GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.366.479
(zaaknummer rechtbank Overijssel 297345)
beschikking van 24 september 2026
inzake
[appellant] ,
wonende in [woonplaats1] (Bondsrepubliek Duitsland),
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. M. Pinarbasi-llbay,
en
[geïntimeerde] ,
wonende in [woonplaats2] , gemeente Enschede,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. Y.N. Teke-Bozkurt.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 17 december 2025, uitgesproken onder zaaknummer 297345 (hierna ook: de bestreden beschikking).
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, met producties, ingekomen op 16 maart 2026;
- het verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep, met een productie;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
- een journaalbericht namens de vader van 24 augustus 2026;
- een journaalbericht namens de moeder van 24 augustus 2026.
De mondelinge behandeling heeft op 25 augustus 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de vader en mr. H. Dönmez, waarnemer voor mr. Pinarbasi-llbay, en een tolk in de Turkse taal;
- de moeder en mr. J.F.I. Sahebdien, waarnemer voor mr. Teke-Bozkurt.
Beide advocaten hebben op de mondelinge behandeling spreekaantekeningen overgelegd.
3. De feiten
De vader en de moeder zijn in Duitsland met elkaar getrouwd.
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige1] , geboren [in] 2021 en
- [minderjarige2] , geboren [in] 2022,
hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen. De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
De vader heeft de Turkse nationaliteit. De moeder heeft zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
- de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken;
- bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben;
- als regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: de zorgregeling) tussen de ouders vastgesteld dat met ingang van vrijdag 19 december 2025 de moeder de kinderen eenmaal per veertien dagen rond 18.30 uur/19.00 uur brengt bij een tankstation in [plaats] (Duitsland) waar de vader de kinderen zal ophalen en de vader de kinderen op zondag om 17.00 uur terugbrengt bij de moeder. Verder verblijven de kinderen tijdens de zomervakantie de eerste twee weken bij de vader, de derde en vierde week bij de moeder, de vijfde week bij de vader en de zesde week weer bij de moeder.
4. De omvang van het geschil
De vader komt in hoger beroep van de bestreden beschikking. Zijn hoger beroep richt zich uitsluitend tegen de beslissing van de rechtbank over de zorgregeling. Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking in zoverre te vernietigen en te bepalen dat de kinderen om de veertien dagen van zaterdag tot zondag bij hem verblijven, waarbij de moeder de kinderen naar hem brengt en hij de kinderen op zondag naar de moeder brengt.
De moeder voert verweer en heeft ook hoger beroep ingesteld. Zij vraagt het hof in het principaal hoger beroep de bestreden beschikking te bekrachtigen en verzoekt in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat overdracht van de kinderen uitsluitend plaatsvindt op neutraal terrein, zijnde een tankstation in [plaats] dan wel een door het hof te bepalen vergelijkbare neutrale locatie. Verder verzoekt de moeder te bepalen dat de overdracht van de kinderen niet plaatsvindt bij de woning van de vader dan wel in de directe leefomgeving van diens familieleden, dat bij de overdrachtsmomenten geen derden aanwezig zullen zijn, waaronder familieleden van de vader, dat de communicatie tussen partijen met betrekking tot de kinderen uitsluitend schriftelijk plaatsvindt, behoudens spoedeisende situaties en dat partijen gehouden zijn de overeengekomen tijden strikt na te leven.
De vader heeft in zijn verweerschrift op het incidenteel hoger beroep het hof primair gevraagd de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidenteel hoger beroep en subsidiair het incidenteel hoger beroep van de moeder af te wijzen. Verder vraagt de vader de moeder te veroordelen in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep.
5. De motivering van de beslissing
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Gelet op de internationale aspecten in deze zaak, moet het hof eerst beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.
De zorgregeling is een kwestie van ouderlijke verantwoordelijkheid en valt daarmee onder het toepassingsgebied van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (Brussel II-ter). Op grond van artikel 7 lid 1 Brussel II-ter zijn ten aanzien van de ouderlijke verantwoordelijkheid de gerechten bevoegd van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind de gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Omdat de kinderen op het moment van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, waar zij overigens ook nu nog wonen, komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
De rechtbank heeft op de verzoeken Nederlands recht toegepast en daartegen is geen grief gericht. Daarom zal ook het hof bij de beoordeling van dit deel van het geschil het Nederlandse recht tot uitgangspunt nemen.
Zorgregeling
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn verzoek om te bepalen dat de kinderen om de veertien dagen van zaterdag tot zondag bij hem verblijven in plaats van vanaf vrijdagavond zoals de rechtbank heeft vastgesteld, ingetrokken. Dat punt behoeft dan ook geen verdere bespreking. Ter beoordeling ligt nog de locatie voor waar de moeder de kinderen op vrijdag brengt, naast de overige verzoeken van de moeder.
Wat staat in de wet?
Op grond van artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechter worden voorgelegd. In geschillen als de onderhavige, waarbij er een verschil van mening bestaat over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, dient de rechter een zodanige beslissing te nemen als in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Hoe oordeelt het hof?
Na de bestreden beschikking hebben de ouders onderling afgesproken dat de moeder de kinderen om de week op vrijdagavond brengt bij de IKEA in [plaats] (Duitsland) en dat de vader de kinderen daar ophaalt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder, onweersproken, gezegd dat de kinderen dat prettig vinden en dat zij er even kunnen spelen.De vader wil, om de vervoerslasten gelijkwaardig te verdelen, dat de moeder de kinderen naar zijn woning in [woonplaats1] (Duitsland) brengt, dan wel naar een tankstation in [woonplaats1] . De moeder wil vanwege nare herinneringen uit de tijd dat zij nog samen met de vader in [woonplaats1] woonde, de kinderen niet naar [woonplaats1] brengen.
Het hof overweegt als volgt. Uit het dossier en wat op de zitting is besproken blijkt dat de communicatie tussen de ouders wisselend verloopt en dat de verstandhouding tussen hen spanningsvol is. Het hof is daarom van oordeel dat het in het belang van de kinderen is de overdrachten te laten plaatsvinden op de huidige voor hen inmiddels bekende en, ook voor de ouders, neutrale plek, te weten de IKEA in [plaats] . Op deze manier worden voor de kinderen spanningen tijdens de overdracht zoveel mogelijk beperkt.
Het hof zal de overige verzoeken van de moeder afwijzen, omdat wat betreft de overdrachtsplek een neutrale plek is vastgesteld en in de bestreden beschikking concrete tijdstippen zijn opgenomen. Beide ouders zullen zich moeten houden aan rechterlijke uitspraken over de zorgregeling, waaronder dus ook de tijdstippen van halen en brengen. Voor de overige verzoeken van de moeder bestaat geen juridische grondslag en het hof ziet daarnaast ook geen aanleiding om deze verzoeken toe te wijzen.
6. De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof voor de duidelijkheid de bestreden beschikking vernietigen wat betreft de beslissing over de zorgregeling en die regeling opnieuw vaststellen.
Het hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling zoals door de vader is verzocht. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, omdat het een familierechtelijk geschil is. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
7. De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 17 december 2025 wat betreft de beslissing over de zorgregeling en, in zoverre, opnieuw beschikkende:
stelt als zorgregeling vast:
de moeder brengt de kinderen eenmaal per veertien dagen op vrijdag rond 18.30 uur/19.00 uur bij de IKEA in [plaats] (Duitsland) waar de vader de kinderen zal ophalen en de vader brengt de kinderen op zondag om 17.00 uur terug bij de moeder. Verder verblijven de kinderen tijdens de zomervakantie de eerste twee weken bij de vader, de derde en vierde week bij de moeder, de vijfde week bij de vader en de zesde week weer bij de moeder;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, S. Kuijpers en L.D.M. Rubens-Snijders, en is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026.