GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/1636 t/m 24/1640
uitspraakdatum: 29 september 2026
Uitspraak van de negende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 juli 2024, nummers ARN 21/133, 21/134, 21/135, 22/1569 en 22/5912, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur).
1. Ontstaan en loop van het geding; feiten
Aan belanghebbende zijn over de jaren 2014 tot en met 2018 aanslagen vennootschapsbelasting opgelegd. Bij beschikkingen is daarbij belastingrente berekend en zijn voor 2014, 2015 en 2016 verzuimboeten opgelegd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze beschikkingen. De Inspecteur heeft de bezwaren ongegrond verklaard.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen tegen de aanslag, belastingrentebeschikking en verzuimboete van 2014 gegrond verklaard. De aanslag over 2014 is verminderd tot nihil, de beschikking belastingrente is dienovereenkomstig verminderd en de verzuimboete 2014 is wegens overschrijding van de redelijke termijn verminderd. Verder heeft de Rechtbank de beroepen tegen de verzuimboetes van 2015 en 2016 gegrond verklaard en die verzuimboetes vernietigd. De Rechtbank heeft de beroepen voor het overige ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op 21 augustus 2024 hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De (middellijk) bestuurder van belanghebbende, de heer [naam1] , is [in] 2025 overleden.
Belanghebbende is failliet verklaard op 25 november 2025. De curator heeft het Hof in een brief van 23 januari 2026 te kennen gegeven dat er geen belang is bij het voortzetten van de procedure. Hij verzoekt het Hof de procedure door te halen.
Op 30 juni 2026 heeft de Inspecteur het Hof verzocht om ontslag van instantie in de zin van artikel 27, tweede lid, van de Faillissementswet.
Op 30 juli 2026 heeft de griffier van het Hof partijen bericht dat het Hof het onderzoek heeft gesloten, de zaak zal afdoen zonder mondelinge behandeling en bepaald dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan.
2. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen
In geschil is of de bestreden aanslagen, de beschikkingen belastingrente en de verzuimboete 2014 na vermindering door de Rechtbank tot de juiste bedragen zijn vastgesteld.
Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3. Beoordeling van het geschil
Vaststaat dat belanghebbende op 21 augustus 2024 hoger beroep heeft ingesteld tegen de bestreden uitspraak van de Rechtbank en dat zij failliet verklaard is op 25 november 2025.
Het faillissement van belanghebbende is uitgesproken na het instellen van het hoger beroep. Artikel 8:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gelezen in verbinding met artikel 27, eerste lid, van de Faillissementswet bepaalt – kort gezegd – dat voor de situatie dat een rechtsgeding reeds aanhangig is, op verzoek van de Inspecteur de curator tot overneming van het geding kan worden opgeroepen.
Artikel 8:22, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de artikelen 25, tweede lid, en 27 van de Faillissementswet geen toepassing vinden, indien partijen vóór de faillietverklaring zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen. In dit geval zijn partijen op 14 januari 2026 uitgenodigd voor een zitting – dus ná faillietverklaring –, zodat vaststaat dat dat hier niet aan de orde is.
De Inspecteur heeft de curator niet verzocht tot overneming van het geding en de curator heeft medegedeeld de zaak niet te willen voortzetten. De Inspecteur heeft het Hof vervolgens op de voet van artikel 27, tweede lid, van de Faillissementswet gevraagd om ontslag van instantie.
Het Hof verleent de Inspecteur het gevraagde ontslag van instantie, aangezien de boedel redelijkerwijs geen belang heeft bij de uitkomst van de procedure.
Op grond van het vorenoverwogene moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep niet-ontvankelijk.
5. Proceskosten en griffierecht
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht.
6. Beslissing
Het Hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
De beslissing is op 29 september 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De raadsheer,
(J.H. Riethorst) (J. van de Merwe)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.