ECLI:NL:GHARL:2026:6174

ECLI:NL:GHARL:2026:6174

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 25-09-2026
Zaaknummer 26/112
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Verwijzing na Hoge Raad
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2022:304

Samenvatting

Uitspraak na verwijzing. OB. Vergrijpboete. Is het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende te wijten dat te weinig omzetbelasting is betaald?

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 26/112

uitspraakdatum: 22 september 2026

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

Fiscale eenheid [belanghebbende1] B.V., [belanghebbende2] B.V., C.S. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 januari 2022, nummer BRE 20/7547, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd. Bij beschikkingen is belastingrente berekend en is een vergrijpboete opgelegd.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd. Daarnaast heeft hij de vergrijpboete verminderd.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Verder heeft de Rechtbank de vergrijpboete verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het gerechtshof). Het gerechtshof heeft de uitspraak van de Rechtbank bij uitspraak van 27 september 2023, nr. 22/00417, ECLI:NL:GHSHE:2023:3097, vernietigd en de boetebeschikking vernietigd.

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 19 december 2025, nr. 23/04352, ECLI:NL:HR:2025:1961 (hierna: het verwijzingsarrest), is het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het gerechtshof vernietigd en is het geding verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van het arrest.

Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft schriftelijk op het verwijzingsarrest gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] namens belanghebbende, alsmede [naam2] en [naam3] namens de Inspecteur. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2. Vaststaande feiten

De Hoge Raad is in het verwijzingsarrest uitgegaan van de volgende feiten:

“2.1 Belanghebbende is een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968. Zij is vanaf 2 juni 1999 geregistreerd als ondernemer voor de omzetbelasting. Van belanghebbende maakten tot 20 oktober 2017 drie besloten vennootschappen deel uit. De vennootschappen verhandelden chemische grondstoffen en chemicaliën voor industriële toepassing. Direct dan wel indirect was feitelijk dezelfde natuurlijke persoon de bestuurder van die vennootschappen (hierna: de bestuurder).

De bestuurder onderhield de contacten met de leveranciers en de afnemers van de vennootschappen. Hij stelde de facturen op die aan afnemers van de vennootschappen werden uitgereikt.

De aangiften voor de omzetbelasting werden opgesteld door een ter zake kundige adviseur (hierna: de intermediair), op basis van door belanghebbende aangereikte stukken. De bestuurder zorgde voor de betaling van de omzetbelasting die volgens de ingediende aangiften moest worden voldaan.

Zowel in het jaar 2013 als in de jaren daarvoor heeft belanghebbende vrijwel altijd over het gehanteerde tijdvak van een maand bedragen aan omzetbelasting op aangifte voldaan. In de aangiften over de tijdvakken van het jaar 2014 heeft belanghebbende, afgezien van het tijdvak december 2014, geen omzetbelasting als verschuldigd opgegeven. De aangiften over de maanden januari tot en met juli, september en oktober van het jaar 2014 betroffen aangiften waarop geen verschuldigde, noch aftrekbare omzetbelasting werd opgegeven (zogenoemde nihilaangiften). De aangiften over de maanden augustus, november en december 2014 resulteerden vanwege opgegeven voorbelasting in een verzoek om teruggaaf.

Naar aanleiding van uit Duitsland ontvangen informatie is de Inspecteur gebleken dat twee Duitse ondernemers in de periode 1 januari 2014 tot en met 31 maart 2016 intracommunautaire leveringen van goederen op het btw-identificatienummer van belanghebbende hadden gemeld, terwijl belanghebbende in de betrokken aangiftetijdvakken geen verschuldigde omzetbelasting had aangegeven ter zake van intracommunautaire verwervingen. Dat vormde, in combinatie met onder meer de hiervoor in 2.3 bedoelde nihilaangiften, voor de Inspecteur aanleiding in 2018 een boekenonderzoek in te stellen naar de aanvaardbaarheid van de aangiften voor de omzetbelasting over de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016.

Uit dat onderzoek is gebleken dat de bestuurder namens een van de vennootschappen zes facturen heeft opgemaakt en uitgereikt met factuurdatum 8 januari 2014, 1 februari 2014, 11 februari 2014, 24 maart 2014 en 7 april 2014. Die facturen waren gericht aan een in Nederland gevestigde besloten vennootschap (hierna: de BV). Volgens die facturen zijn bedragen tot in totaal € 22.498 aan omzetbelasting aan de BV in rekening gebracht. Deze in rekening gebrachte bedragen zijn in de aangiften over de maanden januari tot en met april 2014 niet als verschuldigde omzetbelasting opgegeven, noch nadien gecorrigeerd door bij wijze van suppletie uit eigen beweging mededeling te doen van onjuistheden of onvolledigheden zoals voorzien in artikel 10a, lid 1, AWR, in samenhang gelezen met artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968.

Op grond van de uitkomsten van het boekenonderzoek heeft de Inspecteur belanghebbende over de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting ten bedrage van € 26.488 opgelegd, waarin onder meer het hiervoor in 2.4 vermelde totaalbedrag was begrepen. Tegelijkertijd heeft hij belanghebbende op grond van artikel 67f, lid 1, AWR een boete opgelegd met als motivering dat het aan (voorwaardelijk) opzet van de bestuurder, toerekenbaar aan belanghebbende, is te wijten dat de aangiften voor de omzetbelasting over tijdvakken in de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 tot een te laag bedrag zijn gedaan en dat over elk van die tijdvakken te weinig omzetbelasting is betaald.

Naar aanleiding van een nadien gevoerd overleg over een door belanghebbende nieuw opgemaakte opstelling van de over het kalenderjaar 2014 verschuldigde omzetbelasting heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot € 15.387 en de boete verminderd tot € 7.693.”

De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest geoordeeld:

“3.1 Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur terecht aan belanghebbende op grond van artikel 67f, lid 1, AWR, in samenhang gelezen met de paragrafen 25 en 28 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, een boete heeft opgelegd van 50 procent van het van belanghebbende na vermindering nageheven bedrag (zie hiervoor in 2.6) wegens het telkens opzettelijk niet op aangifte betalen van omzetbelasting.

De Inspecteur heeft volgens het Hof als bewijs van opzet het volgende aangevoerd:

a) het is een feit van algemene bekendheid dat, in het geval een ondernemer omzetbelasting in rekening brengt, deze op een (tijdvak)aangifte moet worden betaald;

b) uit de omstandigheid dat belanghebbende in het jaar 2013, en ook in de jaren daaraan voorafgaand, de in rekening gebrachte omzetbelasting steeds op aangifte heeft voldaan (betaald), mag worden afgeleid dat belanghebbende wetenschap heeft van de omstandigheid dat gefactureerde omzetbelasting moet worden betaald op de aangifte over het tijdvak waarin die omzetbelasting in rekening is gebracht;

c) aangezien de bestuurder in de periode 1 januari 2014 tot en met 30 april 2014 op verkoopfacturen omzetbelasting aan afnemers in rekening heeft gebracht terwijl over tijdvakken in deze periode nihilaangiften zijn gedaan, wist belanghebbende in de persoon van de bestuurder, dan wel kan het niet anders zijn dan dat de bestuurder heeft geweten dat de aangiften over de maanden januari tot en met april 2014 onjuist dan wel onvolledig waren;

d) in de hiervoor bedoelde wetenschap heeft belanghebbende het wilsbesluit genomen om de onderwerpelijke aangiften voor de omzetbelasting te doen, zoals ze zijn gedaan;

e) door zich bij de betaling van de verschuldigde omzetbelasting te baseren op de onjuiste dan wel onvolledige aangiften wist belanghebbende, dan wel kan het niet anders zijn dan dat belanghebbende heeft geweten dat het gevolg hiervan zou zijn dat de door haar in rekening gebrachte en verschuldigde omzetbelasting niet dan wel gedeeltelijk niet zou worden betaald. Het gevolg van haar handelen is daarmee door belanghebbende bewust aanvaard;

f) uit het verslag van het hoorgesprek dat tijdens de bezwaarfase heeft plaatsgevonden, volgt dat belanghebbende opzettelijk de omzetbelasting van de zes verkoopfacturen niet heeft aangegeven en voldaan omdat de bestuurder en de intermediair verklaren dat hier niets mee werd gedaan omdat zij van mening waren dat dit voor de liquiditeit van belastingplichtige beter was.

De bestuurder heeft voor het Hof aangevoerd dat hij fiscale kennis mist en dat hij voor het doen van de aangiften voor de omzetbelasting volledig afging op de expertise van de intermediair. Blijkens het hoorverslag heeft de intermediair verklaard dat hij de aangiften voor

de omzetbelasting opmaakte aan de hand van de door de bestuurder aangeleverde stukken, aldus het Hof. De bestuurder heeft ter zitting van het Hof verklaard dat hij de betaling van de omzetbelasting - namens belanghebbende - heeft gedaan op grond van instructies van de intermediair en/of de Belastingdienst.

Het Hof heeft onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, en 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97, vooropgesteld dat (i) de bestanddelen van het beboetbare feit die de inspecteur ten grondslag legt aan door hem opgelegde boeten door hem overtuigend moeten worden aangetoond, (ii) de waarborgen van artikel 6, lid 2, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) onder meer meebrengen dat de belanghebbende het voordeel van de twijfel moet worden gegund, en (iii) voor het antwoord op de vraag of opzet dan wel voorwaardelijk opzet aanwezig is, mede van belang is dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur met de hiervoor in 3.2.1 onder a) tot en met e) aangevoerde omstandigheden, in het licht van hetgeen de bestuurder en de intermediair over de rol van de bestuurder hebben verklaard (zoals hiervoor in 3.2.2 weergegeven), niet overtuigend heeft aangetoond dat het gedrag van de bestuurder kan worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het niet betalen van de verschuldigde omzetbelasting dat het niet anders kan zijn dan dat de bestuurder dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Door hetgeen de bestuurder en de intermediair hebben verklaard, is niet uit te sluiten dat de bestuurder volledig afging op de intermediair en geen bewuste rol had in het onderhavige aangifte- en betalingsproces, aldus het Hof.

Over de hiervoor in 3.2.1 onder f) weergegeven verklaring heeft het Hof - in cassatie niet bestreden - geoordeeld dat deze niet kan bijdragen aan het van de Inspecteur te verlangen bewijs.

Het Hof heeft geconcludeerd dat de Inspecteur niet overtuigend heeft aangetoond dat belanghebbende opzettelijk dan wel voorwaardelijk opzettelijk de verschuldigde omzetbelasting niet heeft betaald.

(…)

Indien de belastingplichtige zich voor het doen van aangifte laat bijstaan door een adviseur die hij voor voldoende deskundig mocht houden en aan wiens zorgvuldige taakvervulling hij niet behoefde te twijfelen, mag die belastingplichtige vertrouwen op de juistheid van de door die adviseur opgestelde aangifte indien die belastingplichtige alle informatie waarvan hij in redelijkheid mocht aannemen dat die voor het opstellen van die aangifte was benodigd, aan die adviseur heeft verstrekt. Dan kan namelijk niet worden gezegd dat de belastingplichtige bij de samenwerking met de adviseur niet de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kon worden gevergd. [ voetnoot: Vgl. HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26, rechtsoverweging 3.8.1.]

Wat in dit opzicht redelijkerwijs van de belastingplichtige kan worden gevergd, zal van geval tot geval kunnen verschillen, bijvoorbeeld naar gelang diens hoedanigheid en zijn kennis en ervaring omtrent de ter zake relevante fiscale en andere aspecten. Daarbij zijn ook van belang de tussen de belastingplichtige en de adviseur gemaakte afspraken en de daaruit voortvloeiende verwachtingen over en weer, bijvoorbeeld over het moment en de wijze waarop aan die adviseur de door hem verzochte informatie en overige informatie waarvan de belastingplichtige weet of in redelijkheid moet aannemen dat die voor het opstellen van de aangifte is benodigd, zal worden verstrekt.

De belastingplichtige die - in weerwil van afspraken of daaruit voortvloeiende verwachtingen over en weer - nalaat de adviseur de hier bedoelde informatie op een zodanig tijdstip te verstrekken dat deze tijdig de aangifte kan opstellen, mag niet erop vertrouwen dat de door de adviseur opgestelde aangifte juist en volledig is. Het is aan de belastingplichtige die zich erop beroept dat hij mag afgaan op de juistheid van de door zijn adviseur gedane aangifte, om de feiten te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken die meebrengen dat hij de hiervoor bedoelde vereiste zorg heeft betracht.

De belastingplichtige die niet de hiervoor in 4.2.2 en 4.2.3 bedoelde benodigde informatie voor het opstellen van de aangifte voor de omzetbelasting aan de adviseur heeft verstrekt, heeft niet de van hem vereiste zorg betracht en mag dus niet erop vertrouwen dat die door de adviseur opgestelde aangifte juist is. Hij stelt zich - indien die aangifte onjuist blijkt te zijn - bloot aan het risico dat hem ter zake van het niet dan wel gedeeltelijk niet betalen van de verschuldigde omzetbelasting grove schuld of (voorwaardelijk) opzet wordt verweten. In dat geval zal de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit, zoals in dit geval (voorwaardelijk) opzet, alleen kunnen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden overtuigend zijn aangetoond. [ voetnoot: Vgl. HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26, rechtsoverweging 3.8.2.]

De Inspecteur heeft in deze zaak de gedragingen van de bestuurder terecht toegerekend aan belanghebbende, die immers de belastingplichtige is als bedoeld in artikel 67f, lid 1, AWR en daarmee de normadressaat. [voetnoot: Vgl. HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:508, rechtsoverweging 2.3.]

De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de Inspecteur, (onder meer) onder verwijzing naar een door de intermediair afgelegde verklaring dat de kopieën van de desbetreffende verkoopfacturen mogelijk niet aan hem werden overgelegd, gemotiveerd heeft gesteld dat belanghebbende de voor het doen van de aangifte voor de omzetbelasting benodigde kopieën van de zes facturen telkens niet tijdig aan de intermediair heeft verstrekt. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.2.4 en 4.2.5 is overwogen, heeft het Hof ten onrechte niet op deze - essentiële - stelling van de Inspecteur gerespondeerd, waardoor het Hof ontoereikend heeft gemotiveerd zijn kennelijke oordeel dat belanghebbende heeft mogen vertrouwen op de juistheid van de door de intermediair opgestelde aangiften, en zijn daarop voortbouwende oordeel dat belanghebbende niet het verwijt kan worden gemaakt telkens met (voorwaardelijk) opzet te weinig omzetbelasting op aangifte te hebben betaald. In zoverre slaagt het middel.

De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Het middel voor het overige behoeft geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor de beantwoording van de vraag of belanghebbende de voor het doen van de aangifte voor de omzetbelasting benodigde kopieën van de zes facturen telkens tijdig aan de intermediair heeft verstrekt. Indien dat niet is gebeurd, zal het verwijzingshof opnieuw moeten beoordelen of het - telkens - aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig omzetbelasting is betaald.”

In aanvulling op de door de Hoge Raad genoemde feiten, stelt het Hof de volgende feiten vast.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 31 januari 2014 gewezen op de verplichting om maandelijks aangifte omzetbelasting te doen. In de brief met het onderwerp ‘Belangrijke gegevens voor uw aangifte omzetbelasting in 2014’, zijn de maandelijkse aangiftetijdvakken vermeld, alsmede de voor elk van die aangiftetijdvakken in acht te nemen uiterste inlever- en betaaldata.

In het kader van de bezwaarbehandeling heeft op 23 april 2019 een hoorgesprek plaatsgevonden, waarbij namens belanghebbende de bestuurder en de intermediair aanwezig waren. In het verslag hiervan is onder meer het volgende opgenomen:

“Desgevraagd geeft [de bestuurder] aan dat hij de verkoopfacturen opmaakt en dat hij degene is die de omzetbelasting op de factuur vermeldt. De aangiften omzetbelasting worden verzorgd door [de intermediair].

[De intermediair] verklaart dat hij de aangiften omzetbelasting opmaakt aan de hand van de door belastingplichtige aangeleverde stukken. De kopie-verkoopfacturen van 2014 werden daarbij mogelijk niet overgelegd.

Volgens [de controleambtenaar] werd door de adviseur omzet geboekt bij de verwerking van het bankboek / bankafschriften over 2014. [De bestuurder] kon niet aangegeven wanneer het bankboek is bijgewerkt.

Via een memoriaalpost werd in 2014 een ontvangst van € 123.588,48 (inclusief € 21.449,24 omzetbelasting) tegen geboekt. [De intermediair] kan niet aangeven waarom deze memoriaalpost is gemaakt. Ook zegt hij zich niet te kunnen herinneren of hij dit destijds heeft besproken met [de bestuurder].”

In het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 11 januari 2022 is onder meer het volgende opgenomen:

“Belanghebbende verklaart, mede in antwoord op vragen van de rechter:

(…)

- U vraagt mij of ik de facturen heb gemaakt. Dat klopt, ik maakte de facturen.

- U vraagt mij naar de samenwerking tussen de intermediair en mijzelf. Tot 2014 hebben wij facturen kunnen maken. Wij hadden alleen buitenlandse klanten dus de facturen waren altijd zonder omzetbelasting. Sommige grondstoffen kwamen uit Nederland, maar de meeste grondstoffen kwamen uit het buitenland. Voor het mengen van de grondstoffen en de opslag waren de facturen met omzetbelasting. Het eindproduct werd getransporteerd. Ook daarvoor waren facturen met omzetbelasting. Wij hebben altijd teruggaven omzetbelasting gekregen. Ik denk dat de intermediair slordig is geweest en steeds een nihilaangifte heeft ingediend. Ik stuurde de facturen per email aan de intermediair.

(…)

In antwoord hierop en in aanvulling op de van hem afkomstige stukken verklaart de

inspecteur:

- Tijdens het hoorgesprek heeft de intermediair verklaard dat hij de facturen niet heeft gezien. Ik stel dat belanghebbende de facturen niet of niet tijdig aan de intermediair ter beschikking heeft gesteld.

- Ik hoor belanghebbende veel zeggen, maar ik zie daarvan geen bewijs.

Laatste woord

Partijen worden in de gelegenheid gesteld voor het laatst het woord te voeren. Zij maken van

die gelegenheid geen gebruik.”

In het proces-verbaal van de zitting van het gerechtshof van 14 juli 2023 is onder meer het volgende opgenomen:

“Voorzitter: Belanghebbende heeft een boekhouder (…) ingeschakeld. Deze stelt dat de facturen misschien niet zijn aangereikt. Belanghebbende stelt dat de facturen per mail zijn aangereikt aan [de intermediair]. Maar dat zien wij niet in de stukken.

Belanghebbende: Als je de facturen ziet, dan weet je ook dat de facturen verstuurd zijn. De inspecteur kan de facturen namelijk pas zien, als ze verstuurd zijn. Ik merk op dat [de intermediair] een aantal malen van bedrijf is gewisseld, bij de overstap heeft hij het misschien zwaar gehad en heeft hij iets over het hoofd gezien. Hij heeft mijn facturen echter allemaal gehad. [De intermediair] had ook de bankstukken, daarin kon hij zien dat ik geld ontvangen had, dan moet hij toch ook hebben geweten dat er facturen waren.

Voorzitter: Heeft u het versturen van de mails met de facturen aan [de intermediair] nagekeken? Moest [de intermediair] telkens van u een mail krijgen met de facturen?

Belanghebbende: Ik moest een maandaangifte doen, soms werd er ook een nihilaangifte gedaan en later kwam er dan een correctie door [de intermediair]. Ik stuurde de facturen door aan [de intermediair]. Ik weet niet of het precies in die maand is gebeurd, het factureren kan ook in de maand erna zijn gebeurd. Het zou een paar weken na die ene maand kunnen zijn geweest, maar aan het einde van het jaar had hij het kunnen corrigeren. Maar dat heeft hij niet gedaan.”

Belanghebbende heeft op 29 april 2026 nadere stukken ingediend, waaronder een e-mail van de intermediair aan belanghebbende van 22 april 2026. In dit e-mailbericht staat het volgende:

“Wij hebbende de boekingen mbt de omzet die [belanghebbende] heeft gemaakt in 2014 gecontroleerd. De omzet is rechtstreeks in de administratie geboekt vanaf de bankontvangst. Op 23-09-2014 is de omzet van januari tot en met april 2014 in de administratie verantwoord. Vanwege een foute inschatting qua btw plicht van deze omzet is deze niet aangegeven op de btw aangiftes.”

3. Geschil

In geschil is of het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig omzetbelasting is betaald, en daarmee of de boetebeschikking terecht is opgelegd.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de boetebeschikking. De Inspecteur heeft zich bij het gerechtshof op het standpunt gesteld dat de boete, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, verminderd dient te worden tot € 5.501,20.

4. Beoordeling van het geschil

De Inspecteur heeft op grond van artikel 67f, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) aan belanghebbende een vergrijpboete van 50% opgelegd en belanghebbende daarbij (voorwaardelijk) opzet verweten.

Heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat zij de zes facturen telkens tijdig aan de adviseur heeft verstrekt?

Bij de beoordeling van de vraag of het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat de omzetbelasting die op aangifte had moeten worden voldaan niet of tot een te laag bedrag is betaald, zal het Hof - gelet op het verwijzingsarrest - eerst ingaan op de vraag of belanghebbende de voor het doen van de aangifte voor de omzetbelasting benodigde kopieën van de zes facturen telkens tijdig aan de intermediair heeft verstrekt, waardoor belanghebbende zich mogelijk kan disculperen. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende dat niet aannemelijk heeft gemaakt. Daartoe overweegt het Hof als volgt.

De bestuurder heeft op de zitting van het Hof zijn eerdere verklaring tijdens de zitting van de Rechtbank herhaald dat hij de facturen per e-mail als ‘bcc’ (blind copy conform) naar de intermediair stuurde. In het dossier bevinden zich evenwel geen kopie(ën) van e-mails van belanghebbende aan de intermediair met daarin (een van) de zes facturen. De bestuurder heeft evenmin andere stukken overgelegd of een begin van bewijs geleverd waarmee belanghebbende aannemelijk maakt dat, zoals de verwijzingsopdracht luidde, hij kopieën van de zes facturen telkens tijdig aan de intermediair heeft verstrekt.

De door belanghebbende overgelegde e-mail van de intermediair van 22 april 2026 (zie 2.8) kan in ieder geval niet dienen tot bewijs dat belanghebbende telkens tijdig kopieën van facturen heeft verstrekt aan de intermediair. Het Hof acht het op basis van deze e-mail eerder aannemelijk dat de intermediair in het geheel niet de beschikking had over de betreffende zes facturen, nu hij in deze e-mail aangeeft de omzet van januari tot en met april 2014 op 23 september 2014 vanuit de bankontvangst in de administratie te hebben geboekt en dus niet op basis van de onderliggende facturen.

De bestuurder heeft ter zitting van het Hof nog een bewijsaanbod gedaan inhoudende dat hij zou kunnen proberen of hij de door hem bedoelde e-mails zou kunnen terugvinden, hoewel dat gelet op het lange tijdsverloop lastig zou zijn. In reactie hierop heeft het Hof de bestuurder ter zitting voorgehouden dat de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad (r.o. 4.3.3 van het verwijzingsarrest) duidelijk is in wat er van belanghebbende werd gevraagd en dat het op haar weg had gelegen om na het arrest het nodige te doen om haar standpunt - dat zij de kopieën van de facturen steeds naar de intermediair had gestuurd - te onderbouwen. Tevens heeft het Hof aangegeven voornemens te zijn belanghebbendes bewijsaanbod te passeren en dit te motiveren in de uitspraak.

Het Hof is van oordeel dat de bestuurder voldoende gelegenheid heeft gehad om aan de op haar rustende bewijslast te voldoen en dat het algemeen belang bij een doelmatige procesgang in deze fase van het geding dient te prevaleren boven het belang van belanghebbende om alsnog te proberen bewijsstukken te overleggen. Het Hof acht daartoe beslissend de duidelijke bewoordingen in het arrest van de Hoge Raad over de door het Hof te beantwoorden vraag en dat uit het proces-verbaal van de zitting bij zowel de rechtbank Zeeland-West-Brabant als het gerechtshof ’s-Hertogenbosch volgt dat de bestuurder gedurende de gehele procedure heeft gesteld de facturen per e-mail aan de intermediair te hebben verstuurd en dat haar ook reeds bij die gelegenheden gevraagd is daarvan bewijs te leveren. Ten slotte is ook in de uitnodiging voor de zitting van 8 juli 2026 bij het Hof gewezen op de mogelijkheid tot tien dagen voor de zitting nadere stukken in te brengen. Gelet op het voorgaande had het op de weg van belanghebbende gelegen om haar stelling - dat de facturen per e-mail aan de intermediair zijn verstrekt - uiterlijk ter zitting van het Hof met bewijsstukken te onderbouwen. Ook het risico dat zij door een lang tijdsverloop in bewijsnood is gekomen dient, mede gelet op het feit dat haar veel eerder is gevraagd bewijs voor haar stelling te leveren, voor risico van belanghebbende te blijven.

Het voorgaande betekent dat de bestuurder (namens belanghebbende) heeft nagelaten de intermediair de informatie te verstrekken die nodig was voor het opstellen van de aangiften. Daarmee mocht hij niet erop vertrouwen dat de door de intermediair opgestelde aangiften juist en volledig waren (r.o. 4.2.4 van het verwijzingsarrest).

Is het telkens aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende te wijten dat te weinig omzetbelasting is betaald?

Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur, met hetgeen hij heeft aangevoerd, voor ieder tijdvak overtuigend aangetoond dat het aan het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig omzetbelasting is betaald. Uit de stukken van het geding blijkt dat de bestuurder de verkoopfacturen zelf opmaakte en dat hij daarop bedragen aan af te dragen omzetbelasting heeft vermeld. Zowel in het jaar 2013 als in de jaren daarvoor heeft belanghebbende vrijwel altijd over het gehanteerde tijdvak van een maand bedragen aan omzetbelasting op aangifte voldaan. Ook in de onderhavige tijdvakken (januari tot en met april 2024) heeft de bestuurder voor ruim € 100.000 (exclusief omzetbelasting) verkoopfacturen opgemaakt en daarop in totaal € 22.498 aan af te dragen omzetbelasting vermeld. Omdat over deze tijdvakken nihilaangiften zijn ingediend, kan het niet anders dan dat de bestuurder moet hebben geweten dat daarmee te weinig omzetbelasting zou worden betaald. Die gedraging wordt toegerekend aan belanghebbende (vgl. HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:508, r.o. 2.3).

Is de vergrijpboete passend en geboden?

De Inspecteur heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de boetegrondslag dient te worden verminderd tot € 13.753 wegens eveneens niet aangegeven aftrekbare voorbelasting. De boete bedraagt dan € 6.876,50 (50%), waarna deze met 20% - wegens overschrijding van de redelijke termijn tot en met de uitspraak van de Rechtbank - dient te worden verminderd tot een bedrag van € 5.501,20, aldus de Inspecteur. Het Hof is van oordeel dat een vergrijpboete van 50%, gelet op alle van belang zijnde omstandigheden van het geval, passend en geboden is. Na de door de Rechtbank terecht toegepaste vermindering van 20% in verband met overschrijding van de redelijke termijn, bedraagt de boete afgerond € 5.501.

Overschrijding van de redelijke termijn

In cassatie is de redelijke termijn overschreden. Daarover heeft de Hoge Raad in het verwijzingsarrest het volgende overwogen:

“In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 8 november 2023. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met afgerond een maand. Indien na verwijzing de aan belanghebbende opgelegde boete tot enig bedrag in stand blijft, is het aan het verwijzingshof om - met inachtneming van de totale duur van de berechting - te beoordelen of en, zo ja, in hoeverre de boete verder dient te worden verminderd in verband met de hiervoor bedoelde overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.”

Het Hof ziet in deze overschrijding aanleiding de boete verder te verminderen met 5% tot € 5.225 (vgl. HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, r.o. 4.2.3 en HR 24 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:728, r.o. 3.3).

Het tijdsverloop sinds het verwijzingsarrest bedraagt minder dan een jaar, zodat de redelijke termijn na verwijzing niet is overschreden (vgl. 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.4.5).

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5. Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.

Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt.

6. Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot de boetebeschikking,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur met betrekking tot de boetebeschikking,

– vermindert de boetebeschikking tot een bedrag van € 5.225, en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende de betaalde griffierechten van in totaal € 893 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.H.J. Verhagen, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.

De griffier, De voorzitter,

(E.D. Postema) (T.H.J. Verhagen)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026100805
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand