde. Het hof zal daarom acht slaan op de nieuwe grieven van de man en zijn gewijzigde verzoek, dat het hof hiervoor onder rechtsoverweging 4.2 heeft weergegeven.
Het (voort)bestaan van de alimentatieverplichting
De man stelt, primair, dat partijen in het kader van de afwikkeling van hun huwelijk mondeling hebben afgesproken dat er over een weer geen alimentatie zou worden betaald. Zij zijn daarbij bewust afgeweken van de wettelijke maatstaven. De man zou de woonlasten en de ziektekostenverzekering van de vrouw en de kinderen betalen. Ook is de woning in Turkije zonder nadere verrekening naar de vrouw gegaan. De echtelijke woning is uiteindelijk onder de marktwaarde overgedragen aan de zoon van partijen zodat de vrouw en de zoon daarin konden blijven wonen. De vrouw heeft de helft van de overwaarde ontvangen, zijnde een bedrag van € 40.000,-. Daarnaast heeft de vrouw al het goud gehouden. Daar stond tegenover dat de vrouw geen aanspraak zou maken op alimentatie.
Subsidiair stelt de man dat de vrouw afstand heeft gedaan van haar recht op alimentatie, althans haar recht op partneralimentatie heeft prijsgegeven. Uit de verklaringen en gedragingen van de vrouw kon de man afleiden dat zij haar recht op alimentatie ondubbelzinnig heeft prijs gegeven. De vrouw heeft, hoewel zij werd bijgestaan door een advocaat, in de periode van 2020 tot na de echtscheiding in augustus 2024 immers geen bijdrage ten laste van de man verzocht. De vrouw heeft geprofiteerd van de vermogensrechtelijke afwikkeling. De man mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de vrouw geen aanspraak meer zou maken op partneralimentatie.
Tenslotte vraagt de man de partneralimentatie te limiteren, nu de man in de periode van 2020 tot aan de echtscheiding in 2024 feitelijk een bijdrage ten behoeve van de vrouw heeft voldaan.
De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken.
Het hof overweegt als volgt. Voor de beantwoording van de vraag of tussen partijen een overeenkomst met betrekking tot de partneralimentatie tot stand is gekomen, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Hantering van deze (Haviltex)maatstaf kan ook leiden tot het oordeel dat mondeling, dan wel stilzwijgend afspraken tot stand zijn gekomen, of dat deze stilzwijgend (kunnen worden geacht te) zijn gewijzigd (ECLI:NL:HR:2009:BI6319 en ECLI:NL:HR:2011:BQ3876).
Ingevolge artikel 1:157 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen echtgenoten bij overeenkomst afstand doen van de onderhoudsbijdrage die de een aan de ander na de echtscheiding verschuldigd zal zijn. Hoewel het evident is dat partijen in het kader van de echtscheiding hebben gesproken over de partneralimentatie, is door de man onvoldoende gesteld ten aanzien van de overeenkomst die partijen zouden hebben gesloten waarbij de vrouw definitief afstand zou hebben gedaan van haar recht op partneralimentatie.
De feiten die de man stelt (het feit dat de vrouw sinds het uiteengaan van partijen in 2020 tot en met de echtscheidingsprocedure in 2024 nimmer om partneralimentatie heeft verzocht, de betalingen die de man heeft gedaan en/of de vermogensbestanddelen die aan de vrouw zijn toegedeeld of een bepaalde verdeling van de gemeenschap) kunnen ieder voor zich of tezamen niet zonder meer leiden tot de conclusie dat de vrouw haar recht op partneralimentatie heeft prijsgegeven. Daarvoor is nodig dat de man bijkomende feiten of (bijzondere) omstandigheden stelt waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de vrouw zich zodanig heeft gedragen dan wel uitgelaten dat zij daarmee bij de man het vertrouwen heeft gewekt dat hij geen partneralimentatie hoefde te voldoen. Nu de man zich beroept op het bestaan van een mondelinge overeenkomst dient hij te stellen en zo nodig bewijs te leveren van de tussen partijen bestaande overeenkomst. De man heeft echter onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit het bestaan van een geldige overeenkomst blijkt. Nu de man niet heeft voldaan aan zijn stelplicht, komt het hof komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van zijn stellingen.
Het verzoek van de man tot limitering tenslotte, is evenmin geconcretiseerd en onderbouwd met feiten en omstandigheden op grond waarvan dit gezien de eisen die de wet hieraan stelt, kan worden toegewezen. Het hof gaat dan ook aan dit verzoek voorbij.
Het hof komt derhalve toe aan de inhoudelijke beoordeling van de partneralimentatie.
Om proceseconomische redenen zal het hof eerst de draagkracht van de man beoordelen.
Aandeel van de man in de kosten van de kinderen
De man stelt ten aanzien van zijn draagkracht dat deze niet toereikend is om enig alimentatiebedrag aan de vrouw te betalen. Ter onderbouwing van die stelling heeft de man een tweetal draagkrachtberekeningen overgelegd, producties 15 en 19 bij zijn brief van 12 maart 2026. Het hof zal de draagkracht van de man bespreken aan de hand van deze berekeningen.
Het geschil beperkt zich tot de woonlasten van de man en de hoogte van de onderhoudsverplichting van de man jegens zijn drie minderjarige kinderen, geboren uit een andere relatie. Het gaat om: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2021, [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2022 en [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2025.
Dat de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] (in de periode dat [minderjarige 3] nog niet geboren was) tezamen € 1.157,- per maand bedroeg en de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tezamen € 1.532,- per maand, is tussen partijen niet in geschil.
Niet in geschil is dat het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (in de periode dat [minderjarige 3] nog niet geboren was) in beginsel totaal € 1.110,- per maand bedroeg en zijn aandeel in de kosten van alle drie de kinderen tezamen € 1.164,- per maand.
De man stelt dat de relatie met zijn partner inmiddels is verbroken en dat hij met ingang van 1 februari 2026 een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] betaalt van € 416,67 per maand per kind, derhalve totaal afgerond € 1.250,- per maand. De vrouw heeft nog aangevoerd dat er met een tweetal periodes moet worden gerekend namelijk de periode voordat de man en zijn partner uit elkaar zijn gegaan en de periode daarna. Zij heeft verder niet onderbouwd waarom en op welke wijze dit effect zou hebben op de hoogte van de kosten van de kinderen zodat het hof hieraan voorbij gaat.
Aandeel van de (ex)partner van de man in de kosten van de kinderen
Uit de draagkrachtberekeningen en de aangifte IB 2024 die de man in eerste aanleg heeft overgelegd, blijkt dat zijn (ex)partner een inkomen heeft op bijstandsniveau. Zij is net als de man onderhoudsplichtig voor de kinderen. Gezien de hoogte van haar inkomen is zij gehouden om met een minimale bijdrage van € 25,- per maand per kind bij te dragen in hun levensonderhoud.
Wooncomponent in de behoefte
De vrouw stelt zich op het standpunt dat gelet op het tekort aan draagkracht aan de zijde van de man, er geen rekening mag worden gehouden met de woonkosten component. Er is in de visie van de vrouw sprake van een dubbeltelling omdat zowel in de behoefte van de kinderen als in de draagkracht van de man rekening wordt gehouden met een woonkosten component. Dat terwijl de man, zo begrijpt het hof de redenering van de vrouw, zelf geen woonlasten heeft en de woonlasten van de woning waar zijn (ex)partner en de kinderen in wonen, betaalt. Het hof passeert dit standpunt van de vrouw. In de behoefte van de kinderen is in de berekening van de alimentatie altijd een woonkosten component opgenomen. Deze kosten vormen immers een onderdeel van de behoefte waar de man op grond van zijn onderhoudsverplichting in moet voorzien. Het feit dat de man op dit moment zelf geen woonlasten heeft en de woonlasten van de woning waar de kinderen in wonen voldoet, maakt dit niet anders.
Forfaitaire woonlast
Het hof zal voor wat betreft de draagkracht van de man rekening houden met het volledige woonbudget. Hoewel de man op dit moment geen eigen woonlasten heeft, zal hij daarover in de (zeer nabije) toekomst immers wel moeten beschikken. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat de man nu bij een vriend woont en als vermeld (nog) de woonlasten van de woning betaalt waar de moeder van zijn kinderen en de kinderen wonen.
Conclusie
Rekening houdend met de kosten van levensonderhoud van de minderjarige kinderen van de man en het woonbudget, resteert bij de man geen draagkracht om een partneralimentatie te voldoen. Het hof verwijst naar de draagkrachtberekeningen die door de man in het geding zijn gebracht, waarin de man komt op een negatieve draagkracht. Tezamen met zijn partner is er een tekort om in de kosten van levensonderhoud van de kinderen te voorzien. Gelet hierop behoeft hetgeen overigens nog naar voren is gebracht (zoals over de behoefte van de vrouw) geen bespreking meer.
De man vraagt in appel om nihistelling van de partneralimentatie. Nu in eerste aanleg voor het eerst partneralimentatie is vastgesteld, zal het hof dit verzoek opvatten als een verzoek om het oorspronkelijke verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie alsnog af te wijzen. De man heeft, nu het verzoek van de vrouw alsnog zal worden afgewezen, bij de behandeling van dit verzoek geen belang meer.
Het hof zal, gelet op al het vorenstaande de bestreden beschikking vernietigen en het verzoek van de vrouw om een partneralimentatie vast te stellen alsnog afwijzen.
Terugbetalingsverplichting
Nu het hof tot het oordeel komt dat het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie alsnog moet worden afgewezen, zal de vrouw eventueel reeds ontvangen partneralimentatie - wat de man sinds de bestreden beschikking op grond van die beschikking kan hebben voldaan -, moeten terugbetalen. Het hof dient te beoordelen of en in hoeverre van de vrouw in redelijkheid kan worden gevergd dat zij eventueel door de man betaalde partneralimentatie aan de man terugbetaalt. Daarbij is onder meer relevant in hoeverre de vrouw beschikt over andere financiële middelen en of zij de ontvangen alimentatie heeft verbruikt. Bij die beoordeling betrekt het hof ook het belang van de man bij terugbetaling van de door hem te veel betaalde alimentatie, die hij immers boven zijn draagkracht heeft voldaan.
Het hof acht het aannemelijk dat voor zover de man vanaf 1 november 2024, partneralimentatie aan de vrouw heeft voldaan zij dit, gezien haar inkomen en haar behoefte, van maand tot maand heeft verbruikt. Niet kan worden gezegd dat zij had kunnen voorzien dat het de man aan draagkracht ontbrak nu de man in eerste aanleg heeft verzuimd financiële gegevens ten aanzien van de behoefte van zijn minderjarige kinderen en van de draagkracht van zijn (ex)partner in het geding te brengen. Ook was nog lang onduidelijk of de man nog samenwoonde of weer zou gaan samenwonen met zijn (ex)partner. De man heeft aangevoerd dat de vrouw over eigen middelen zou beschikken omdat zij de helft van de overwaarde van de echtelijke woning heeft ontvangen maar dit is door de vrouw uitdrukkelijk betwist en de man heeft hier geen bewijs van overgelegd. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat in redelijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd dat zij eventueel door de man betaalde partneralimentatie aan hem terugbetaalt.
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
Het hof, beschikkende in het hoger beroep:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover de rechtbank in de hoofdzaak heeft beslist en met uitzondering van de proceskostencompensatie en, in zoverre opnieuw beschikkende;
wijst het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie alsnog af;
bepaalt dat de vrouw hetgeen zij vanaf 1 november 2024 ten titel van partneralimentatie teveel heeft ontvangen, niet aan de man hoeft terug te betalen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E. Sutorius-van Hees, A. Zonneveld en A.J.I. Mullenders, bijgestaan door mr. A. Wijtzes als griffier en is op 17 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.