GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 25/1488
uitspraakdatum: 8 september 2026
Uitspraak van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de gemeente Leeuwarden (hierna: de heffingsambtenaar)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 mei 2025, nummer LEE 23/4912, in het geding tussen belanghebbende en
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende).
1. Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 28 februari 2023 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 73,70 inzake het parkeren van een auto op een parkeerplaats waarvoor betaald parkeren geldt, [adres1] te Leeuwarden, op 6 februari 2023 om 14:08 uur.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar bij de uitspraak op bezwaar van 3 oktober 2023 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Ambtshalve is het bezwaar beoordeeld en afgewezen.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 27 mei 2025 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag parkeerbelasting vernietigd, bepaald dat de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden en de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten.
De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft geen verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026 te Leeuwarden. Daarbij is verschenen en gehoord [naam1] namens de heffingsambtenaar. Namens belanghebbende is - zonder bericht van verhindering – niemand op de zitting verschenen. De griffier van het Hof heeft belanghebbende op 19 juni 2026 op de voorgeschreven wijze – per aangetekende brief gericht aan het in de Basisregistratie Personen vermelde adres van belanghebbende – uitgenodigd. Blijkens de tot het procesdossier behorende track&trace-gegevens van PostNL is deze brief op 25 juni 2026 om 17:45 uur afgehaald.
2. De vaststaande feiten
Belanghebbende heeft op 6 februari 2023 de auto waarvan het [kenteken] op zijn naam staat (hierna: de auto) geparkeerd aan de [adres1] te Leeuwarden. Een controleur, [naam2] (hierna: de parkeercontroleur), heeft namens de heffingsambtenaar geconstateerd dat de auto aldaar om 14:08 uur geparkeerd stond, zonder dat de ter zake daarvan verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. De heffingsambtenaar heeft dienaangaande een brondocument overgelegd, dat is opgemaakt op 6 februari 2023 door de parkeercontroleur.
De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 28 februari 2023 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 73,70 inzake het parkeren van de auto op een parkeerplaats waarvoor betaald parkeren geldt.
3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen
In geschil is of de bestreden naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
De heffingsambtenaar beantwoordt deze vraag bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Belanghebbende beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vraag ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Tussen partijen is niet langer in geschil dat belanghebbende ontvankelijk was in zijn bezwaar tegen de bestreden naheffingsaanslag.
Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.
4. Beoordeling van het geschil
Het Hof stelt het volgende voorop. Anders dan de heffingsambtenaar betoogt, kon het geschil (in bezwaar en ook in eerste aanleg), naar het oordeel van het Hof, naast de grief met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring, niet worden opgevat als uitsluitend te zijn gericht tegen een motiveringsgebrek in de uitspraak op bezwaar. In zijn beroepschrift in eerste aanleg schrijft de gemachtigde van belanghebbende onder het kopje “onvoldoende gemotiveerd besluit” onder meer (waarbij met “verweerder” de heffingsambtenaar wordt bedoeld en met “BOA” de parkeercontroleur):
“In de bezwaarfase heeft de bevoegdheid van de BOA ter discussie gestaan. Verweerder omschrijft in de beslissing op bezwaar terecht dat de BOA voor zijn aanstelling als BOA voor de gemeente Amsterdam functioneerde. Echter heeft het vermeend belastbaar feit plaatsgevonden vlak na het vertrek bij de gemeente Amsterdam en omstreeks de aanvang van de werkzaamheden bij de gemeente Leeuwarden. Verweerder stelt ten onrechte dat de bevoegdheid er niet toe doet. Dat is naar inziens van ondergetekende een onjuiste rechtsopvatting. Een aanwijzingsbesluit fiscaal controleur eindigt veelal tezamen met de arbeidsovereenkomst van de handhaver. Verweerder had deze twijfel weg kunnen nemen door een benoemingsbesluit in te brengen in de procedure.”. De Rechtbank heeft dan ook terecht de bevoegdheid van de parkeercontroleur onderzocht.
Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen, is in hoger beroep in geschil of de parkeercontroleur bevoegd was zijn werkzaamheden uit te oefenen.
Vaststaat dat de parkeercontroleur namens de heffingsambtenaar de bestreden naheffingsaanslag heeft vastgesteld.
Artikel 10:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat een door de gemandateerde binnen de grenzen van zijn bevoegdheid genomen besluit geldt als een besluit van de mandaatgever. Artikel 10:4, eerste lid, van de Awb bepaalt dat, indien de gemandateerde niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de mandaatgever, de mandaatverlening de instemming behoeft van de gemandateerde en in het voorkomende geval van degene onder wiens verantwoordelijkheid hij werkt.
In hoger beroep heeft de heffingsambtenaar twee arbeidsovereenkomsten tussen de gemeente Leeuwarden en de parkeercontroleur overgelegd. Uit die arbeidsovereenkomsten blijkt dat de parkeercontroleur sinds 16 januari 2023 in de functie van Medewerker Handhaving III werkzaam is voor de gemeente Leeuwarden. Blijkens artikel 4.4. van het, in eerste aanleg door de heffingsambtenaar overgelegde Aanwijzings-, mandaat- en machtigingsbesluit heffingen, invordering en uitvoering Wet WOZ Leeuwarden 1 januari 2023 was hij ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag, hiertoe bevoegd.
De overige door belanghebbende in eerste aanleg geuite beroepsgronden treffen geen doel. Naar het oordeel van het Hof is de ambtshalve beoordeling van het bezwaar voldoende gemotiveerd. De ontvankelijkheid van belanghebbende in zijn bezwaar is in hoger beroep niet in geschil, zodat de uitspraak van de Rechtbank voor zover die ziet op de vernietiging van de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in stand blijft. Het Hof handhaaft de naheffingsaanslag parkeerbelasting, evenals de door de Rechtbank vastgestelde vergoeding van proceskosten, nu de heffingsambtenaar in hoger beroep daartegen geen afzonderlijke grieven heeft opgeworpen. Tevens heeft de Rechtbank terecht bepaald dat de heffingsambtenaar het in eerste aanleg verschuldigde griffierecht moet vergoeden.
Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.
5. Proceskosten
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten wat betreft de fase van het hoger beroep.
6. Beslissing
Het Hof
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover het de vernietiging van de naheffingsaanslag parkeerbelasting betreft, en
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.
De beslissing is op 8 september 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.