ECLI:NL:GHDHA:2026:2927

ECLI:NL:GHDHA:2026:2927

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 18-08-2026
Datum publicatie 25-09-2026
Zaaknummer 200.363.991/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep kort geding
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Beide partijen hebben geen spoedeisend belang meer bij hun wederzijdse vorderingen nu zij zelf orde op zaken hebben gesteld. Of er tussen partijen een nadere overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de verdeling van de certificaten van de BV leent zich niet voor een kortgedingprocedure.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

Zaaknummer hof : 200.363.991/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/687104 / KG ZA 25-595

Arrest van 18 augustus 2026 in kort geding

in de zaak van

[de man] ,

wonend in [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. A. Schellekens, kantoorhoudend in [plaats] ,

tegen

[de vrouw] ,

wonend in [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.L.J. Kapteijn, kantoorhoudend in [plaats] .

Het hof noemt partijen hierna de man en de vrouw.

1. De zaak in het kort

Deze zaak ziet op de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen. Zoals hierna zal blijken, beperkt het geschil zich tot de omvang van het bedrag dat de man nog aan de vrouw dient te voldoen wegens de toedeling aan hem van de tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behorende certificaten van aandelen in [de B.V.] Partijen strijden over of en hoe de wegens die fictieve vervreemding verschuldigde aanmerkelijk belang belasting tussen hen moet worden verrekend.

De man heeft tevens een incident tot (gedeeltelijke) schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis ingesteld.

2. Procesverloop in hoger beroep

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit het volgende:

de spoedappeldagvaarding van 14 januari 2026 tevens houdende grieven en tevens houdende een incident tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, waarmee de man in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 18 december 2025, hierna ook: het bestreden vonnis;

de beslissing van de rolraadsheer dat spoedappel wordt afgewezen;

de antwoordconclusie in het incident van de vrouw, met bijlagen;

de memorie van antwoord tevens houdende het incidenteel appel van de vrouw, met bijlagen;

de memorie van antwoord in het incidenteel appel van de man, met bijlagen;

de bijlagen 6 en 7 die de vrouw bij H12-formulier gedateerd 26 mei 2026 ter gelegenheid van de na te melden mondelinge behandeling heeft overgelegd.

Op 28 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen en hun advocaten aanwezig waren. De advocaten hebben de zaak toegelicht. Het hof beschouwt de voormelde bijlagen 6 en 7 zijdens de vrouw als bij akte genomen, zodat deze deel uitmaken van het procesdossier.

3. Feitelijke achtergrond

Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen, zoals deze gold tot 1 januari 2018 met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van 7 december 2022 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 19 april 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

De man is bestuurder van [de Stichting] en die stichting is enig aandeelhouder van [de B.V.] Partijen zijn het erover eens dat de certificaten van de aandelen in [de B.V.] (hierna ook: de certificaten) tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoren. Met betrekking tot de certificaten heeft de rechtbank in de echtscheidingsbeschikking bepaald dat deze bindend moeten worden gewaardeerd door een onafhankelijke deskundige en dat de certificaten aan de man zullen worden toegedeeld tegen de door de deskundige vastgestelde waarde, onder verrekening van de helft van die waarde met de vrouw, waarbij rekening moet worden gehouden met belastinglatenties.

Partijen hebben beiden hoger beroep ingesteld tegen de echtscheidingsbeschikking, hetgeen heeft geresulteerd in de beschikking van 25 januari 2025 van dit hof. Het hof heeft in het dictum van voormelde beschikking onder meer bepaald dat de peildatum voor de waardering van de certificaten 11 januari 2022 is en dat aan de certificaten een waarde wordt toegekend van € 825.000,-, waarop bij de levering van de certificaten rekening dient te worden gehouden met de verschuldigde aanmerkelijk belang (AB)-claim. Onder r.o. 5.17 van die beschikking heeft het hof geoordeeld dat voor wat betreft de AB-claim moet worden uitgegaan van de nominale claim op het moment van de verdeling.

Vervolgens is in een e-mailbericht van 4 februari 2025 van de advocaat van de vrouw aan de advocaat van de man het volgende opgenomen: ‘Terzake de AB claim is het - gelet op de peildatum - logisch om het tarief van 2022 te hanteren, te weten 26,9%. Dat betekent dat mijn cliënte, terzake de certificaten, een bedrag van € 825.000,- minus € 221.925,- is € 603.075:2 is € 301.537,50 van uw cliënt zal ontvangen.’

De man heeft hierop bij e-mailbericht van 5 februari 2025 geantwoord als volgt: ‘Ten aanzien van de waarde van de certificaten zijn wij het eens over de AB-claim van 26,9% (€ 221.925) en het daaruit volgende eindbedrag van € 301 .537,50 (€ 825.000 - € 221.925 = € 603.075:2).’

Daarna heeft de vrouw op 11 juli 2025 de man in kort geding gedagvaard onder meer omdat zij inzake de verdeling van de certificaten een som ineens van de man wenste te ontvangen. De vrouw heeft in dit kort geding wat de certificaten betreft aanspraak gemaakt op een brutobedrag van € 412.000,- in plaats van een bedrag van € 301.537,50 omdat de tweejaarstermijn waarbinnen de certificaten fiscaal neutraal aan de man konden worden geleverd, inmiddels verstreken was. Deze procedure heeft geresulteerd in het bestreden vonnis.

In hoger beroep is gebleken dat ná het bestreden vonnis en vóór de mondelinge behandeling in hoger beroep een volgend kort geding tussen partijen aanhangig is geweest. Uit het proces-verbaal van de behandeling van dat kort geding op 26 maart 2026 bij de rechtbank Den Haag volgt dat partijen daarin de volgende overeenstemming aangaande de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap hebben bereikt:

1. De levering van het onverdeelde aandeel van de vrouw in de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] aan de man, alsmede de levering van haar onverdeelde aandeel in de certificaten [de B.V.] aan de man, zullen zo spoedig mogelijk plaatsvinden, uiterlijk op 15 april 2026, tenzij de notaris niet eerder beschikbaar is. Partijen zullen aan deze levering alle medewerking verlenen.

2. Ten tijde van deze levering zal de man een bedrag van € 301.537,50 aan de vrouw betalen

via de derdengeldenrekening van de notaris. Daarnaast zal hij een bedrag van € 110.462,50 bij de notaris in depot storten.

3. De kosten van de notariële overdracht van het aandeel van de vrouw in de echtelijke woning zullen tussen partijen bij helfte worden gedeeld.

4. Uiterlijk twee dagen na het eindarrest in de hoger-beroepsprocedure met betrekking tot het kort-gedingvonnis van 18 december 2025 dat tussen partijen is gewezen, zullen de advocaten van partijen een gelijkluidend bericht geven aan de notaris over aan wie en tot welk bedrag het depot moet worden uitgekeerd. Daarbij is bepalend het bedrag dat het Hof in bedoeld hoger beroep heeft vastgesteld als vergoeding aan de vrouw voor haar aandeel in de certificaten. Partijen betrekken daarbij ook het oordeel van het Hof in bedoelde kortgedingprocedure over de eventuele verschuldigdheid van wettelijke rente over het aan de vrouw verschuldigde bedrag met betrekking tot de certificaten.

5. Als partijen zich niet aan bovengenoemde regeling houden, zal een dwangsom gelden van € 500,- per dag, met een maximum van € 100.000,-.

6. Partijen hebben na uitvoering van deze regeling met betrekking tot het geschil in dit kort geding over en weer niets meer van elkaar te vorderen en verlenen elkaar reeds nu voor alsdan over en weer finale kwijting.

7. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

8. Partijen verzoeken doorhaling van deze zaak per heden.

4. Het bestreden vonnis

De rechtbankheeft - voor zover gelet op de inhoud van de hiervoor onder r.o. 3.6 vermelde overeenkomst tussen partijen hier nog van belang en uitvoerbaar bij voorraad - de man in r.o. 5.5 veroordeeld om bij de levering van de voormalige echtelijke woning aan hem, dan wel aan een derde als de woning wordt verkocht, een bedrag van € 412.000,- (bruto) ineens, aan de vrouw te voldoen in het kader van de overdracht van de certificaten [de B.V.]

5. Vorderingen in hoger beroep

De man vordert dat het hof, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dat toelaat:

in het incident:

de werking van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het bestreden vonnis ten aanzien van hetgeen is weergegeven onder rechtsoverwegingen 5.1 tot en met 5.3 schorst voor de duur van de hoger beroepsprocedure in afwachting van de uitkomst daarvan;

in het principale appel:

primair vernietigt het bestreden vonnis en, opnieuw rechtdoende, zo nodig onder verbeteringen aanvulling van gronden, alsnog de vrouw niet ontvangt in haar vorderingen in conventie dan wel die vorderingen afwijst en de vordering van de man in reconventie ten aanzien van de verdeling van de certificaten en de verdeling van de woning toewijst en de vrouw veroordeelt tot nakoming van de op 5 februari 2025 gemaakte afspraak rondom de levering van de certificaten [de B.V.] en de vrouw daarbij veroordeelt tot het verlenen van haar medewerking aan de levering van de certificaten [de B.V.] aan de man bij een door de man aan te zoeken notaris tegen betaling van een bedrag van € 301,537,50 door de man aan de vrouw; alsmede aan het leveren van het aandeel van de vrouw in de gezamenlijke woning aan de [adres] in [plaats] aan de man, beide op eerste verzoek van de man dan wel op eerste verzoek van de door de man aan te zoeken notaris; en daarbij bepaalt dat, indien de vrouw niet tijdig voldoet aan het door de man gevorderde, het te wijzen arrest op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van het deel van de notariële akte van verdeling/levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de vrouw die nodig is voor de overdracht en levering van het aandeel van de vrouw in de gezamenlijke woning alsmede in de certificaten [de B.V.] aan de man; en de vrouw veroordeelt in de proceskosten in beide instanties;

subsidiair

de vrouw veroordeelt tot het verlenen van haar medewerking aan de levering van de certificaten [de B.V.] aan de man bij een door de man aan te zoeken notaris tegen betaling van een bedrag van € 356.768,75 door de man aan de vrouw; alsmede aan het leveren van het aandeel van de vrouw in de gezamenlijke woning aan de [adres] in [plaats] aan de man, beide op eerste verzoek van de man dan wel op eerste verzoek van de door de man aan te zoeken notaris; en daarbij bepaalt dat, indien de vrouw niet tijdig voldoet aan het door de man gevorderde, het te wijzen arrest op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van het deel van de notariële akte van verdeling/levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de vrouw die nodig is voor de overdracht en levering van het aandeel van de vrouw in de gezamenlijke woning alsmede in de certificaten [de B.V.] aan de man; en de vrouw veroordeelt in de proceskosten in beide instanties.

De vrouw concludeert in het incident om, bij arrest in het incident, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dat toelaat de vordering van de man in het incident af te wijzen.

De vrouw eist in incidenteel hoger beroep, voor zover nog van belang, de man te veroordelen om bij levering van de certificaten en woning aan hem een bedrag van € 412.000,- bruto ineens aan de vrouw te voldoen plus wettelijke rente met ingang van 23 juni 2025 en de man te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van € 500,- per dag, een gedeelte van de dag daaronder begrepen, wanneer de man weigert en/of zich onthoudt van zijn medewerking daaraan, met veroordeling van de man in de kosten van het geding.

6. Beoordeling in hoger beroep

De incidentele vordering van de man

Gelet op de hiervoor onder r.o. 3.6 omschreven en inmiddels uitgevoerde overeenkomst tussen partijen, heeft de man geen belang meer bij zijn incidentele vordering strekkende tot (gedeeltelijke) schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis. De man heeft dit incident dan ook ingetrokken op de zitting.

Spoedeisend belang in de hoofdzaak?

Uit de door de vrouw overgelegde notariële akte van verdeling van [datum] 2026 (productie 7) alsmede de notarieel verleden depotovereenkomst van diezelfde datum (productie 6) volgt dat de verdeling en levering van de woning en de certificaten inmiddels heeft plaatsgevonden en dat de notaris in afwachting van de uitkomst van het onderhavige kort geding in hoger beroep een bedrag van € 110.462,50 in depot houdt, conform de overeenkomst tussen partijen van [datum] 2026. Het hof verwijst naar randnummer 2 van die overeenkomst onder r.o. 3.6.

Zoals het hof partijen tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk heeft voorgehouden, hebben partijen door de levering van het aandeel van de vrouw in de woning en in de certificaten aan de man en door het deponeren bij de notaris van het bedrag waarover in het kader van de met de levering van de certificaten samenhangende AB-claim tussen partijen nog discussie bestaat, inmiddels zelf orde geschapen in hun geschil. Daarbij heeft de vrouw reeds een bedrag van € 301.537,50 ontvangen. Partijen hebben dan ook geen spoedeisend belang meer bij een ordemaatregel van het hof in kort geding.

Daarbij komt dat het geschil tussen partijen in de kern ziet op de rechtsvraag of partijen inzake de certificaten al dan niet een nadere overeenkomst hebben gesloten. Immers, de man stelt dat hij uit de onder r.o. 3.4 gemelde e-mailwisseling tussen partijen heeft mogen opmaken dat hij ter zake de toedeling van de certificaten aan hem een vaststaand bedrag van € 301.537,50 aan de vrouw moest betalen. De vrouw betwist dat sprake is van een nadere overeenkomst en is van mening dat zij in verband met de door haar als vervreemder te betalen AB-claim recht heeft op een door de man te betalen brutobedrag van € 412.000,- voor de certificaten. Naar het oordeel van het hof leent de onderhavige kortgedingprocedure zich niet voor de behandeling en beantwoording van deze rechtsvraag, alleen al nu in een dergelijke procedure in beginsel geen plaats is voor bewijslevering, dit mede gelet op het hiervoor geconstateerde gebrek aan spoedeisend belang.

Conclusie en proceskosten

Gelet op het vorenstaande komt het hof dan ook tot de conclusie dat partijen beiden niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun respectieve vorderingen in hoger beroep tegen het bestreden vonnis.

Aangezien de onderhavige zaak familierechtelijk van aard is, zal het hof de proceskosten van het geding in hoger beroep tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De proceskostencompensatie in eerste aanleg blijft in stand nu partijen beiden niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun hoger beroep tegen het bestreden vonnis.

7. Beslissing

Het hof:

Dit arrest is gewezen door mr. A.N. Labohm, mr. A.F. Mollema en mr. A.S. Mertens-de Jong en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand