GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 22 augustus 2025, betreffende
wonende te [woonplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 31,18.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 146,- voor: “16 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg”.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter, die heeft vastgesteld dat de hoorplicht is geschonden, ten onrechte het sanctiebedrag niet heeft gematigd met 25 procent. Gelet op het arrest van het hof van 8 mei 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:2852, had dat wel gemoeten. Dat er geen andere aanvullende beroepsgronden (meer) naar voren zijn gebracht, neemt niet weg dat de betrokkene compensatie toekomt in verband met schending van de hoorplicht.
3. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de hoorplicht is geschonden door de officier van justitie en heeft om die reden de beslissing van de officier van justitie vernietigd. De kantonrechter heeft verder geoordeeld dat de inleidende beschikking in stand kan blijven. Hiertoe heeft de kantonrechter overwogen dat in zaken waarin schending van de hoorplicht de enige beroepsgrond is, niet blijkt dat door de betrokkene met het horen enig inhoudelijk belang werd nagestreefd of dat anderszins zo’n belang werd gediend. Horen is geen doel op zich en in zulke gevallen is voor matiging geen grond.
4. Uit de motivering van de beslissing van de officier van justitie van 6 maart 2024 leidt het hof af dat de zaak van de betrokkene deel uitmaakt van een groot aantal (oude) zaken dat is afgedaan zonder de betrokkenen te horen. In het door de gemachtigde genoemde arrest heeft het hof geoordeeld dat op basis van deze motivering het ervoor wordt gehouden dat de door het hof bij het arrest van 17 augustus 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:6930) als structureel aangemerkte schending van de hoorplicht ook na 1 oktober 2023 is blijven voortduren in een groot aantal (oude) zaken. Het hof heeft hieraan het gevolg verbonden dat de betrokkenen voor de schending van de hoorplicht door de officier van justitie dezelfde compensatie dienen te krijgen als een betrokkene die in administratief beroep niet is bijgestaan door een professionele gemachtigde, dus matiging van het sanctiebedrag met 25 procent omdat er geen concreet zicht was op een oplossing die ervoor zou zorgen dat de schending van de hoorplicht niet langer zou voortduren en daarmee te bewerkstellingen dat de officier van justitie in het vervolg tot horen zou overgaan. De door de kantonrechter gebezigde motivering vormt geen aanleiding om van matiging van het sanctiebedrag af te zien. Met de (door de kantonrechter vastgestelde) schending van de hoorplicht is de betrokkene reeds getroffen in zijn belang. Het horen is een essentieel onderdeel van de procedure in administratief beroep. Ter gelegenheid van het horen kunnen mondeling bezwaren worden aangevoerd en aangevuld en kan het parket CVOM informatie verstrekken die aanleiding kan zijn om het administratief beroep in te trekken. De schending van de hoorplicht als zodanig dient, in de zich hier voordoende omstandigheden, nu deze structureel van aard is, door matiging van de sanctie te worden gecompenseerd.
5. Gelet op het voorgaande zal het hof beslissen als hierna vermeld.
6. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De proceskosten gemaakt in de fase van administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat geen sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het verschijnen ter zitting van de kantonrechter en het indienen van het hoger beroepschrift dienen drie punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof is van oordeel dat in de fase van het hoger beroep sprake is van samenhang met de zaak met registratienummer Wahv 200.361.832/01, waarin eveneens bij arrest van heden uitspraak wordt gedaan. De hoger beroepschriften zijn gelijkluidend, waardoor de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van deze zaken nagenoeg identiek konden zijn. Voor de vaststelling van de proceskostenvergoeding worden deze zaken dus beschouwd als één zaak. De factor 1 voor samenhangende zaken (aantal samenhangende zaken = minder dan 4) wordt toegepast. Omdat de beslissing van de officier van justitie en van de kantonrechter na 31 december 2023 zijn bekendgemaakt, wordt het bedrag van de gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 291,88 (= (2 x € 934,- x 0,5 x 0,25) + ((1 x € 934,- x 0,5 x 0,25 x 1)/2).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking, in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt vastgesteld op
€ 109,50;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 291,88.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.