ECLI:NL:GHARL:2026:6228

ECLI:NL:GHARL:2026:6228

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 29-09-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer 200.351.466/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Artikel 1:251a BW. Verzoek vrouw eenhoofdig gezag toegewezen. Ouders hebben jarenlang strijd gevoerd. Inzet hulpverlening heeft niet tot verbetering geleid. Door gedrag en handelwijze van de man kan van de vrouw inmiddels niet meer worden verwacht dat zij samen met de man het gezamenlijk gezag over de kinderen uitoefent.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.351.466/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 190198)

beschikking van 29 september 2026

in de zaak van

[verzoeker] (de man),

die woont in [woonplaats1] (Israël),

verzoeker in hoger beroep,

advocaat: mr. H. Loonstein te Amsterdam,

en

[verweerster] (de vrouw),

die woont in [woonplaats2] ,

verweerster in hoger beroep,

advocaat: mr. I.M.G. Maste te Almere.

In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:

de raad voor de kinderbescherming (de raad),

regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.

1. Het verloop van het geding in hoger beroep

Voor het verloop van het geding tot 3 juli 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum. Bij die beschikking heeft het hof, voor zover hier van belang:

- de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 22 januari 2025 (hierna: de bestreden beschikking), bekrachtigd voor zover daarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken;

- de werking van de bestreden beschikking geschorst voor zover daarin is beslist dat de vrouw voortaan alleen is belast met de uitoefening van het gezag over:

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2013 te [woonplaats1] (Israël), en

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2015 te [woonplaats1] (Israël), en

- [de minderjarige3] , geboren [in] 2021 te [plaats] (Israël);

- de raad verzocht om een nader onderzoek in te (doen) stellen naar de vraag of bij handhaving van het gezamenlijk gezag in het onderhavige geval al dan niet een onaanvaardbaar risico zou ontstaan dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de

ouders, terwijl niet valt te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering

zou komen, of dat wijziging van het gezag al dan niet anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk zou zijn, en om daarover aan het hof te rapporteren en te adviseren;

- iedere verdere beslissing aangehouden.

Het verdere verloop blijkt uit:

- een brief van de raad van 6 maart 2026, met als bijlage het rapport van de raad van 5 maart 2026;

- een journaalbericht namens de man van 29 april 2026 met bijlage(n);

- een journaalbericht namens de vrouw van 4 augustus 2026 met bijlage(n).

Op 1 september 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet. Aanwezig waren:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Hebreeuwse taal;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- een vertegenwoordiger van de raad.

Mr. Loonstein en mr. Maste hebben beiden mede aan de hand van pleitaantekeningen het woord gevoerd.

2. Aanvullende feiten na de beschikking van het hof van 3 juli 2025

De echtscheidingsbeschikking van 22 januari 2025 is, nadat het hof de beschikking op 3 juli 2025 heeft bekrachtigd voor zover het de beslissing over de echtscheiding betreft, op 24 november 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waarmee het huwelijk van partijen is ontbonden.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis in een kort geding van 23 februari 2026 de vrouw toestemming verleend, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, om [de minderjarige1] als leerling in te schrijven bij scholengemeenschap [naam1] te [woonplaats2] . De reconventionele vordering van de man ten aanzien van de zorgregeling is afgewezen vanwege onvoldoende samenhang met de vordering in conventie van de vrouw over de schoolkeuze van [de minderjarige1] .

Bij beschikking van 31 maart 2026 heeft de kinderrechter het verzoek van de raad om [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar, afgewezen. Er is geen hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking.

3. De motivering van de beslissing

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de beschikking van 3 juli 2025, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

Naar aanleiding van voornoemde beschikking heeft de raad een onderzoek ingesteld en daarover in zijn rapport van 5 maart 2026 zijn bevindingen weergegeven. De raad adviseert het hof om het verzoek van de vrouw om het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] te beëindigen en haar alleen met het gezag over de kinderen te belasten, toe te wijzen.

Ingevolge artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van een van hen bepalen dat het gezag over een kind aan een van hen toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Het hof is van oordeel dat beide gronden van artikel 1:251a BW aan de orde zijn en dat daarom het verzoek van de vrouw moet worden toegewezen. Het hof zal deze beslissing hierna toelichten.

[de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] groeien sinds medio 2022 op bij hun moeder (de vrouw) in Nederland. De man woont met de oudste zoon van partijen, [de meerderjarige] , in Israël.

De man en de vrouw voeren inmiddels al ruim vier jaar, sinds dat zij feitelijk uit elkaar zijn, een onderlinge strijd, ook over de kinderen. Zij hebben vele juridische procedures gevoerd, zowel in Nederland als in Israël. De communicatie tussen de ouders is in deze jaren niet verbeterd. De kinderen zitten hierdoor klem tussen hun ouders. Het hof acht het bijzonder spijtig dat deze strijd ertoe heeft geleid dat de kinderen en de man elkaar de afgelopen jaren nauwelijks hebben gezien of gesproken en overigens ook dat er geen contact tussen de vrouw en [de meerderjarige] is.

Het hof constateert echter ook dat deze situatie door toedoen van de man is ontstaan. Er is namelijk de afgelopen jaren veel verschillende hulpverlening ingezet om de situatie te verbeteren en om contact tussen de man en de kinderen mogelijk te maken. Deze hulpverlening heeft helaas niet tot een positief resultaat geleid, omdat de man niet op een constructieve manier meewerkte. Uit het raadsrapport blijkt dat er tijdens alle hulpverleningstrajecten een patroon zichtbaar is geworden, waarbij de man niet of beperkt reageerde op berichten van de hulpverlener. Als de man wel reageerde, stelde hij zich zeer bepalend op en wilde hij alleen meewerken onder zijn eigen voorwaarden. Wanneer niet werd voldaan aan zijn voorwaarden, trok hij zich weer terug uit het contact.

Zo is er crossborder mediation ingezet, maar zonder resultaat. Vervolgens is het gebiedsteam ingeschakeld, maar die hulpverlening is eveneens vastgelopen. Het gebiedsteam kwam moeilijk in contact met de man. Ook deed de man niets met tips die het gebiedsteam, op verzoek van de man zelf, aan hem gaf. Jeugdhulp Friesland heeft daarna een ondersteuningsplan opgesteld. Volgens dat plan zou met de inzet van Bureau Trinitas en Praktijk Psyzo gewerkt worden aan contactherstel tussen de man en de kinderen. Onder leiding van Bureau Trinitas hebben in 2024 enkele begeleide belmomenten tussen de man en de kinderen plaatsgevonden. Maar doordat de man geen toestemming gaf voor de door Bureau Trinitas noodzakelijk geachte hulpverlening en/of voor het door Bureau Trinitas opgestelde plan voor contactherstel, zijn de begeleide belmomenten stil komen te liggen.

Weliswaar heeft er door de inzet van Praktijk Psyzo in februari 2026, dus na het raadsonderzoek, voor het eerst sinds lange tijd een begeleid contactmoment tussen de man en de kinderen plaatsgevonden, maar nadien niet nog een keer. Praktijk Psyzo heeft wel getracht om contactmomenten te bewerkstelligen, maar de man heeft niet altijd gereageerd op de voorstellen van Praktijk Psyzo. Ook heeft hij niet tijdig, dat wil zeggen op het moment dat dit voor hem bekend was, aan de vrouw en/of Praktijk Psyzo laten weten dat hij vanwege zittingen in Nederland zou zijn. Als hij dit tijdig had laten weten en ook de door Praktijk Psyzo gestelde voorwaarden zou accepteren, had een contactmoment met de kinderen georganiseerd kunnen worden.

Het hof volgt de man dan ook niet in zijn standpunt dat hij geen contact meer zal hebben met de kinderen wanneer de vrouw alleen het gezag heeft. De vrouw heeft de afgelopen jaren opengestaan voor contactmomenten tussen de man en de kinderen en is nog altijd bereid om hieraan mee te werken. Het is echter de man die zelf het contactherstel belemmert. Ondanks dat de man zegt alles te willen doen om contact te hebben met de kinderen heeft het hof niet gezien dat hij de afgelopen jaren, op een constructieve wijze, toenadering heeft gezocht om daadwerkelijk positief contact van de grond te krijgen. Het hof is dan ook niet gebleken op welke wijze de man zich zou willen inzetten om contact met de kinderen te hebben en te onderhouden.

Bovendien is voor het hof duidelijk geworden dat de man niet transparant en eerlijk is geweest naar onder meer de raad. Zo blijkt uit het raadsrapport dat de man onjuiste informatie heeft verstrekt aan de raad over de crossborder mediation. Hij heeft een conceptverslag van het mediationbureau aan de raad gestuurd, dat alleen door hem ondertekend was (en niet door de vrouw). De raad heeft deze informatie geverifieerd en het mediationbureau heeft aan de raad bericht dat dit document niet bij hen bekend is. Volgens het mediationbureau was het juist de man die de definitieve versie van het verslag niet wilde ondertekenen.

Ook heeft de man aan de raad verklaard dat hij de rechtbank in Israël heeft verzocht om hem alleen met het gezag over de kinderen te belasten, omdat de vrouw al eerder in Nederland had verzocht om haar alleen met het gezag te belasten. Vast staat echter dat deze volgorde niet klopt. Uit de stukken is immers gebleken dat de man op 18 mei 2023 al een procedure over onder meer het gezag aanhangig heeft gemaakt bij de rechtbank in Israël. Dit terwijl de vrouw pas daarna, op 5 juli 2023, bij de rechtbank in Nederland een verzoekschrift tot echtscheiding met daarin onder meer het verzoek tot wijziging van het gezag heeft ingediend. De man verdraait de feiten naar zijn eigen waarheid en zoals de vrouw ook heeft gesteld zegt de man het een, maar doet hij het ander en houdt hij zich niet aan gemaakte afspraken.

Verder had het hof in zijn beschikking van 3 juli 2025 al onderkend dat de man veel gezagsbeslissingen heeft tegengehouden. Ook nadien heeft de man dit gedaan door geen toestemming te geven voor inschrijving van [de minderjarige1] op een middelbare school. De vrouw heeft hierdoor een kort geding-procedure tot vervangende toestemming bij de rechtbank moeten voeren (zie hiervoor onder 2.2.). Het hof volgt de man niet in zijn standpunt dat de vrouw deze school enkel en alleen heeft gekozen om hem dwars te zitten. Uit de stukken blijkt immers dat de scholen die de man had voorgesteld niet geschikt waren voor [de minderjarige1] . Bovendien was het de eigen keuze van [de minderjarige1] om naar deze school te gaan.

Gezien het voorgaande kan, naar het oordeel van het hof, nu niet meer van de vrouw gevraagd worden dat zij met de man het gezamenlijk gezag uitoefent. De raad heeft in zijn rapport en tijdens de zitting verklaard dat beide ouders aan zichzelf moeten gaan werken. Het hof is van oordeel dat het vooral de man is die zijn gedrag moet veranderen. Hij vertoont gedrag waarbij hij op een zeer dwingende manier de controle wil houden en, ondanks toezeggingen, niet wil meewerken aan voorwaarden die door de hulpverleners worden gesteld. De vrouw heeft de afgelopen jaren opengestaan voor alle hulpverlening voor haarzelf en voor de kinderen. Ook is zij, zoals hiervoor al overwogen, bereid mee te werken aan contactherstel tussen de man en de kinderen.

Naar het oordeel van het hof is niet te verwachten dat binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen in voornoemde omstandigheden. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om, zoals door de man subsidiair verzocht, de beslissing voor een jaar aan te houden in afwachting van de uitkomsten van een nieuw nog in te zetten hulpverleningstraject. Uit het hiervoor overwogene blijkt dat de afgelopen jaren de man, ondanks eerdere toezeggingen, niet bereid is geweest samen te werken met de hulpverleners. Het hof heeft er daarom geen vertrouwen in dat een nieuw hulpverleningstraject nu wel een kans van slagen zou hebben.

Op grond van het voorgaande acht het hof het dan ook in het belang van de kinderen dat de vrouw alleen het gezag over de kinderen heeft. Gelet op dit oordeel komt het hof niet meer toe aan het door de vrouw bij de rechtbank subsidiaire gedane verzoek om te bepalen dat het hoofdverblijf van de kinderen bij haar is.

4. De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover daarbij is bepaald dat de vrouw voortaan alleen met de uitoefening van het gezag over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zal zijn belast.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de uit die relatie geboren kinderen betreft.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 22 januari 2025, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen (de beslissing over het gezag);

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.F. Veenstra, C. Coster en F. Menso, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 29 september 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. H.B. Fortuyn

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand