GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.370.082/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 255834)
beschikking van 29 september 2026
over de uithuisplaatsing van [de minderjarige]
in de zaak van
[verzoekster] (de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. H.D. Postma te Leeuwarden,
en
de gecertificeerde instelling, (de GI)
Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,
die is gevestigd in Leeuwarden,
verweerder in hoger beroep.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[belanghebbende] (de vader),
zonder bekende woon- en/of verblijfplaats.
1. Samenvatting
De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 23 april tot 21 mei 2026 en vervolgens van 21 mei tot 10 oktober 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , die is geboren [in] 2024. De ouders oefenen samen het gezag over hem uit.
De moeder heeft uit een eerdere relatie een zoon genaamd [de meerderjarige] , geboren [in] 2008. [de meerderjarige] woont in een pleeggezin.
3. De procedure bij de kinderrechter
[de minderjarige] is op 22 juli 2025 voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van de kinderrechter van 10 oktober 2025 is de ondertoezichtstelling verleend tot 10 oktober 2026.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 april 2026 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 23 april tot 21 mei 2026. De schriftelijke uitwerking van de beschikking heeft op 24 april 2026 plaatsgevonden.
Bij beschikking van 15 mei 2026 is aansluitend op de termijn van de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg tot 10 oktober 2026.
4. De procedure bij het hof
De moeder is het niet eens met de beslissingen van de kinderrechter om [de minderjarige] uit huis te plaatsen. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissingen van de kinderrechter ongedaan maakt.
De GI wil dat de beslissingen in stand blijven.
De informatie die het hof heeft ontvangen 4.3. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
het beroepschrift, ingekomen op 9 juni 2026;
het verweerschrift van de GI;
de brief van de raad van 23 juni 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
een brief namens de moeder met bijlage(n), ingekomen op 7 juli 2026;
een brief namens de moeder met bijlage(n), ingekomen op 20 augustus 2026;
een brief namens de GI met bijlage(n), ingekomen op 21 augustus 2026.
De zitting bij het hof was op 3 september 2026. Aanwezig waren:
de moeder met haar advocaat en haar ambulant begeleider;
twee vertegenwoordigers van de GI.
5. Het oordeel van het hof
Rechtsmacht en toepasselijk recht 5.1. De vader heeft de Spaanse nationaliteit. Daarom dient het hof eerst ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Het geschil heeft betrekking op de ouderlijke verantwoordelijkheid. Op grond van artikel 7 lid 1 van de Verordening Brussel II-ter (EU 2019/1111) is de Nederlandse rechter bevoegd van dit geschil kennis te nemen omdat [de minderjarige] op het moment van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank zijn gewone verblijfplaats in Nederland had.
De kinderrechter heeft Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven
opgeworpen, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.
De (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing Wat staat in de wet?
Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op basis van artikel 800, derde lid, Rv kan de beschikking tot machtiging van de gecertificeerde instelling om een minderjarige uit huis te plaatsen alleen dan aanstonds worden gegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Deze beschikking verliest haar kracht na verloop van twee weken, tenzij de belanghebbenden binnen deze termijn in de gelegenheid zijn gesteld hun mening kenbaar te maken. Vast staat dat in deze zaak voldaan is aan de procedurele eis dat de belanghebbenden binnen twee weken na verlening van de spoedmachtiging in de gelegenheid zijn gesteld hun mening kenbaar te maken.
Hoe oordeelt het hof?
Het hof beantwoordt de vraag of op het moment van het verlenen van de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing sprake was van onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] bevestigend. Uit de stukken en wat tijdens de zitting is besproken, blijkt dat er zorgen zijn over de moeder. Deze zorgen hebben vooral betrekking op haar psychiatrische problematiek en de gevolgen daarvan, namelijk de mogelijkheden om voor [de minderjarige] te kunnen zorgen. Sinds eind december 2025 verbleef de moeder met [de minderjarige] in een ouder-kind locatie van [naam2] . Uit de stukken, waaronder het eindverslag van [naam2] van 24 april 2026, komt naar voren dat er veel spanningen en conflicten zijn ontstaan tussen de moeder, de medebewoners en de begeleiding. Volgens [naam2] had de moeder last van paranoïde gedachten, angsten en vluchtgedrag en verstoorde haar gedrag de rust en veiligheid binnen de woonsituatie ernstig. Na een incident op 22 april 2026 heeft [naam2] besloten het verblijf van de moeder per direct te beëindigen. Het hof kan op basis van de stukken niet vaststellen wat er tijdens dit incident precies is gebeurd. Wel blijkt uit het verslag van [naam2] dat de situatie op dat moment volgens [naam2] niet langer houdbaar was. Uit het verslag blijkt verder dat de moeder op dat moment niet in staat was om zelf voor [de minderjarige] te zorgen. Een verblijf van [de minderjarige] bij de vader was evenmin mogelijk. Het hof is daarom met de GI van oordeel dat de situatie zodanig acuut was, dat onmiddellijk moest worden ingegrepen. De spoedmachtiging tot uithuisplaatsing was noodzakelijk om de fysieke en emotionele veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen. Daarmee is aan de gronden voor het verlenen van de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voldaan. Het hof zal de bestreden beschikking van 23 april 2026 daarom bekrachtigen.
Het hof is van oordeel dat de gronden voor een uithuisplaatsing van [de minderjarige] ook in de periode na 23 april 2026 - en dus ook ten tijde van de beschikking van 15 mei 2026 tot machtiging tot uithuisplaatsing - aanwezig zijn gebleven en nu nog steeds aanwezig zijn. Het hof overweegt daartoe als volgt. De moeder heeft de afgelopen periode belangrijke stappen gezet. Zij gebruikt inmiddels medicatie, volgt therapie en werkt vrijwillig mee met de hulpverlening vanuit [naam3] . De samenwerking met de GGZ verloopt goed. Dit zijn positieve ontwikkelingen. Toch is op dit moment nog steeds onvoldoende duidelijk of de moeder [de minderjarige] een voldoende veilige en stabiele opvoedsituatie kan bieden. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de moeder naar verwachting dit najaar kan starten met een ouderschapsbeoordeling tijdens een opname bij GGZ Drenthe ( [naam1] ). Tijdens dit traject kan worden onderzocht wat de moeder [de minderjarige] in de opvoeding kan bieden en welke hulp daarbij nodig is. Tot die tijd wordt gewerkt aan de hechtingsrelatie tussen de moeder en [de minderjarige] en vindt er twee keer per week omgang plaats. Het hof vindt het noodzakelijk de resultaten van de ouderschapsbeoordeling af te wachten voordat een terugplaatsing aan de orde kan zijn. Het hof is het niet eens met de opvatting van de moeder ter zitting dat ambulante begeleiding in de thuissituatie ook een toereikend alternatief is.Verder heeft [de minderjarige] in korte tijd veel wisselingen in zijn verblijfplaats meegemaakt. Sinds april 2026 woont hij weer in het pleeggezin waar hij eerder heeft gewoond en waar hij in ieder geval tot dit najaar kan verblijven. [de minderjarige] heeft nu belang bij rust en voorspelbaarheid. Een tijdelijke terugplaatsing bij de moeder, vooruitlopend op de geplande opname, acht het hof daarom niet in zijn belang. Het hof is dan ook van oordeel dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] op dit moment noodzakelijk is. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking van 15 mei 2026 bekrachtigen.
6. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 23 april 2026 over de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] ;
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 15 mei 2026 over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] ;
wijs het meer of ander verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Jong-de Goede, mr. M.A.F. Veenstra en mr. M. Kemmers, bijgestaan door mr. I.I. Buitenhuis als griffier, en is op 29 september 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.