ECLI:NL:GHARL:2026:6173

ECLI:NL:GHARL:2026:6173

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 25-09-2026
Zaaknummer 25/179
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBNNE:2024:4965

Samenvatting

IB/PVV. Omvang belaste afkoop lijfrente. Aftrekbaarheid advieskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummer BK-ARN 25/179

uitspraakdatum: 22 september 2026

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 november 2024, nummer LEE 23/5205, ECLI:NL:RBNNE:2024:4965, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Den Haag (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende is een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2020 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.824. Daarbij is € 61 aan belastingrente in rekening gebracht.

Het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar is door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 26 september 2023 ongegrond verklaard.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.655, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende in beroep en bepaald dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht moet vergoeden.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.

Belanghebbende heeft voor de zitting meerdere berichten ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord J. van Steenbergen als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] .

2. Vaststaande feiten

Belanghebbende heeft in 2020 een lijfrenteverzekering, bij [de verzekeringsmaatschappij] aangegaan in 1999 (hierna: de lijfrenteverzekering), afgekocht. Op de lijfrenteverzekering is in de jaren 1999 tot en met 2002 een bedrag van in totaal € 2.854,30 (= € 587,65 (1999), € 1.007,40 (2000), € 1.007,40 (2001) en € 251,85 (2002)) aan premies voldaan. De lijfrenteverzekering is op 25 april 2002 premievrij gemaakt. De eenmalige uitkering in 2020 bedroeg € 2.765 (hierna: de afkoopsom), zijnde de waarde in het economische verkeer van de lijfrenteverzekering ten tijde van de afkoop. Door [de verzekeringsmaatschappij] is op de uitkering € 1.032,73 aan loonheffing ingehouden.

Op 28 februari 2022 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV 2020 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.456 en daarin ter zake van de afkoopsom een te belasten uitkering ter hoogte van € 397 opgenomen en een bedrag aan loonheffing van € 1.033 vermeld.

Bij het vaststellen van de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2020 is de Inspecteur afgeweken van de aangifte door de gehele afkoopsom tot het inkomen te rekenen, zonder rekening te houden met betaalde, maar mogelijk destijds niet in aftrek gebrachte, premies. Ook met de geclaimde advieskosten van € 1.108 is geen rekening gehouden. De aanslag is aldus vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.824 (= € 38.456 + € 2.368). De aanslag is gehandhaafd in de uitspraak op bezwaar.

De Rechtbank heeft het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard. Voor het belastingjaar 1999 is lopende de beroepsprocedure tussen partijen komen vast te staan dat een bedrag aan betaalde premies van € 169 niet in aftrek is gekomen op het inkomen. Hiervoor is op 28 juni 2024 een Verklaring niet-afgetrokken premies (Saldoverklaring) afgegeven door de Belastingdienst. De Rechtbank heeft daarom alsnog rekening gehouden met het bedrag van de in de beroepsfase afgegeven saldoverklaring (€ 169) en de aanslag aldus verminderd naar een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.655. De Rechtbank heeft geoordeeld dat voor het overige niet aannemelijk is gemaakt dat premies niet in aftrek zijn gekomen en is evenmin meegegaan in het betoog van belanghebbende dat de advieskosten in mindering moeten komen op het inkomen. Nu het beroep gegrond is, heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld in de – forfaitair berekende – proceskosten van belanghebbende in beroep ten bedrage van € 1.750 en bepaald dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht moet vergoeden.

3. Geschil

In hoger beroep is in geschil of de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2020, zoals deze luidt na de uitspraak van de Rechtbank, op een te hoog bedrag is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of terecht geen rekening is gehouden met de in 2000, 2001 en 2002 door belanghebbende betaalde lijfrentepremies en of de gestelde advieskosten ten bedrage van € 1.108 terecht niet als aftrekbare kosten op de uitkering in mindering zijn toegelaten. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

Belanghebbende is van mening dat de in 2000, 2001 en 2002 betaalde premies ten bedrage van respectievelijk € 1.007,40, € 1.007,40 en € 251,85 in mindering moeten worden gebracht op de afkoopsom. Belanghebbende bepleit niet meer dat over het jaar 1999 met meer premies rekening moet worden gehouden dan de Rechtbank heeft gedaan. Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende haar beroep op het vertrouwensbeginsel laten varen en heeft zij haar standpunt dat de Rechtbank voor de beroepsfase ten onrechte geen integrale proceskostenvergoeding heeft toegekend, ingetrokken. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, en tot vermindering van de aanslag.

De Inspecteur heeft zijn incidenteel hoger beroep, dat ziet op de proceskostenveroordeling door de Rechtbank, ter zitting van het Hof ingetrokken. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

Omvang belaste afkoop lijfrente

Ingevolge artikel 3.133, eerste lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2020, geldt ook voor de hierna vermelde wetsartikelen) worden bij de afkoop van een aanspraak op lijfrente de premies en bedragen die zijn betaald voor die aanspraak en het daarover behaalde rendement (artikel 3.137) bij de verzekeringnemer als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen. In artikel 3.133, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet IB 2001 is bepaald dat het eerste lid geen toepassing vindt op een dergelijke afkoop ingeval een aanspraak op lijfrente of periodieke uitkeringen waarvan nog geen termijnen zijn vervallen, in één bedrag wordt uitgekeerd en de waarde in het economische verkeer van die aanspraak op het onmiddellijk aan het tijdstip van afkoop voorafgaande tijdstip niet meer bedraagt dan € 4.475; deze uitkering in één bedrag wordt als een termijn van lijfrente aangemerkt. Ter zitting van het Hof is tussen partijen komen vast te staan dat ter zake van de afkoopsom sprake is van een geval als laatstgenoemd. Het Hof ziet geen aanleiding voor een ander oordeel.

De afkoopsom wordt als termijn van lijfrente op grond van artikel 3.100, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 2001 aangemerkt als belastbare periodieke uitkering. In artikel 3.107a, eerste lid, van de Wet IB 2001 is – voor zover hier van belang – opgenomen dat voor het bepalen van de omvang van de belastbare periodieke uitkering ingevolge een overeenkomst ter zake waarvan de belastingplichtige aannemelijk heeft gemaakt dat de betaalde premies en bedragen geheel of gedeeltelijk niet als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen, op de termijn of uitkering in mindering worden gebracht de betaalde premies en bedragen waarvan aannemelijk is dat die niet als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen.

Naar het oordeel van het Hof, heeft belanghebbende met hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat en in hoeverre de in de jaren 2000 tot en met 2002 betaalde lijfrentepremies niet als uitgave voor inkomensvoorziening in aftrek zijn gekomen. Voor het jaar 2000 heeft belanghebbende weliswaar de ingediende aangifte IB/PVV in het geding gebracht, waaruit afgeleid zou kunnen worden dat geen aftrek is geclaimd, maar zonder het overleggen van de opgelegde aanslag over dat jaar levert hij niet het van hem verlangde bewijs. De door belanghebbende overgelegde schriftelijke verklaring van 1 september 2024, waarin hij onder meer heeft verklaard dat de premies niet in zijn aangifte zijn vermeld, maakt dit niet anders. Voor de jaren 2001 en 2002 zijn de aangiften noch de aanslagen overgelegd, maar is volstaan met de hiervoor genoemde verklaring. De stelling dat belanghebbende voor die jaren geen uitnodigingen of aanmaningen heeft ontvangen tot het doen van aangiften en geen aanslagen heeft ontvangen, is onvoldoende onderbouwd en de enkele stelling van de gemachtigde ter zitting van het Hof dat belanghebbende, die vanaf 2003 bij haar cliënt is, anders wel herinneringen en aanmaningen zou hebben ontvangen en daarmee naar haar zou zijn toegekomen, volstaat evenmin. Dat belanghebbende geen bewijsstukken heeft bewaard en geen stukken meer boven water heeft weten te krijgen, blijft voor rekening van belanghebbende. Belanghebbende heeft het Hof nog verzocht om de aanslag alsdan ambtshalve of met toepassing van de hardheidsclausule te verminderen. Het Hof is daartoe evenwel niet bevoegd.

Aftrekbaarheid advieskosten

Ingevolge artikel 3.108 van de Wet IB 2001 zijn aftrekbare kosten van uitkeringen en verstrekkingen de daarop drukkende kosten voorzover zij zijn gemaakt tot verwerving, inning en behoud van die uitkeringen en verstrekkingen. De kosten kunnen in mindering worden gebracht voorzover zij in hun totale omvang niet overtreffen wat gebruikelijk is.

Belanghebbende, op wie ter zake de bewijslast rust, heeft gesteld dat de advieskosten die hij heeft betaald aan zijn gemachtigde ten bedrage van € 1.108 aftrekbaar zijn, omdat deze zijn gemaakt tot verwerving van de afkoopsom. De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd betwist. Volgens de Inspecteur was voor het aanvragen van de afkoop geen advies nodig en zien de advieskosten op de fiscale afwikkeling van de afkoopsom. Naar het oordeel van het Hof, heeft belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat de kosten zijn gemaakt tot verwerving van de afkoopsom.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.

Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Griffierecht en proceskosten

Nu de Inspecteur zijn incidentele hoger beroep ter zitting heeft ingetrokken, ziet het Hof aanleiding om de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het incidentele hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken (artikel 8:118 Algemene wet bestuursrecht).

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het incidenteel hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467 (1 punt (bijwonen zitting) x wegingsfactor 0,5 x € 934). De gemachtigde heeft ter zitting van het Hof haar verzoek om een integrale proceskostenvergoeding laten varen.

6. Beslissing

Het Hof:

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, en

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in verband met het incidentele hoger beroep tot een bedrag van € 467.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. T.V. Daae, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 22 september 2026 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma) (G.B.A. Brummer)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026100806
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand