GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.371.439/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 255435
beschikking van 29 september 2026
over de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1]
in de zaak van
[verzoeker] (de vader),
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.S. Scheffers te Hoogezand,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen (de GI),
die is gevestigd in Groningen,
en
[belanghebbende] (de moeder),die woont in [woonplaats] ,advocaat: mr. O.J.C. Toxopeus te [woonplaats] .
In zijn toetsende en/of adviserende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen.
1. Samenvatting
De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] verlengd tot 11 juni 2027. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige1] , geboren [in] 2020 in Brazilië. De moeder woonde op dat moment in Brazilië, de vader in Nederland. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] . [de minderjarige1] woont bij de moeder.
De moeder heeft uit een eerdere relatie nog een minderjarig kind, [de minderjarige2] , geboren [in] 2018 in Brazilië. [de minderjarige2] woont bij de moeder en [de minderjarige1] . De biologische vader van [de minderjarige2] woont in Brazilië.
De vader heeft nog twee meerderjarige zoons, die op zichzelf wonen.
In juli 2020 is de moeder met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] naar Nederland gekomen en ingetrokken bij de vader.
Van [datum] 2020 tot [datum] 2023 hadden de ouders een geregistreerd partnerschap.
Bij beschikking van 12 juli 2022 heeft de rechtbank (naar aanleiding van een verzoek van de vader tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap), voor zover hier van belang, [de minderjarige1] voor de duur van de procedure aan de moeder toevertrouwd. Verder heeft de rechtbank een voorlopige zorgregeling vastgesteld, inhoudende dat [de minderjarige1] een weekend per veertien dagen en elke woensdag bij de vader verblijft. De rechtbank heeft de raad verzocht een onderzoek te verrichten naar de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en een definitieve zorgregeling.
De raad heeft ambtshalve besloten het onderzoek uit te breiden naar een kinderbeschermingsonderzoek. Bij rapport van 1 augustus 2023 heeft de raad geadviseerd de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] bij de moeder te bepalen en een zorgregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige1] een weekend per veertien dagen, elke woensdag en de helft van de vakanties bij de vader verblijft en waarbij de vader wekelijks drie haal- of brengmomenten naar het kinderdagverblijf of school verzorgt en hij [de minderjarige1] ophaalt of terugbrengt bij de moeder.
Daarnaast heeft de raad geadviseerd [de minderjarige1] voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen van de GI.
Bij beschikking van 28 november 2023 heeft de kinderrechter het verzoek van de raad om [de minderjarige1] onder toezicht te stellen afgewezen. De vader heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing. Het hof heeft bij beschikking van 11 juni 2024 [de minderjarige1] onder toezicht gesteld voor de periode van een jaar. Deze termijn is daarna verlengd tot 11 juni 2026.
Bij beschikking van 13 december 2023 heeft de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] bij de moeder bepaald.
Op dit moment verblijft [de minderjarige1] een weekend per veertien dagen bij de vader en brengt en haalt de vader haar elke woensdag en vrijdag naar en van school.
3. De procedure bij de kinderrechter
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] te verlengen met een jaar.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] verlengd tot 11 juni 2027.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 10 juni 2026.
4. De procedure bij het hof
De vader is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt.
De GI wil dat de beslissing in stand blijft.
De moeder wil ook dat het hof de beslissing van de kinderrechter in stand laat.
De informatie die het hof heeft ontvangen
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
het beroepschrift, ontvangen op 7 juli 2026;
een brief van de raad van 24 juli 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
het verweerschrift van de GI.
De zitting bij het hof was op 1 september 2026. Aanwezig waren:
de vader met zijn advocaat;
twee vertegenwoordigers van de GI;
de moeder met haar advocaat en een tolk in de Portugese taal.
Namens de GI is mede aan de hand van spreekaantekeningen het woord gevoerd.
5. Het oordeel van het hof
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De moeder heeft de Braziliaanse nationaliteit. De vader en [de minderjarige1] hebben de Nederlandse nationaliteit. Deze zaak heeft daarom een internationaal karakter, zodat eerst de vraag moet worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.
Op grond van artikel 7 lid 1 Brussel II-ter (Verordening (EU) 2019/1111) is de Nederlandse rechter bevoegd ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid, waaronder kwesties van gezag, als het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft op het tijdstip waarop de zaak bij de rechter aanhangig wordt gemaakt. Omdat [de minderjarige1] op dat moment haar gewone verblijfplaats in Nederland had, waar zij overigens nog altijd woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
Omdat geen grieven zijn gericht tegen de toepassing van Nederlands recht door de kinderrechter, zal ook het hof uitgaan van de toepasselijkheid van het Nederlandse recht.
Verlenging ondertoezichtstelling [de minderjarige1]
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening. Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen. Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling verlengen. Dat mag steeds voor maximaal een jaar.
Het hof is, net als de kinderrechter, van oordeel dat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] moet worden verlengd. Het hof vindt dat de kinderrechter de beslissing goed heeft uitgelegd en het hof neemt die uitleg daarom over. Het hof vult de uitleg op bepaalde punten nog aan.
De vader heeft al langere tijd ernstige en concrete zorgen dat de moeder [de minderjarige1] fysiek en psychisch mishandelt. Tijdens de zitting bij het hof is namens de vader verklaard dat hij door hem gemaakte foto’s en opnames van het letsel van [de minderjarige1] naar de GI heeft gestuurd, maar dat de reactie van de GI was dat de vader [de minderjarige1] niet moet betrekken in de strijd. De GI heeft tijdens de zitting erkend dat zij en de betrokken hulpverleners de door de vader toegezonden stukken (nog) niet hebben bekeken, omdat zij eerst het gesprek willen aangaan met de vader en de moeder.
Daarnaast is naar voren gekomen dat de vader sinds de vorige zitting de GI twee keer heeft gemaild, maar dat de GI nog niet heeft gereageerd op deze e-mailberichten.
Gelet op deze omstandigheden begrijpt het hof dat de vader zich niet serieus genomen voelt door de GI waar het zijn zorgen om de veiligheid van [de minderjarige1] bij de moeder betreft. Het hof acht het in dit geval niet aangewezen dat de GI op voorhand al voorbij gaat aan de door de vader verstrekte informatie om de reden dat deze niet objectief zou zijn. Het hof vindt het van belang dat de GI het door de vader aangeleverde materiaal bekijkt en hierover met de vader in gesprek gaat.
De vader heeft in hoger beroep onder andere gesteld dat er geen noodzaak meer is voor een ondertoezichtstelling, omdat de GI zijn zorgen over mishandeling niet onderzoekt. Het hof is, zoals uit het voorgaande blijkt, van oordeel dat er tijdens de ondertoezichtstelling inderdaad nog onvoldoende aandacht is geweest voor de zorgen van de vader. Maar dit betekent naar het oordeel van het hof niet dat er geen noodzaak meer is voor een ondertoezichtstelling.
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking overwogen dat naar aanleiding van de concrete zorgen van de vader een onderzoek moet plaatsvinden naar wat de precieze situatie is. Tijdens de zitting bij het hof heeft de GI verklaard dat dit onderzoek al is uitgevoerd door Kort en Krachtig. Volgens de GI zijn tijdens dit onderzoek de zorgen over fysieke mishandeling niet bevestigd en zijn er geen zorgen geconstateerd over de opvoedsituatie van [de minderjarige1] bij de moeder.
Het hof stelt echter vast dat dit onderzoek van Kort en Krachtig in de periode van december 2025 tot eind januari 2026 is uitgevoerd. Dit is vóór de bestreden beschikking van de kinderrechter. Hieruit volgt dat dit onderzoek dus niet het onderzoek is dat de kinderrechter bedoeld heeft in de bestreden beschikking. Bovendien is het hof van oordeel dat het onderzoek van Kort en Krachtig onvoldoende was om duidelijkheid te krijgen of er sprake is (of is geweest) van mishandeling van [de minderjarige1] door de moeder. De moeder is geobserveerd in haar thuissituatie. Maar er is niet onderzocht of de moeder in het verleden [de minderjarige1] heeft mishandeld.
Daarbij merkt het hof over de huidige hulpverlening van Soliris Zorg bij de moeder op dat tijdens de zitting is gebleken dat er twee keer per week gedurende 1 à 2 uur een gezinsondersteuner bij de moeder thuis aanwezig is. Soms is [de minderjarige1] daarbij aanwezig en soms is zij op school. Het hof acht dit onvoldoende om goed zicht te kunnen krijgen op de vraag of de moeder [de minderjarige1] fysiek en/of psychisch mishandelt dan wel mishandeld heeft in het verleden.
Het hof is dan ook, net als de kinderrechter, van oordeel dat een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om grondiger onderzoek te doen naar de zorgen van de vader over kindermishandeling. Ook als geconcludeerd wordt dat er op dit moment geen signalen zijn dat de moeder [de minderjarige1] zou mishandelen, acht het hof het - ook gelet op het feit dat dit voor de vader al een aantal jaren een heel belangrijke zorg is - van belang om in kaart te brengen of [de minderjarige1] in het verleden al dan niet is mishandeld. Het onderzoek moet dus niet alleen zien op het heden, maar ook op het verleden.
In het kader van dit onderzoek naar de gestelde mishandeling is niet alleen nodig om de situatie van [de minderjarige1] bij de moeder thuis te onderzoeken, maar ook hoe [de minderjarige1] bij de vader thuis functioneert. Het hof heeft in zijn beschikking van 11 juni 2025, waarbij [de minderjarige1] onder toezicht is gesteld, al overwogen dat [de minderjarige1] tussen haar strijdende ouders in zit en dat dit grote impact op haar heeft. Daarom moet er rekening mee worden gehouden dat [de minderjarige1] andere dingen zegt als ze bij de moeder is dan als ze bij de vader is. Bovendien heeft de vader verklaard dat als [de minderjarige1] bij hem is, ze duidelijk laat blijken dat ze niet terug wil naar de moeder. In het onderzoek bij de vader thuis kan hier ook aandacht voor zijn.
Tijdens de zitting heeft de GI aangegeven dat wat haar betreft de eerstvolgende stappen worden om met de vader in gesprek te gaan, om het hulpverleningstraject van Kort en Krachtig ook bij de vader thuis in te zetten en om [de minderjarige1] bij de vader thuis te observeren en met haar in gesprek te gaan. Het hof is het ermee eens dat dit de eerstvolgende benodigde stappen zijn.
Het is daarom ook belangrijk dat de vader meewerkt aan het onderzoek. Als de vader meewerkt, kan er eerder duidelijkheid worden verkregen over zijn zorgen. De vader heeft de afgelopen tijd onvoldoende meegewerkt aan verschillende hulpverleningstrajecten die de GI wilde inzetten om meer duidelijkheid te krijgen over de zorgen over [de minderjarige1] . De houding van de vader, waarbij hij ervan uit lijkt te gaan dat de GI kindermishandeling moedwillig mogelijk maakt, weigert mee te werken aan hulpverleningstrajecten, klachten indient en dreigt met aangiftes, heeft er mede voor gezorgd dat de benodigde hulpverlening niet van de grond is gekomen. Juist hierdoor is de ondertoezichtstelling niet doelmatig geweest. Bovendien vormt de weigerachtige houding van de vader, naast de zorgen over mishandeling, ook een op zichzelf staande ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [de minderjarige1] , omdat zij en haar ouders nu niet de hulp hebben gekregen die zij wel nodig hebben en [de minderjarige1] te maken heeft met een vader die in beslag lijkt te worden genomen door het strijden voor zijn gelijk.
De vader wil graag dat zijn signalen van mishandeling serieus worden genomen. Daarvoor is het nodig dat de vader op een constructieve manier samenwerkt met de GI, de moeder en de andere betrokkenen. Het hof volgt de vader in zijn betoog dat de focus van de GI te veel is verschoven naar de strijd tussen de ouders, terwijl er ook oog moet zijn voor de mogelijke kindermishandeling. Maar het hof constateert tevens dat door de houding van de vader de focus ook is komen te liggen op de strijd tussen de vader en de GI. Het hof hoopt dat de vader - in het belang van [de minderjarige1] - het gesprek met de GI aangaat over hoe bereikt kan worden dat er geen grote zorgen meer zijn over het welzijn van [de minderjarige1] . Zonder een ondertoezichtstelling gaan de ontwikkelingsbedreigingen voor [de minderjarige1] namelijk naar het oordeel van het hof niet opgelost worden, omdat de verwachting van het hof is dat de ouders hier, anders dan de vader stelt, samen niet uit zullen komen vanwege hun slechte onderlinge verstandhouding en de complexiteit en gevoeligheid van het onderwerp kindermishandeling.
De beslissing van de kinderrechter zal dus in stand blijven (worden bekrachtigd).
6. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 10 juni 2026 over de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] ;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C. Coster, F. van der Meulen en F. Menso, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.