GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummers : 200.211.205/01 en 200.211.205/02
Rekestnummer rechtbank : FA RK 16-5864
Zaaknummer rechtbank : C/10/505936
beschikking van de meervoudige kamer van 14 maart 2018
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. H. Durdu te Rotterdam,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M.D. van Velthoven te Bergambacht.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
locatie Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.
1. Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van 7 december 2016 van de rechtbank Rotterdam, uitgesproken onder voormeld zaak- en rekestnummer (hierna: de bestreden beschikking).
2. Het geding in hoger beroep
De vrouw is op 7 maart 2017 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking, bekend bij het hof onder zaaknummer 200.211.205/01 (hierna: de hoofdzaak).
De man heeft op 8 mei 2017 een verweerschrift in de hoofdzaak tevens houdende incidenteel appel ingediend.
De vrouw heeft op 19 juni 2017 een verweerschrift tegen het incidenteel appel tevens houdende een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking ingediend. Het verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.211.205/02 (hierna: het schorsingsverzoek).
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vrouw:
- op 3 april 2017 een V-formulier van 28 maart 2017 met bijlagen;
van de zijde van de man:
op 24 mei 2017 een V-formulier van 23 mei 2017 met bijlagen;
op 19 januari 2018 een brief van 18 januari 2018 met bijlagen.
De raad heeft bij brief van 4 januari 2018 het hof medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen, nu de raad in het kader van deze procedure geen onderzoek heeft verricht.
Bij V-formulier van 9 januari 2018 heeft de advocaat van de vrouw het schorsingsverzoek namens de vrouw ingetrokken.
Bij V-formulier van de zijde van de man van 29 januari 2018, ingekomen bij het hof op 31 januari 2018, is als bijlage een brief gevoegd die door beide advocaten is ondertekend. Uit die brief volgt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de zorgregeling en de door de man ten behoeve van de hierna te noemen minderjarige te betalen kinderalimentatie. De advocaat van de vrouw heeft daarbij namens de vrouw het principaal hoger beroep ingetrokken.
De advocaat van de vrouw heeft op 28 februari 2018 desgevraagd telefonisch aan de griffier van dit hof medegedeeld dat voornoemde intrekking ziet op het gehele principale hoger beroep.
Gelet op het voorgaande, heeft de mondelinge behandeling bij het hof op 31 januari 2018 geen doorgang gevonden.
3. De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] 2009 te [huwelijksplaats] , Turkije. De man heeft de Nederlandse en de Turkse nationaliteit. De vrouw heeft de Turkse nationaliteit.
Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige).
4. De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank – voor zover thans van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, een zorgregeling vastgelegd en een kinderalimentatie bepaald.
De man verweert zich in het principale appel en verzoekt bij wege van incidenteel appel de kinderalimentatie vast te stellen op nihil.
5. De motivering van de beslissing
Bij voormeld V-formulier van 9 januari 2018 is het schorsingsverzoek ingetrokken en bij voormeld V-formulier van 29 januari 2018 is het principaal hoger beroep ingetrokken. Het hof hoeft te dien aanzien derhalve niets meer te beschikken.
Het incidenteel hoger beroep
Uit voormeld V-formulier van 29 januari 2018, blijkt dat partijen – in afwijking van de inhoud van de bestreden beschikking – overeenstemming hebben bereikt over de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie. De overeenstemming bestaat eruit dat de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot 1 maart 2018 op nihil wordt gesteld en dat de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 maart 2018 wordt vastgesteld op € 25,- per maand.
Het hof zal, nu partijen overeenstemming hebben bereikt over de kinderalimentatie en het hof niet is gebleken dat de overeengekomen kinderalimentatie afwijkt van hetgeen de wettelijke maatstaven eisen, dienovereenkomstig beslissen.
6. De beslissing
Het hof:
in het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de kinderalimentatie en, in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige vanaf 17 maart 2017 (de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking) tot 1 maart 2018 op nihil;
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 1 maart 2018 op € 25,- per maand;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I. Obbink-Reijngoud, O.I.M. Ydema en J. Calkoen-Nauta, bijgestaan door mr. N.M. Gerts als griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 maart 2018.