ECLI:NL:GHDHA:2026:2928

ECLI:NL:GHDHA:2026:2928

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 17-08-2026
Datum publicatie 25-09-2026
Zaaknummer 200.371.308/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2026:20887

Samenvatting

Internationale kinderontvoering. Niet-verdragsland. Artikel 3 HKOV; geen ongeoorloofde achterhouding. Moeder heeft toestemming gegeven voor een permanent verblijf in Nederland.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

zaaknummer : 200.371.308/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 26-3684

zaaknummer rechtbank : C/09/703264

beschikking van de meervoudige kamer van 17 augustus 2026

inzake

[de moeder] ,

wonende te India,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.E.C. Verhoeff te Den Haag.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de bijzondere curator] ,

kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

in haar hoedanigheid van bijzondere curator over [minderjarige] ,

hierna te noemen: de bijzondere curator.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden,

hierna te noemen: de raad.

1. De zaak en de beschikking in het kort

Deze zaak gaat over het verzoek van de moeder tot teruggeleiding van [minderjarige] vanuit Nederland naar India. De rechtbank Den Haag heeft in de beschikking van 25 juni 2026 (hierna: de bestreden beschikking) dat verzoek afgewezen.

De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking. Zij wil dat de teruggeleiding van [minderjarige] naar India alsnog wordt gelast. De vader heeft hiertegen verweer gevoerd.

In deze beschikking wijst het hof het hoger beroep van de moeder af. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking bekrachtigt en geen andere beslissing neemt dan de rechtbank.

Het hof geeft hierna eerst een beschrijving van het verloop van de procedure tot nu toe en het geschil in hoger beroep. Daarna motiveert het hof zijn beslissing.

2. Het geding in hoger beroep

De moeder is op 8 juli 2026 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

De vader heeft op 27 juli 2026 een verweerschrift ingediend.

Het hof heeft op 28 juli 2026 het verslag van de bijzondere curator van 16 juli 2026 ontvangen.

Daarnaast heeft het hof de volgende stukken ontvangen:

van de moeder:

- een journaalbericht met bijlagen van 30 juli 2026, ingekomen op diezelfde datum;

van de vader:

- een video-file op usb-stick, ingekomen op 28 juli 2026;

- een e-mailbericht met bijlagen van 31 juli 2026.

De voorzitter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling, in het bijzijn van de bijzondere curator, met [minderjarige] gesproken. De andere leden van het hof hebben dit gesprek digitaal bijgewoond. Tijdens de mondelinge behandeling is een samenvatting gegeven van dit gesprek. Alle betrokkenen hebben hierop kunnen reageren.

De mondelinge behandeling heeft op 3 augustus 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

de moeder, bijgestaan door haar advocaat en [de tolk] , tolk in de Engelse taal;

de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

de bijzondere curator;

de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

De moeder heeft de mondelinge behandeling door middel van een videoverbinding bijgewoond. De advocaat van de moeder heeft pleitnotities overgelegd en voorgedragen.

3. De feiten

Het hof gaat uit van de feiten zoals de rechtbank die in de bestreden beschikking heeft vastgesteld. Onder meer staat het volgende vast.

Partijen zijn met elkaar getrouwd en zij zijn de ouders van: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] , India.

De ouders oefenen samen het gezag uit over [minderjarige] .

De vader en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit en de moeder heeft de Indiase nationaliteit.

4. De omvang van het geschil

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de moeder tot teruggeleiding van [minderjarige] naar India afgewezen en bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

De moeder is het niet eens met deze beslissing. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar verzoek alsnog toe te wijzen, met veroordeling van de vader tot vergoeding van de door haar gemaakte kosten in beide procedures.

De vader voert verweer en verzoekt het hof de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5. De motivering van de beslissing

Vooraf

Rechtsmacht

Omdat India geen partij is bij het Haagse Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980, Trb. 1987, nr. 139 (hierna: het Verdrag), moet de rechtsmacht van de Nederlandse rechter beoordeeld worden volgens de commune regels van internationaal bevoegdheidsrecht.

In dit geval heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om kennis te nemen van het verzoek op grond van artikel 3 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, aangezien de vader zijn woonplaats in Nederland heeft (HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1085).

Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is de rechtbank Den Haag, en daarmee als enige appelinstantie het Hof Den Haag, bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

Toetsingskader

Omdat India geen partij is bij het Verdrag kan de verdragsregeling niet rechtstreeks worden toegepast op het onderhavige teruggeleidingsverzoek. Artikel 2 van de Uitvoeringswet bepaalt echter dat het Verdrag ook van toepassing is in de gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst. In die gevallen kan de verdragsregeling als punt van oriëntatie worden gehanteerd bij de beoordeling van het teruggeleidingsverzoek.

Het hof zal zich dan ook zo veel mogelijk baseren op de inhoud van het Verdrag bij de beoordeling van het hoger beroep van de moeder. Dat neemt niet weg dat het hof in niet door het Verdrag bestreken gevallen van internationale kinderontvoering in het algemeen de nodige ruimte heeft om, indien daartoe aanleiding bestaat, af te wijken van de verdragsregeling (Hof Den Haag 19 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2020).

Het Verdrag heeft tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding; artikel 3 van het Verdrag

Wat staat er in het Verdrag?

Op grond van artikel 3 van het Verdrag is sprake van een ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren van het kind geschiedt in strijd met het gezagsrecht op grond van het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.

Het geschil in hoger beroep

Niet in geschil is dat [minderjarige] onmiddellijk voor zijn overbrenging naar Nederland in augustus 2025 zijn gewone verblijfplaats in India had en dat partijen op dat moment naar Indiaas recht gezamenlijk het gezagsrecht over [minderjarige] hadden en dit recht toen daadwerkelijk gezamenlijk uitoefenden.

Het geschil in hoger beroep ziet op de vraag of de moeder voorafgaand aan de overbrenging van [minderjarige] naar Nederland, aan de vader toestemming heeft gegeven voor een tijdelijk dan wel permanent verblijf van [minderjarige] in Nederland. De vader meent dat er toestemming is gegeven voor een permanent verblijf en de moeder meent dat er slechts toestemming was gegeven voor een tijdelijk verblijf in Nederland, namelijk tot 30 september 2025.

Oordeel van het hof

Net als de rechtbank zal het hof het verzoek van de moeder tot teruggeleiding afwijzen. Het hof is van oordeel dat er op het moment van overbrenging van [minderjarige] in augustus 2025 naar Nederland door de moeder toestemming was gegeven voor een permanent verblijf van hem in Nederland, zodat er geen sprake is van een ongeoorloofde achterhouding van [minderjarige] in Nederland. Het hof overweegt in dit kader als volgt.

De moeder heeft de stelling van de vader dat partijen al sinds 2024 (uitvoerig) spraken over een permanent verblijf van [minderjarige] in Nederland niet betwist. De vader zou vooruit gaan, [minderjarige] zou hierna volgen en uiteindelijk zou de moeder ook (in ieder geval voor een gedeelte van de tijd) naar Nederland komen. [minderjarige] kreeg in India, vanwege het feit dat het gezin op een afgelegen plaats woonde, thuisonderwijs van de moeder en de ouders hadden als gezamenlijk doel om bij het ouder worden van [minderjarige] ervoor te zorgen dat er een school voor hem zou komen waar hij iedere dag naar toe zou kunnen. Deze gang van zaken is in zoverre niet weersproken door de moeder. Aan het gezamenlijke doel van ouders is vervolgens in april 2025 daadwerkelijk uitvoering gegeven door het vertrek van de vader naar Nederland. De moeder en [minderjarige] waren toen nog in India. Uit de correspondentie tussen partijen op 15 mei 2025 volgt dat de moeder op dat moment wil dat de vader [minderjarige] zo spoedig mogelijk komt ophalen (productie 8A): ‘ [de vader] , i want you to take him. ASAP. (…) Take [minderjarige] [de vader] . Whenever it works out take him away. (…) He loves us both and wants us together but you should take him [de vader] . He will be in a better place. (…) Just take [minderjarige] and don’t look back.” Deze berichten van de moeder bevestigen de intentie van een permanent verblijf van [minderjarige] in Nederland.

Uiteindelijk is [minderjarige] op 13 augustus 2025 met [de partner van de vader] , de partner van de vader, naar Nederland gegaan, zonder de moeder. Op 4 september 2025 stuurt de moeder [minderjarige] een iMessage met als inhoud (productie 8D): “You know you can always live there if you wanted to. Mama would never stop you.” Dit bericht bevestigt nogmaals de intentie van permanente vestiging in Nederland. Op dat moment was het nog steeds de bedoeling dat ook de moeder naar Nederland zou komen. Dit volgt uit appberichten tussen de ouders van 9 september 2025 (productie 8E). De moeder noemt verschillende data waarop afspraken bij het consulaat mogelijk zijn en heeft het over de mogelijkheid om online iets te leren als zij in Nederland is.

Op 16 september 2025 laat de moeder weten dat zij toch niet naar Nederland zal komen, maar naar haar broer in de Verenigde Staten zal gaan. De moeder benoemt hierbij ook dat de enige manier waarop de ouders kunnen stoppen elkaar het leven zuur te maken, is door ver bij elkaar vandaan te wonen. Zelfs als dit betekent dat een van hen [minderjarige] op moet geven (appbericht van 06:07). De vader reageert hierop en vraagt onder andere of het klopt dat hij voor nu het bezoek van de moeder dus niet nader hoeft te plannen, dat hij voor nu voor [minderjarige] zal zorgen en dat zij over twee tot drie maanden altijd kunnen bekijken hoe de zaken lopen. De moeder antwoordt hier bevestigend op. Hieruit kan worden opgemaakt dat aan het oorspronkelijke idee dat ook de moeder naar Nederland zou komen, op dat moment geen verdere uitvoering zou worden gegeven. Naar het oordeel van het hof verandert dit echter niets aan het oorspronkelijke doel van een permanent verblijf van [minderjarige] in Nederland. De zinssnede ‘for now’ is volgens het hof geen bevestiging van een tijdelijk verblijf van [minderjarige] in Nederland, maar duidt erop dat de vader voorlopig alleen, zonder de moeder, voor [minderjarige] zal blijven zorgen in afwachting van de komst van de moeder naar Nederland.

Dat [minderjarige] langdurig in Nederland zou blijven, wordt nogmaals bevestigd in berichten van de moeder van 30 september 2025 (productie 8G en 8H). De moeder stuurt naar [minderjarige] : “Poepie, mama wants you to know this. If you want to go to school there now, do that okay.” en naar de vader: “Please be there keep [minderjarige] as long as you want.” en “Keep [minderjarige] . Don’t come back also. I’m quite good being by myself”. Deze berichten, en de eerdere berichten van 16 september 2025, stroken niet met de stelling van de moeder dat het de bedoeling was dat [minderjarige] op 30 september 2025 terug zou keren naar India. Het was juist de bedoeling dat ook de moeder op enig moment naar Nederland zou gaan. Verder benoemt de moeder in geen van de berichten dat [minderjarige] op die datum terug moest keren naar India. Het enige stuk waarin 30 september 2025 als terugkeerdatum wordt genoemd is het ‘travel consent document’. Dit document is in het licht van het voorgaande en gezien het gegeven dat er geen retourticket was geboekt voor [minderjarige] , echter onvoldoende voor het aannemen van een slechts tijdelijk verblijf van [minderjarige] in Nederland.

Dat de moeder, zoals zij stelt, nadien de vader steeds om de terugkeer van [minderjarige] naar India heeft gevraagd, is het hof onvoldoende gebleken. De enige berichten waar dit uit zou kunnen worden opgemaakt zijn de appberichten van de moeder aan de vader van 26 oktober 2025 in de vroege ochtend (productie 24 eerste aanleg). Later die dag hebben de ouders echter met elkaar gebeld en vervolgens met elkaar geappt (productie 8J) over de toestemming voor het wonen en de schoolgang van [minderjarige] in Nederland van de zijde van de moeder en het opstellen van een document, lijkend op een ouderschapsplan, waarin dit zou worden vastgelegd. De moeder antwoordt hier in die appwisseling bevestigend op. Vervolgens zegt de moeder in die appwisseling ‘I just realised that I don’t get to be a part of [minderjarige] ’s jokes quirks and fun anymore. I will not have any more memories of moments and it’s a bit hard atm to realise rhat (hof: that). I’ll sign whatever you want. Just send it. Every few months I get to make memories with him.’ en ‘I have nothing to add to the document. You can write what you want I’ll sign it.’

Een dag later, 27 oktober 2025, vindt er vervolgens een Google Meet gesprek plaats tussen de ouders. Tijdens deze meeting wordt het door de vader opgestelde document besproken. De moeder geeft akkoord op de passages over het verblijf van [minderjarige] in Nederland en zijn inschrijving op een school in Nederland (de paragrafen 1.1 en 2.1). De intentie van een permanent verblijf van [minderjarige] in Nederland wordt hiermee nogmaals bevestigd. Bij andere passages, bijvoorbeeld daar waar het gaat over de vraag waar de moeder moet verblijven als zij in Nederland is en de afspraken over het respecteren van elkaars privacy op social media, heeft de moeder wel op- en aanmerkingen en voorstellen voor wijziging. Gelet hierop volgt het hof de moeder niet in haar stelling dat zij onvoldoende scherp dan wel murw was tijdens dit gesprek. Het hof volgt de moeder daarnaast niet in haar op de zitting in hoger beroep voor het eerst ingenomen stelling dat er sprake is van intieme terreur en/of dwingende controle en dat de houding van de vader tijdens dit gesprek die stelling bevestigt. Het is duidelijk dat de vader geïrriteerd is tijdens het gesprek. De achtergrond hiervan heeft de vader op de zitting toegelicht. Zijn irritatie kwam voort uit angst voor herhaling door de dreigingen vanuit de moeder, omdat de vader in het verleden onterecht heeft vastgezeten in India voor een strafbaar feit waar hij later van is vrijgesproken. De moeder heeft dit niet weersproken.

Het feit dat de moeder het door de vader opgestelde document uiteindelijk niet heeft getekend, maakt het oordeel van het hof niet anders. Er is na het Google Meet gesprek uitvoering gegeven aan de overeenkomst en de moeder heeft op geen enkel moment te kennen gegeven dat zij zich hierin niet meer kon vinden. In plaats daarvan is de moeder op reis gegaan en is er langere tijd geen contact geweest tussen de ouders, omdat de vader (en ook [minderjarige] ) geen contact kon krijgen met de moeder.

Uiteindelijk stuurt de moeder pas op 29 januari 2026 een bericht aan de vader met de mededeling dat zij een verzoek tot teruggeleiding bij de rechter zal neerleggen en de Nederlandse ambassade zal inschakelen wegens ontvoering van [minderjarige] (productie 10 eerste aanleg). Vervolgens wordt in april 2026 het verzoekschrift tot teruggeleiding ingediend. De moeder lijkt dus spijt te hebben gekregen van haar eerdere toestemming, maar dit is onvoldoende om te oordelen dat de eerdere toestemming haar betekenis heeft verloren. Zoals hierboven reeds overwogen is het hof ook niet gebleken dat de moeder vanaf 30 september 2025 steeds om de terugkeer van [minderjarige] naar India heeft gevraagd. De moeder heeft deze stelling en haar stelling dat de vader de door hem ingebrachte berichten selectief en gemanipuleerd heeft ingebracht geenszins onderbouwd terwijl zij, anders dan zij zelf stelt, over alle correspondentie tussen partijen kon beschikken. Op 27 mei 2026 heeft de advocaat van de vader namelijk een link naar de Google-drive van de vader naar de advocaat van de moeder gestuurd. Dat de advocaat van de moeder deze link niet heeft willen openen, komt voor rekening en risico van de moeder. Dit laat ook onverlet dat de moeder zelf de link had kunnen openen, vooral nu zij zelf stelt dat zij niet meer over de berichten beschikt, omdat zij deze zelf op haar eigen telefoon had verwijderd.

Conclusie

Het hof komt op basis van het voorgaande tot de conclusie dat er geen sprake is van een ongeoorloofde vasthouding van [minderjarige] in Nederland. Gelet hierop zal het hof het hoger beroep van de moeder afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.

Kosten

De moeder heeft het hof verzocht om de vader te veroordelen in de kosten van beide procedures. Reeds omdat het hof het hoger beroep van de moeder afwijst, zal het hof ook dit verzoek van de moeder afwijzen. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de beslissing van de rechtbank om de proceskosten in eerste aanleg te compenseren bekrachtigen en de proceskosten in hoger beroep ook compenseren.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af;

ontslaat de bijzondere curator [de bijzondere curator] van haar taak met ingang van de datum van deze beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.S.F. de Nijs, E.B.J. van Elden en P.M.M. Mostermans, bijgestaan door mr. N. van Duijvenbode als griffier, en is op 17 augustus 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. N. van Duijvenbode

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand