ECLI:NL:GHARL:2026:6335

ECLI:NL:GHARL:2026:6335

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 29-09-2026
Datum publicatie 02-10-2026
Zaaknummer 25/2607
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Utrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBMNE:2025:6698

Samenvatting

Wet Woz. Proceskostenvergoeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Utrecht

nummer BK-ARN 25/2607

uitspraakdatum: 29 september 2026

Uitspraak van de zesde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 oktober 2025, nummer UTR 24/6408, ECLI:NL:RBMNE:2025:6698, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de Heffingsambtenaar)

1. Ontstaan en loop van het geding

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 22 te [woonplaats1] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2022, voor het jaar 2023 vastgesteld op € 658.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de Heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende onder meer aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen en watersysteemheffing (de aanslagen) opgelegd.

De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard, de waarde verlaagd naar € 610.000 en de aanslagen dienovereenkomstig verlaagd. De Heffingsambtenaar heeft voorts in een aanvulling op de uitspraak op bezwaar belanghebbendes verzoek om kostenvergoeding afgewezen.

Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft bij nader stuk met dagtekening 13 april 2026 gereageerd op het verweerschrift.

Het Hof heeft partijen gevraagd of zij ter zitting willen worden gehoord. Partijen hebben binnen de gestelde termijn van twee weken daarop niet gereageerd. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2. Vaststaande feiten

Belanghebbende was op 1 januari 2023 eigenaar van de woning.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de waarde van de woning voor het jaar 2023. Belanghebbende heeft om een kostenvergoeding verzocht.

De gemachtigde van belanghebbende, [naam1] (hierna: de gemachtigde), heeft een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven eenmanszaak met de handelsnamen ‘ [handelsnaam1] ’ en ‘ [handelsnaam2] ’. De bedrijfsactiviteiten van de eenmanszaak staan bij de Kamer van Koophandel omschreven als “Adviseren van ondernemers in product- ontwikkeling, financiering en contracten; Beeldend kunstenaar.”.

3. Geschil

In geschil is of belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, voor zover deze ziet op het niet toekennen van een kostenvergoeding. Voorts verzoekt belanghebbende om een vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep en tot vergoeding van de griffierechten.

De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

Belanghebbende stelt dat de Heffingsambtenaar ten onrechte geen kostenvergoeding heeft toegekend voor de bezwaarfase. Volgens belanghebbende heeft haar gemachtigde als derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend en komen de kosten daarvoor voor vergoeding in aanmerking. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst belanghebbende naar een uitspraak van het Hof van 20 oktober 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9072, waarin haar gemachtigde als gemachtigde optrad en waar door het Hof proceskosten zijn toegekend.

De Heffingsambtenaar stelt dat de gemachtigde van belanghebbende geen beroepsmatig rechtsbijstandverlener is. De Heffingsambtenaar stelt dat niet is voldaan aan de vereisten voor het toekennen van een proceskostenvergoeding, omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gemachtigde meer dan incidenteel rechtsbijstand verleent en dat zijn werkzaamheden daarmee geen onderdeel vormen van een duurzame, op het vergaren van een inkomen gerichte taakuitoefening. Volgens de Heffingsambtenaar heeft de toekenning van proceskosten aan de belanghebbende in de uitspraak van het Hof van 20 oktober 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9072, geen gevolgen voor de onderhavige zaak, omdat de uitspraak een overeenkomst bij wijze van compromis tussen partijen behelst.

Tussen partijen is – naar het Hof begrijpt – uitsluitend in geschil of de werkzaamheden van de gemachtigde een vast onderdeel vormen van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening.

Ingevolge artikel 8:75 Awb in samenhang met artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) kan aan een belanghebbende een vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaar- en (hoger)beroepsfase worden toegekend, indien op belanghebbende een verplichting rust of zal komen te rusten om kosten ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand te voldoen. Daaraan staat niet in de weg dat de verleende rechtsbijstand op basis van ‘no cure, no pay’ wordt verleend (vgl. HR 7 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6841).

Volgens vaste rechtspraak is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand sprake als het verlenen van rechtsbijstand door de rechtsbijstandverlener een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening (HR 16 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2770, r.o. 3.9.1). De gemachtigde heeft onder meer verklaard dat hij sinds 1989 juridische bijstand verleent en in zijn praktijk ook particulieren bijstaat. Het Hof acht het met de verklaringen van de gemachtigde, zijn registratie in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en het consequente gebruik van eigen briefpapier met vermelding van bedrijfsgegevens, aannemelijk dat de in deze procedure verleende rechtsbijstand onderdeel is van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening van de gemachtigde. Ingevolge de Nota van Toelichting bij het Besluit (Stb. 1993, 763, p. 6 onderaan) is voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand bovendien niet vereist dat de rechtsbijstandsverlener uitsluitend of in hoofdzaak zijn beroep maakt van het verlenen van rechtsbijstand. Dit maakt dat belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5. Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

Het Hof ziet aanleiding de Heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 666 voor de kosten in de bezwaarfase (1 punt voor het bezwaarschrift)  wegingsfactor 1  € 666), € 934 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift, bijwonen zitting)  wegingsfactor 0,5  € 934) en € 467 voor de kosten in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift)  wegingsfactor 0,5  € 934), ofwel in totaal op € 2.067.

6. Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het de beslissing omtrent de proceskostenvergoeding betreft,

– veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende in bezwaar, beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 2.067,

– gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 51 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 143 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.D.M.A. Reijs, mr. T.A. de Hek, voorzitter, en mr. M.B. Weijers, in tegenwoordigheid van mr. T. van Hout als griffier.

De beslissing is op 29 september 2026 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

T. van Hout L.D.M.A. Reijs

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand