ECLI:NL:GHARL:2026:6454

ECLI:NL:GHARL:2026:6454

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 07-10-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer 21-004608-25
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Vernietiging van het vonnis van de politierechter om doelmatigheidsredenen. Verdachte wordt veroordeeld vanwege het wederrechtelijk vervaardigen van beeldmateriaal van seksuele aard (art. 139h (oud) en op een later moment de beschikking hebben over datzelfde beeldmateriaal (art. 254ba Sr). Toepassing jeugdstrafrecht. Oplegging van een werkstraf van 120 uren. De vordering van de benadeelde partij is gedeeltelijk toegewezen en voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. Toewijzing proceskosten.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte, [verdachte] , heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 september 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de politierechter.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Daarin staat dat de advocaat-generaal vindt dat:

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. T. Volckmann hebben aangevoerd en van wat mr. M.J. Ellenbroek namens [benadeelde] naar voren heeft gebracht.

Het vonnis

De politierechter heeft bewezenverklaard dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – het vervaardigen van beeldmateriaal van seksuele aard en aan het op een later moment de beschikking hebben over dat beeldmateriaal. De politierechter heeft [verdachte] een werkstraf opgelegd van 120 uren subsidiair 60 dagen jeugddetentie. Daarvan zijn 60 uren subsidiair 30 dagen jeugddetentie voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de politierechter de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde] volledig toegewezen (€ 2.600,93). Dit bedrag bestaat uit € 100,93 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade en is vermeerderd met de wettelijke rente. Ook de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd. Ten slotte heeft de politierechter de eerder voorwaardelijk aan [verdachte] opgelegde week hechtenis omgezet in 30 uur werkstraf.

Omdat in hoger beroep net wat andere bewijsverweren zijn gevoerd, vernietigt het hof om doelmatigheidsredenen het vonnis van de politierechter en doet het opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 08-311183-24:

hij, in of omstreeks de periode 30 oktober 2022 tot en met 3 mei 2024 te [plaats] , opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, [benadeelde] , een afbeelding van seksuele aard, te weten een of meerdere video's, waarop te zien is dat:

- voornoemd persoon naakt op een bed ligt en/of

- voornoemd persoon een gasmaker op haar hoofd draagt en/of

- hij voornoemd persoon in de linkerborst knijpt en/of

- hij voornoemd persoon in de keel knijpt en/of

- hij voornoemd persoon met de linkerhand vaginaal penetreert en/of betast

heeft vervaardigd.

Zaak met parketnummer 08-091682-25:

hij op of omstreeks 22 februari 2025 te [plaats] de beschikking had over een visuele weergave van seksuele aard, te weten een of meerdere video's van een persoon, te weten [benadeelde] , waarop te zien was dat:

- voornoemd persoon naakt op een bed ligt en/of

- voornoemd persoon een gasmaker op haar hoofd draagt en/of

- hij voornoemd persoon in de linkerborst knijpt en/of

- hij voornoemd persoon in de keel knijpt en/of

- hij voornoemd persoon met de linkerhand vaginaal penetreert en/of betast,

terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze visuele weergave door of als gevolg van het opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen was verkregen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Voor de leesbaarheid van dit arrest zal het hof de feiten in chronologische volgorde bespreken. De zaak met parketnummer 08-311183-24 nummert het hof als feit 1 (vervaardigen van beeldmateriaal van seksuele aard) en de zaak met parketnummer 08-091682-25 als feit 2 (beschikking hebben over dat beeldmateriaal).

Vaststelling van de feiten

Het hof heeft gekeken naar wat er in het dossier staat en wat er op de zitting bij het hof is besproken en gaat ervan uit dat het volgende is gebeurd.

[verdachte] en aangeefster [benadeelde] hebben een relatie gehad. Op 14 mei 2024 heeft [benadeelde] aangifte gedaan van misbruik van seksueel beeldmateriaal. / Zij verklaarde daarover dat zij op 9 mei 2024, enkele maanden nadat de relatie was verbroken ervan op de hoogte was geraakt dat er een filmpje van seksuele aard van haar bestond. [benadeelde] zat op dat moment in de auto bij haar vriendin [naam] toen zij via Snapchat contact had met een andere vriendin, [naam] (het hof begrijpt: [naam] ). [naam] stuurde [benadeelde] een chatbericht over een filmpje dat [verdachte] van haar zou hebben. [benadeelde] en [naam] hadden vervolgens telefonisch contact. [naam] vertelde toen dat [verdachte] filmpjes aan haar had laten zien waarop [benadeelde] naakt te zien was. [naam] zou op die filmpjes hebben gezien dat [benadeelde] een masker op had. [naam] verklaart dat, toen [naam] vertelde over het filmpje, zij zag dat [benadeelde] erg in paniek was, verdrietig was en boos werd. [benadeelde] is direct na het telefoongesprek naar het politiebureau gereden. Diezelfde nacht is de telefoon van [verdachte] in beslag genomen.

[benadeelde] verklaart in haar aangifte ook dat [verdachte] tijdens hun relatie heeft gevraagd of hij hun seks mocht filmen en dat zij dat niet heeft toegestaan. [benadeelde] verklaart daarover dat zij van dichtbij heeft gezien dat dit ‘heel fout’ kan gaan en dat er misbruik van dit soort beelden kan worden gemaakt. Verder verklaart [benadeelde] dat zij af en toe, tijdens de seks, op verzoek van [verdachte] een masker heeft gedragen omdat hij dat leuk vond.

[verdachte] erkent in zijn politieverhoor en bij de politierechter dat [benadeelde] en hij wel eens seks hadden terwijl [benadeelde] een gasmasker op had. [verdachte] beschrijft het masker als een volledig dicht gasmasker, voor- en achterkant volledig afgesloten en met twee glazen kijkglazen. De glazen van het masker konden met ducktape dicht worden gemaakt, zo verklaart [verdachte] .

Na de inbeslagname van [verdachte] telefoon, zijn daarop twee filmpje gevonden die voldoen aan de beschrijving zoals die is gegeven door [naam] . De telefoon van [verdachte] is vervolgens tijdens zijn verhoor op 28 mei 2024 door de politie teruggezet naar de fabrieksinstellingen zodat de filmpjes verwijderd waren van zijn telefoon. Ook is tegen [verdachte] gezegd dat de politie ervan uit ging dat hij vanaf dat moment niet meer kon beschikken over de filmpjes en als dat nog wel het geval zou zijn dat hij deze moest verwijderen en ze niet openbaar mocht maken.

Op 5 maart 2025 heeft [benadeelde] opnieuw aangifte gedaan./ Zij verklaarde dat [verdachte] een filmpje zou hebben getoond aan een (oud)klasgenoot van haar, genaamd [naam] . [naam] heeft vervolgens verklaard dat hij in de nacht van 21 op 22 februari 2025 in [plaats] was in een gezamenlijke woonkamer onder een appartementencomplex. Hij was daar met vier andere jongens, onder wie [verdachte] , die hij op dat moment nog niet kende. [verdachte] toonde hem toen een filmpje en zei daarbij dat daarop [benadeelde] te zien was. [naam] zag op het filmpje een naakte vrouw op een bed terwijl zij een gasmasker op had. [naam] was hiervan geschrokken omdat hij [benadeelde] kende van de basis- en de middelbare school en heeft [benadeelde] vervolgens hiervan op de hoogte gebracht.

[benadeelde] zelf heeft in hoger beroep als getuige ten overstaan van de raadsheer-commissaris verklaard dat zij in paniek raakte vanwege de ontdekking dat iemand iets gedaan had waarvan zij niks wist en dat hij dat vervolgens ook gedeeld had met een ander. Verder heeft ze verklaard dat [verdachte] tijdens hun relatie meerdere keren gevraagd heeft of hij mocht filmen (het hof begrijpt: tijdens de seks), en dat zij alle keren direct heeft geantwoord dat ze dat niet wilde: “Het kan niet zo zijn dat ik niet duidelijk ben geweest. Ik heb heel duidelijk gezegd dat ik niet wilde dat hij filmde. Daar kan geen misverstand over hebben bestaan.” Verder heeft zij verklaard dat zij niet wist dat hij de filmpjes had gemaakt. Zij kon niet door het gasmasker zien omdat de glazen waren afgetapet met duct-tape.

Oordeel van het hof

Ten aanzien van feit 1 (wederrechtelijk vervaardigen van beelden van seksuele aard)

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] filmpjes van seksuele aard van [benadeelde] heeft gemaakt zonder dat hij daar toestemming voor had.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. Op basis van het dossier kan niet bewezen worden dat er opnames zijn gemaakt zonder toestemming van [benadeelde] . Dit zou volgen uit de verklaringen van getuige [naam] en [benadeelde] , zoals die zijn afgelegd bij de politie en bij de raadsheer-commissaris, maar die verklaringen bevatten tegenstrijdigheden die afbreuk doen aan de authenticiteit, terwijl de filmpjes volgens [verdachte] met toestemming van [benadeelde] zijn gemaakt.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat de aan [verdachte] verweten handeling (het zonder toestemming beelden van [benadeelde] maken met een seksuele strekking) volgt uit de hiervoor (in de voetnoten) genoemde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Daarbij is het volgende van belang.

Betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde]

en [verdachte] verklaren verschillend over het al dan niet geven van toestemming voor het maken van de seksuele filmpjes. Het hof vindt de verklaring van [benadeelde] – dat zij geen toestemming heeft gegeven en tegen haar wil is gefilmd – betrouwbaar en gaat er dus vanuit dat zij is gefilmd zonder toestemming te hebben gegeven aan [verdachte] om deze filmpjes te maken. [benadeelde] verklaringen zijn voldoende concreet, authentiek en op hoofdlijnen consistent. Daarbij weegt het hof mee dat [benadeelde] benoemt dat zij geen toestemming heeft verleend omdat ze van dichtbij (het hof begrijpt: bij haar zus) heeft gezien dat misbruik gemaakt kan worden van beeldmateriaal.

Dit gemotiveerde argument om geen toestemming te verlenen draagt bij aan de betrouwbaarheid en authenticiteit van de verklaring van [benadeelde] .

Het hof is van oordeel dat de door [benadeelde] afgelegde verklaringen bij het verhoor bij de politie en bij de raadsheer-commissaris geen onverklaarbare tegenstrijdigheden bevat op grond waarvan twijfel over de betrouwbaarheid kan ontstaan. Het verweer van de raadsman wordt op dit punt dan ook verworpen.

[verdachte] heeft verder op de zitting in hoger beroep aangegeven dat het motief van [benadeelde] voor het afleggen van een valse verklaring zou zijn gelegen in het feit dat [benadeelde] zijn leven “kapot zou willen maken”. Hoewel niet valt uit te sluiten dat [benadeelde] deze woorden op enig moment tegen [verdachte] heeft gezegd, biedt het dossier geen aanknopingspunten dat [benadeelde] dit heeft gezegd vóór de ontdekking dat [verdachte] tegen haar wil seksuele beelden van haar heeft gemaakt en het doen van haar aangifte dan wel dat dit het motief zou zijn voor het doen van (een valse) aangifte en het afleggen van haar belastende verklaring.

Het feit dat de verklaring van [benadeelde] betrouwbaar wordt geacht is op zichzelf echter niet voldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Daarvoor moet haar verklaring in ieder geval ook steun vinden in andere bewijsmiddelen.

Bewijsminimum

Het hof is van oordeel dat de verklaring van [benadeelde] voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. Op grond van vaste rechtspraak kan een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaringen van [benadeelde] voldoende wettig en overtuigend bewijs opleveren. Het is voldoende als de verklaring van [benadeelde] , als die betrouwbaar wordt bevonden, op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen die afkomstig zijn van een andere bron dan, in dit geval [benadeelde] . Het is niet vereist dat het steunbewijs betrekking heeft op alle ten laste gelegde gedragingen.

In dit geval zitten in het dossier ook de screenshots van het snapchatgesprek tussen [benadeelde] en [naam] . [naam] zegt daarin tegen [benadeelde] : “je weet over een filmpje die hij (het hof begrijpt: dat [verdachte] ) heeft” waarop [benadeelde] reageert met “welke?” en vervolgens “wat voorn filmpje?”. Nadat [naam] daar niet direct antwoord op geeft, belt [benadeelde] haar op om door te vragen over de filmpjes. Uit de reactie van [benadeelde] in samenhang bezien met haar fysieke schrikreactie zoals [naam] die heeft beschreven, leidt het hof af dat [benadeelde] niet wist van het bestaan van een filmpje van seksuele aard en dat zij zich vervolgens ernstig zorgen maakte over het bestaan daarvan.

Nu het hof de verklaring van [benadeelde] betrouwbaar acht en deze voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, komt het hof tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] opzettelijk en wederrechtelijk (zonder toestemming van [benadeelde] ) een video van seksuele aard van [benadeelde] heeft gemaakt.

Ten aanzien van feit 2 (de beschikking hebben over beelden van seksuele aard)

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] op een later moment ook nog de beschikking had over een filmpje van [benadeelde] van seksuele aard.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat [verdachte] hiervan moet worden vrijgesproken. De verdediging stelt dat [verdachte] en [naam] elkaar niet kenden en dat het dus niet logisch zou zijn dat [verdachte] de filmpjes zonder aanleiding zomaar aan hem zou tonen. Daarnaast heeft [naam] niet verklaard over details in de filmpjes die hem volgens de verdediging wel zouden moeten zijn opgevallen. Als er al een filmpje van seksuele aard zou zijn vertoond, is het zeer de vraag of dat wel een filmpje van [benadeelde] betrof. Daarnaast verklaart getuige [getuige 1] , die die avond in dezelfde ruimte was met [verdachte] en [naam] , dat hij niet heeft gezien of gemerkt dat [verdachte] überhaupt een filmpje aan een ander heeft laten zien.

Oordeel van het hof

Het hof vindt dat op grond van de aangifte van [benadeelde] , de verklaring van [naam] en [verdachte] eigen verklaring ook bewezen kan worden dat [verdachte] op 22 februari 2025 nog beeldmateriaal met een seksuele aard van [benadeelde] ter beschikking heeft gehad, terwijl [benadeelde] geen toestemming had gegeven voor het maken van dat beeldmateriaal. Het hof heeft, anders dan de raadsman stelt, geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het feit dat getuige [getuige 1] die avond niet heeft gezien dat een filmpje aan [naam] werd getoond, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Verder biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt van een vooropgezet plan waarin tussen [naam] en [benadeelde] , die elkaar kenden, is afgesproken dat [naam] een voor [verdachte] belastende getuigenverklaring zou afleggen.

Verder volgt uit die bewijsmiddelen dat de telefoon van [verdachte] door de politie in 2024 is teruggezet naar fabrieksinstellingen en dat hij daarom in 2025 geen filmpjes meer van [benadeelde] op zijn telefoon had moeten hebben. Tijdens zijn verhoor bij de politie in mei 2024 is ook tegen [verdachte] gezegd dat, als hij nog wel over filmpjes zou beschikken, hij deze direct moest verwijderen. [verdachte] heeft vervolgens in 2025 bij de politie zelf verklaard dat hij, nadat hij in 2024 zijn telefoon van de politie had teruggekregen, een back-up heeft gemaakt en in de ‘cloud’ het filmpje (het hof begrijpt: het betreffende filmpje van [benadeelde] ) weer aantrof (maar het direct heeft verwijderd). Op basis hiervan stelt het hof vast dat [verdachte] het filmpje in ieder geval, nadat het door de politie van zijn telefoon was verwijderd, toch weer tot zijn beschikking heeft gehad. Dat hij het filmpje direct weer heeft verwijderd, vindt het hof in het licht van de verklaring van [naam] over het tonen daarvan in februari 2025, niet geloofwaardig.

Op basis van de verklaring van [naam] en [verdachte] ’s eigen verklaring, staat voor het hof buiten redelijke twijfel vast dat [verdachte] op 22 februari 2025 een filmpje van seksuele aard van [benadeelde] aan [naam] heeft laten zien.

Omdat [verdachte] in 2024 als verdachte is gehoord in verband met het vervaardigen van het beeldmateriaal en de politie hem vervolgens nadrukkelijk heeft meegegeven dit beeldmateriaal te verwijderen, gaat het hof er ook van uit dat [verdachte] in 2025 wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit beeldmateriaal door middel van een strafbare handeling was verkregen. Daarnaast wist hij dit al, nu hij, gelet op de bewezenverklaring van feit 1, de filmpjes zelf heimelijk had gemaakt, terwijl [benadeelde] hier uitdrukkelijk geen toestemming voor had gegeven.

Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de beschikking had over het filmpje van [benadeelde] van seksuele aard op 22 februari 2025, terwijl hij wist dat dit niet mocht.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 08-091682-25 en in de zaak met parketnummer 08-311183-24 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

In de zaak met parketnummer 08-311183-24 (feit 1):

hij, in de periode 30 oktober 2022 tot en met 3 mei 2024 te [plaats] , opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, [benadeelde] , een afbeelding van seksuele aard, te weten meerdere video's, waarop te zien is dat:

- voornoemd persoon naakt op een bed ligt en

- voornoemd persoon een gasmaker op haar hoofd draagt en

- hij voornoemd persoon in de linkerborst knijpt en

- hij voornoemd persoon in de keel knijpt en

- hij voornoemd persoon met de linkerhand vaginaal penetreert en betast

heeft vervaardigd.

In de zaak met parketnummer 08-091682-25 (feit 2):

hij op of omstreeks 22 februari 2025 te [plaats] de beschikking had over een visuele weergave van seksuele aard, te weten meerdere video's van een persoon, te weten [benadeelde] , waarop te zien was dat:

- voornoemd persoon naakt op een bed ligt en

- voornoemd persoon een gasmaker op haar hoofd draagt en

- hij voornoemd persoon in de linkerborst knijpt en

- hij voornoemd persoon in de keel knijpt en

- hij voornoemd persoon met de linkerhand vaginaal penetreert en betast,

terwijl verdachte wist dat deze visuele weergave door t opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen was verkregen.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het in de zaak met parketnummer 08-311183-24 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon een afbeelding van

seksuele aard vervaardigen.

Het in de zaak met parketnummer 08-091682-25 bewezenverklaarde levert op:

beschikking hebben over een visuele weergave van seksuele aard van een persoon, terwijl diegene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze door of als gevolg van het opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen van een visuele weergave van

seksuele aard van een persoon is verkregen.

Strafbaarheid van verdachte

[verdachte] is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die maakt dat [verdachte] niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Jeugdstrafrecht

[verdachte] was, bij aanvang van de ten laste gelegde periode van feit 1, negentien jaar oud en dus meerderjarig. Op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog geen 23 jaar oud is, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of als de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd daartoe aanleiding geven.

De reclassering heeft in haar rapport van 8 oktober 2025 geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen. De reclassering weegt daarbij mee dat bij [verdachte] sprake is van psychiatrische problematiek en een cognitieve beperking. Verder is daarbij van belang dat [verdachte] op dit moment over onvoldoende vaardigheden beschikt om zijn leven zelfstandig te organiseren en hij nog ontvankelijk is voor pedagogische beïnvloeding. Het hof volgt dit advies en zal, zoals ook door de advocaat-generaal is gevorderd, het jeugdstrafrecht toepassen.

Ernst van de feiten

[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan het maken van een video van seksuele aard van zijn toenmalige vriendin [benadeelde] zonder dat zij daar toestemming voor had gegeven. Zij had zelfs expliciet gezegd dat zij dit niet wilde. [benadeelde] was zich er dus niet van bewust dat deze video werd gemaakt. Mede vanwege de persoonlijke aard van de beelden, is dat onacceptabel. Daarnaast heeft [verdachte] de video, nadat de video van de telefoon van [verdachte] door de politie was verwijderd, ervoor gezorgd dat hij opnieuw de beschikking kreeg over de video en heeft die vervolgens bewaard. Dit kwam aan het licht nadat een bekende van [benadeelde] het filmpje door [verdachte] getoond had gekregen en dat vertelde aan [benadeelde] . Dit zijn ernstige strafbare feiten en hebben veel impact op het leven van [benadeelde] . Dit blijkt ook uit haar schriftelijke slachtofferverklaring. [benadeelde] ervaart psychische klachten zoals verhoogde angst, paniek, nachtmerries, waakzaamheid en vermijding.

De persoonlijke omstandigheden van [verdachte]

Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] is tijdens de zitting in hoger beroep het volgende gebleken. [verdachte] is jongvolwassen en woont bij zijn ouders, die hem ondersteunen en helpen met praktische zaken zoals het omgaan met geld. Hij ontvangt een uitkering. [verdachte] heeft een eerder opgelegde werkstraf uitgevoerd bij een kringloopbedrijf, waar hij zich bezighield met het opknappen en verkopen van meubels. Dat is van beide kanten goed bevallen en [verdachte] zal daar dan ook vast in dienst mogen treden. Verder heeft [verdachte] een relatie en hij heeft inmiddels zijn rijbewijs behaald.

Het hof heeft bij de strafoplegging ook gekeken naar het strafblad van [verdachte] (uitdraai van 25 augustus 2026). Daaruit volgt dat [verdachte] weliswaar eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een andersoortig strafbaar feit (rijden zonder rijbewijs), maar niet voor soortgelijke zedenfeiten. Het hof ziet in [verdachte] strafblad dan ook geen strafverzwarende omstandigheid.

Het hof heeft verder gelet op het reclasseringsrapport van 8 oktober 2025. [verdachte] is een ontkennende verdachte waardoor de reclassering het recidiverisico niet kan inschatten. Wel beschrijft de reclassering dat het psychosociaal functioneren van [verdachte] een mogelijke risicofactor is. Hij is in 2013 gediagnosticeerd met autisme en een (laag) beneden gemiddeld cognitief vermogen. [verdachte] heeft in het verleden medicatie gehad, maar gebruikt die sinds enkele jaren niet meer. Hij is momenteel niet bekend bij hulpverlening, anders dan de gezinsgerichte ambulante begeleiding die zijn ouders ontvingen gericht op psycho-educatie en opvoeding. Daarnaast komt uit het onderzoek naar voren dat [verdachte] snel wordt overvraagd en afhankelijk is van de aansturing en begeleiding van zijn ouders waarvoor hij ontvankelijk is. In combinatie met zijn beperkte vermogen om zijn dagelijkse handelen te organiseren, heeft dit tot gevolg dat hij reguliere banen moeilijk kan vasthouden.

Alhoewel de reclassering hierin aanknopingspunten ziet om [verdachte] te ondersteunen in zijn ontwikkeling naar volwassenheid, lijkt die hulp ook voldoende binnen een vrijwillig zorgkader uitgevoerd te kunnen worden. Dit betekent dat de reclassering adviseert de zaak af te doen zonder reclasseringsbemoeienis. Het hof onderschrijft deze bevindingen en zal anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, aan [verdachte] geen bijzondere voorwaarden opleggen.

De op te leggen straf

Het hof ziet op basis van de voorliggende stukken en in wat op de zitting in hoger beroep is besproken geen aanleiding om een lagere straf op te leggen dan de politierechter heeft gedaan. Het hof legt aan [verdachte] dan ook een werkstraf op van 120 uur en als hij die niet (naar behoren) uitvoert 60 dagen jeugddetentie. Het hof bepaalt dat van die straf 60 uren subsidiair 30 dagen jeugddetentie voorwaardelijk worden opgelegd. Als [verdachte] voor het einde van zijn proeftijd geen strafbare feiten pleegt, hoeft hij deze voorwaardelijk opgelegde uren niet uit te voeren. Daarbij geldt een proeftijd van 2 jaren.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]

heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.600,93 ingediend, bestaande uit € 100,93 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag volledig toegewezen.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft toewijzing gevorderd van de vordering tot schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft om te beginnen verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering vanwege de bepleite vrijspraak. Verder staat niet vast dat de door [benadeelde] gevolgde behandeling het gevolg is van de bewezenverklaarde feiten, zodat zij ook om die reden niet-ontvankelijk in haar verzoek tot schadevergoeding zou moeten worden verklaard.

Oordeel van het hof

Materiële schade

[benadeelde] heeft € 29,09 aan materiële schade gevorderd die bestaat uit de kosten voor medicatie. Op de zitting is gebleken dat [benadeelde] rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van [verdachte] . [benadeelde] heeft slaapmedicatie voorgeschreven gekregen van de huisarts omdat zij slecht sliep. De kosten van die medicatie komen voor vergoeding in aanmerking. Het hof zal de verzochte materiële schade toewijzen.

Het hof bepaalt de ingangsdatum van de wettelijke rente ten aanzien van de materiële schade op 24 oktober 2024, de datum waarop de medicatie bij de apotheek is gekocht.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof ten aanzien van de materiële kosten de schadevergoedingsmaatregel op.

Immateriële schade

Het hof stelt vast dat onvoldoende is gebleken dat de gestelde immateriële schade door het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde handelen van [verdachte] is veroorzaakt. Bewezenverklaard is immers – kort gezegd – het vervaardigen en beschikken over het beeldmateriaal van seksuele aard. Uit het dossier en wat besproken is op de zitting is gebleken dat [benadeelde] vooral last heeft van het feit dat anderen de beelden hebben gezien en de gedachte dat andere personen die beelden zouden kunnen hebben gezien. Het tonen van beelden is echter niet ten laste gelegd en dus ook niet wat bewezen is verklaard. Het hof komt daarom tot het oordeel dat de vordering voor wat betreft het immateriële deel, bij gebrek aan rechtstreeksheid, niet ontvankelijk is vanwege het ontbreken van een causaal verband.

Proceskosten

[benadeelde] heeft in het kader van de strafprocedure kosten gemaakt voor het opvragen van medische informatie. De kostenpost van € 71,84 is voor vergoeding toewijsbaar.

Vordering tot tenuitvoerlegging

In de zaak met parketnummer 96-235027-21 is [verdachte] op 22 september 2023 door de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, veroordeeld wegens het rijden zonder rijbewijs. Aan [verdachte] is toen een voorwaardelijke hechtenis opgelegd van 1 week, met een proeftijd van 2 jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke hechtenis. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.

[verdachte] heeft voor het einde van de proeftijd een nieuw strafbaar feit gepleegd. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden bevolen. Het hof gelast – zoals ook door de advocaat-generaal is gevorderd – in plaats daarvan de tenuitvoerlegging van een werkstraf van 30 uren subsidiair 7 dagen jeugddetentie.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 139h (oud) en 254ba van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 08-091682-25 en in de zaak met parketnummer 08-311183-24 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 08-091682-25 en in de zaak met parketnummer 08-311183-24 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-091682-25 bewezenverklaarde en in de zaak met parketnummer 08-311183-24 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 29,09 (negenentwintig euro en negen cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering voor zover die ziet op gevorderde immateriële schade.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 71,84 (eenenzeventig euro en vierentachtig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-091682-25 bewezenverklaarde en in de zaak met parketnummer 08-311183-24 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 29,09 (negenentwintig euro en negen cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul)dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 24oktober 2024.

Gelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle van 22 september 2023 met parketnummer 96-235027-21, voorwaardelijk opgelegde hechtenis van 1 week, een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 7 (zeven) dagen jeugddetentie.

Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Kwakman, mr. H.J. Deuring en mr. R. Godthelp, in aanwezigheid van de griffier mr. E.M.M. Hendriks Vettehen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 7 oktober 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand