ECLI:NL:GHARL:2025:8893

ECLI:NL:GHARL:2025:8893

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 26-11-2025
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer 21-000718-19
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

--

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

op dit moment vanwege een andere strafzaak verblijvende in [P.I.] .

Het hoger beroep

De verdachte (hierna ook: [verdachte] ) heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 25 maart 2022, 12 februari 2025 en 22 oktober 2025 – welk onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 26 november 2025 – en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H.O. den Otter, hebben aangevoerd.

Het vonnis

Bij bovengenoemd vonnis heeft de rechtbank het onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezen verklaard, dit gekwalificeerd als het medeplegen van gewoontewitwassen en valsheid in geschrift en verdachte hiervoor veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.hij, in of omstreeks de periode van 01 januari 2008 tot en met 22 maart 2016 te [plaats] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen, (telkens) één of meer voorwerp(en), te weten

(een) geldbedrag(en) van (in totaal) 584.408,16 euro, althans enig geldbedrag heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van die/dat bovenomschreven voorwerp(en), gebruik heeft gemaakt en/of

een of meer voertuigen (te weten: Opel Astra met kenteken [kenteken] en/of BMW 118 met kenteken [kenteken] en/of Mercedes met kenteken [kenteken] en/of BMW met kenteken [kenteken] en/of Mercedes met kenteken [kenteken] en/of Opel Corsa met kenteken [kenteken] en/of BMW 525i met kenteken [kenteken] ) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van die/dat bovenomschreven voorwerp(en), gebruik heeft gemaakt

terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - (al dan niet gedeeltelijk) afkomstig waren uit enig misdrijf,

terwijl hij van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;

2.

primair

hij, verdachte, op of omstreeks 26 mei 2007, te [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, een inkomensverklaring (ten behoeve van het aangaan van een hypothecaire lening betreffende het onderpandadres [adres] te [plaats] ), zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt,

immers hij, verdachte, heeft toen en daar valselijk in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-

* op die inkomensverklaring op naam van geldnemer (zijnde verdachte) een jaarinkomen van euro 68.364,- ingevuld en/of

* die inkomensverklaring na de zinsnede: "Aldus verklaren wij, ieder voor zich en gezamenlijk, dat een adequate overweging is gemaakt om deze lening aan te gaan en dat het door ons opgegeven inkomen gelijk is aan het werkelijke inkomen. De adviseur verklaart hierbij ook dat de hypothecaire lening geschikt is voor de geldnemer(s)." voorzien van zijn naam en handtekening en/of

* die inkomensverklaring laten ondertekenen door een adviseur van [bedrijf] ,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij in de periode van 26 mei 2007 tot en met 26 juni 2007 te [plaats] en/of [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift, als ware dat geschrift echt en onvervalst, te weten een inkomensverklaring van verdachte d.d. 26 mei 2007, zijnde een geschrift dat bestemd was om te dienen tot bewijs van het daaringestelde, althans van enig feit,

bestaande dat gebruik maken hierin dat verdachte en/of zijn medeverdachten voornoemde inkomensverklaring aan [bedrijf] heeft/hebben overgelegd, althans ingebracht ter verkrijging van een hypothecaire lening op het pand [adres] te [plaats] en bestaande dat valse (zakelijk weergegeven) hierin dat op voornoemde inkomensverklaring (onder andere) vermeld stond dat verdachte een jaarinkomen genoot van 68.364,- euro.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Naar aanleiding van informatie vanuit het Regionaal Informatie en Expertise Centrum, in het bijzonder informatie van de Belastingdienst, is in oktober 2015 besloten een strafrechtelijk onderzoek te starten naar leden van de familie [achternaam verdachte] uit [plaats] .

Op 22 maart 2016 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van de familie aan de [adres] in [plaats] . Daarbij zijn geldbedragen, sieraden, auto’s en administratieve bescheiden in beslag genomen. Ook is beslag gelegd op de genoemde woning.

In de woning woonden onder andere [medeverdachte 1] , haar kinderen [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en de partner van [verdachte] , [medeverdachte 4] . Zij zijn de verdachten in het onderzoek ‘Pioenroos’, net als [medeverdachte 5] (een kleinkind van [medeverdachte 1] ), die ook staat ingeschreven op het adres [adres] in [plaats] . Zijn vader is [naam] , een zoon van [medeverdachte 1] .

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld – kort en zakelijk weergegeven – dat het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van beide feiten.

Wat betreft het eerste feit is ten eerste gesteld dat niet de conclusie kan worden getrokken dat er sprake was van een economische eenheid. Dat het gaat om een hecht gezin en dat hier en daar is samengeleefd in de meest ruime zin des woords, is daarvoor niet voldoende. Daarnaast was er volgens de raadsman sprake van een beginsaldo op 1 januari 2008 van ten minste € 35.000,- in verband met eerder ontvangen giften. Er is geen strafbaar feit aan te duiden waaruit volgt dat verdachte gelden heeft witgewassen. Daarbij komt dat verdachte een verklaring heeft afgelegd voor bepaalde geldstromen en dat deze ook te verifiëren zijn. Het gaat hierbij om inkomsten uit gokken, goud en giften. De verklaring die verdachte hierover heeft afgelegd is concreet, min of meer verifieerbaar en niet hoogst onwaarschijnlijk.

Verder is ook geen sprake van medeplegen van witwassen. Dit geldt ook voor de auto’s die op de tenlastelegging staan vermeld. De auto’s zijn door anderen aangeschaft en niet is gebleken dat verdachte daarvoor heeft betaald of bij de aankoop daarvan aanwezig is geweest. Tot slot kan evenmin worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het tenlastegelegde witwassen door hem of door anderen.

Wat betreft het tweede feit is aangevoerd dat de inkomensverklaring niet door verdachte is opgesteld en dat hij evenmin het daarin genoemde jaarinkomen van € 68.354,- heeft ingevuld. Daarnaast kan niet worden gezegd dat de handtekening van verdachte op de inkomensverklaring direct wijst op opzet op het gebruikmaken van een vals geschrift. Verdachte is leek op het gebied van hypothecaire leningen en omdat een en ander via officiële kanalen is geregeld, ging verdachte ervan uit dat hij geen fout beging. Ten aanzien van verdachte was überhaupt geen sprake van een vals geschrift, laat staan dat sprake was van opzet bij verdachte om de inkomensverklaring als vals geschrift te gebruiken.

Mocht het hof wel tot een bewezenverklaring komen dan heeft de raadsman het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van zeventien personen als getuige en het horen van één persoon als getuige-deskundige, en de zaak daartoe (opnieuw) te verwijzen naar het kabinet raadsheer-commissaris bij het hof.

De beoordeling door het hof

Inleidende overweging

De rechtbank heeft in haar vonnis uitvoerige overwegingen gewijd aan zowel het bewijs als de weerlegging van verweren. Bij het bespreken van de bewijsmiddelen en de (bewijs)verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten zal het hof – voor zover het hof de overwegingen van de rechtbank (geheel of grotendeels) onderschrijft – overwegingen van de rechtbank (geheel of grotendeels) overnemen. Het hof maakt die overwegingen tot de zijne.

Gezamenlijke huishouding

Het hof stelt vast dat in de tenlastegelegde periode in de woning op het adres [adres] in [plaats] woonachtig waren (mede)verdachten [medeverdachte 1] , haar kinderen [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en de partner van [verdachte] , [medeverdachte 4] .

Op 26 juni 2007 is de eigendom van het huis aan de [adres] in [plaats] aan verdachte toebedeeld en geleverd. Daarbij is onder andere bepaald in de ontruimingsverklaring dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de woning om niet bewonen. [verdachte] is gehouden de hypothecaire geldlening geheel als eigen schuld te voldoen.

Bij de stukken bevindt zich een inkomensverklaring (ten behoeve van de herfinanciering van de woning) van februari 2006, waarin o.a. [medeverdachte 1] , [verdachte] , [naam] en [medeverdachte 2] informatie verstrekken over hun inkomen en/of maandelijkse bijdrage aan de hypotheeklasten. In deze verklaring is het volgende opgenomen: “Gezamenlijk hebben wij, als erven en partners van de erven, deze afspraak gemaakt om maandelijks minimaal

€ 1.900,- bij te dragen. Deze bedragen zijn tot stand gekomen, na bekeken te hebben hoeveel men maandelijks over houdt en hoeveel men daarvan bereid is bij te dragen.”

Weliswaar was [verdachte] juridisch gezien verantwoordelijk voor de betaling van de hypotheek, maar het was de bedoeling dat de overige bewoners van de woning ook een financiële bijdrage zouden leveren aan het betalen van de hypotheek, zo begrijpt het hof. Dit gebeurde ook in de praktijk. Als [verdachte] de hypotheeklasten niet kon betalen, dan sprong er iemand bij.

Over het betalen van kosten van levensonderhoud binnen het gezin heeft [verdachte] verklaard dat de rekeningen met z’n allen betaald worden. De ene keer kookt die en de andere keer een ander. Het is verschillend wie de reparaties aan de woning betaalt. Ze proberen het samen te doen. Dit strookt met de verklaring van [medeverdachte 3] dat de portemonnees in de familie niet gescheiden zijn: de ene keer betaalt die en de andere keer die, ze doen het gezamenlijk.

[medeverdachte 4] heeft verklaard dat haar partner, [verdachte] , zorgt voor haar en de kinderen.

Dit vindt bevestiging in de bankafschriften van de bankrekening van [verdachte] , waaruit volgt dat er in de tenlastegelegde periode van zijn bankrekening betalingen zijn gedaan aan [bedrijf] en [bedrijf] , waarbij de naam van [naam] staat vermeld.

Het hof heeft in het dossier verder de volgende informatie aangetroffen:

- De hypotheek wordt betaald van de bankrekening van [verdachte] . In de periode tussen 2 augustus 2010 en 26 februari 2015 wordt er maandelijks, kort voor die betaling, een bedrag overgeboekt van de bankrekening van [medeverdachte 1] naar de bankrekening van [verdachte] , dat ongeveer gelijk is aan het hypotheekbedrag;

- In 2008, 2009, 2010, 2011, 2012 en 2014 zijn er betalingen aan [bedrijf] en [bedrijf] van de bankrekening van [medeverdachte 1];

- In 2008, 2012, 2013 en 2014 zijn er betalingen aan [bedrijf] en [bedrijf] van de bankrekening van [medeverdachte 2];

- [medeverdachte 2] heeft openstaande vorderingen bij de Sociale Dienst [gemeente] . Zij betaalt maandelijks een bedrag, veelal € 100,-. Op zowel een aantal data in 2015 als op 28 januari 2016 en 22 februari 2016 worden deze betalingen gedaan van de bankrekening van [medeverdachte 1];

- In 2014 worden enkele boetes van [medeverdachte 1] betaald vanaf de bankrekening van [medeverdachte 2];

- In 2014 wordt een boete van [medeverdachte 3] betaald van de bankrekening van [medeverdachte 2];

- In 2015 worden boetes van [medeverdachte 2] betaald van de bankrekeningen van [medeverdachte 1] en de zakelijke rekening van [verdachte];

- De rekening voor het plaatsen van een cv-ketel is in termijnen betaald omdat de familie het volledige bedrag niet in een keer kon betalen. Op 6 december 2012, 18 januari 2013, 25 februari 2013, 2 mei 2013 en 7 juni 2013 zijn deze betalingen gedaan van de bankrekening van [medeverdachte 2] . Op 2 april 2013 is de betaling gedaan van de bankrekening van [medeverdachte 1];

- Op 5 augustus 2009 is een bedrag van € 239,34 voldaan bij de [bank 2] vanaf de bankrekening van [medeverdachte 4] , ter voldoening van rekeningen van [verdachte] . Dit is ook gebeurd op 4 december 2009, dan gaat het om een bedrag van

€ 180,34.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] in de tenlastegelegde periode een gezamenlijke huishouding

voerden. Zij deden daarbij over en weer betalingen voor het levensonderhoud, de vaste lasten, de hypotheek van de woning en andere verplichtingen.

Is er een vermoeden van witwassen?

Legale inkomsten

Over alle verdachten is informatie beschikbaar van de Belastingdienst en de Sociale Recherche.

[medeverdachte 1] heeft vanaf 1 februari 2007 een uitkering op grond van de Algemene Nabestaandenwet van ongeveer € 11.000,- per jaar. Er zijn geen andere legale inkomsten bekend.

In de periode van 1 januari 2007 tot 22 maart 2016 heeft [verdachte] een week een uitkering gehad op grond van de Ziektewet. Voor het overige is er geen inkomen uit arbeid of uitkering bekend. Naar aanleiding van een in de woning aangetroffen curriculum vitae van [verdachte] is nader onderzoek gedaan naar de daarop vermelde werkzaamheden voor [bedrijf] . Volgens [naam] , eigenaar en manager van dit bedrijf, heeft [verdachte] enkele keren als figurant opgetreden in videoclips. Het bedrijf betaalde hem daar niet voor.

Van [medeverdachte 4] is bij de Belastingdienst geen inkomen uit loon of uitkering bekend in de jaren 2012, 2013, 2014, 2015 en 2016. Ook bij de Sociale Recherche is geen dienstverband of uitkering bekend in de periode van 1 januari 2007 tot 22 maart 2016. In de periode 2010-2014 heeft zij een bedrag van € 11.630,- aan kinderbijslag ontvangen, dat is overgemaakt naar de bankrekening van [verdachte] .

[medeverdachte 2] heeft enige inkomsten gehad uit uitkering en loon in de jaren 2012 (€ 698,-), 2014 (€ 225,-), 2015 (€ 1.300,-) en 2016 (€ 242,-). Volgens een rapport van de Belastingdienst heeft zij (waarschijnlijk ten onrechte) zorgtoeslag ontvangen over de jaren 2010 tot en met 2014. Bij de Sociale Recherche zijn van [medeverdachte 2] dienstverbanden bekend via [bedrijf] vanaf 7 mei 2015 (verloning gedurende vier maanden, inkomsten variabel maar niet hoger dan € 93,16 per maand) en via [bedrijf] vanaf 20 november 2015 (verloning gedurende zes maanden, inkomsten variabel maar niet hoger dan € 767,59 per maand).

Bij de Belastingdienst is van [medeverdachte 3] geen inkomen uit loon of uitkering bekend in de

jaren 2012, 2013, 2014, 2015 en 2016. Ook bij de Sociale Recherche zijn over de periode van 1 januari 2007 tot 22 maart 2016 geen dienstverband, uitkering of andere inkomsten bekend.

Tussenconclusie 1

Het hof stelt vast dat alleen [medeverdachte 1] een structureel inkomen uit uitkering heeft. Dit inkomen is onvoldoende om alleen al de hypotheeklasten te betalen. Die bedroegen in de periode van 28 februari 2008 tot en met 30 juni 2008 immers € 1.443,44 per maand, in de periode van 30 juli 2008 tot en met 1 juli 2013 € 1.645,21 per maand en in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 2 april 2015 € 1.226,15 per maand. Zelfs met de sporadische bekende inkomsten uit uitkering of dienstverband van de overige familieleden, is het inkomen volstrekt onvoldoende om te voorzien in de vaste lasten en het levensonderhoud van de familie. Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt dit zonder meer een vermoeden van witwassen.

De kasopstelling

De politie heeft een eenvoudige kasopstelling gemaakt, waarbij is gekeken naar het verschil tussen de legale contante inkomsten van de familie en de contante uitgaven. Als het verschil negatief is, is sprake van contante ontvangsten van onbekende herkomst. Een negatieve kas is immers niet mogelijk: men kan niet meer contant uitgeven dan men fysiek aan kasgeld beschikbaar heeft.

De door de politie opgemaakte berekening komt uit op een onverklaarbaar bedrag aan contante ontvangsten van € 584.408,16. Dit bedrag heeft betrekking op de gezamenlijke kasopstelling van medeverdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en beslaat de onderzoeksperiode van 1 januari 2008 tot 22 maart 2016.

Het bedrag van € 584.408,16 en de auto’s

Het hof zal eerst nader ingaan op de aangeschafte auto’s, omdat de aankoopbedragen zijn meegenomen in de kasopstelling. Een aantal auto’s is daarnaast ook afzonderlijk opgenomen in de tenlastelegging.

De auto’s die ook afzonderlijke in de tenlastelegging zijn opgenomen

Opel Astra met kenteken [kenteken]

Deze auto heeft van 20 juli 2011 tot en met 12 juli 2013 op naam gestaan van [medeverdachte 1] . Op de factuur is vermeld dat de auto op 20 juli 2011 is gekocht voor een bedrag van

€ 2.300,-. De eigenaar van het autobedrijf heeft verklaard dat de kopers contant hebben

betaald.

BMW 118 met kenteken [kenteken]

Deze auto is op 22 januari 2016 op naam van [medeverdachte 2] gezet en op 22 maart 2016 in beslag genomen in [plaats] . De auto werd op dat moment bestuurd door [medeverdachte 2] .

Volgens de verkoper kwamen er op 18 januari 2016 drie personen bij [bedrijf] in [plaats] , een oudere vrouw, een jongere vrouw en een man. De man stelde de jongere vrouw voor als zijn zus. Deze vrouw bleek [medeverdachte 2] te heten. De oudere vrouw werd door de man voorgesteld als zijn moeder. Gekocht werd een rode BMW 1 serie 118 Business Line, voorzien van het kenteken [kenteken] voor de prijs van € 15.575,-. Met aftrek van inruilwaarde werd door de man € 13.350,- contant betaald. De auto is enkele dagen later opgehaald door [medeverdachte 2] .

Mercedes met kenteken [kenteken]

Deze auto staat sinds 17 oktober 2015 op naam van [medeverdachte 2] . Uit onderzoek is gebleken dat de auto op die datum is gekocht bij [bedrijf] . De verkoper heeft twee facturen ter beschikking gesteld. Dit betreft een inkoopfactuur van een BMW met kenteken [kenteken] voor een bedrag van € 13.950,- en een verkoopfactuur van de verkoop van een Mercedes Benz personenauto met het kenteken [kenteken] voor een bedrag van € 24.950,-. Op de facturen staat alleen de naam [achternaam verdachte] en het adres [adres] in [plaats] . De verkoper kon zien dat er contant is betaald.

BMW met kenteken [kenteken]

De auto is op 8 mei 2013 gekocht door [naam] voor een bedrag van € 20.500,-. Met inruil van een Mercedes met kenteken [kenteken] ter waarde van € 7.000,- werd een bedrag van

€ 13.500,- betaald door [naam] . In de woning aan de [adres] is de factuur aangetroffen en ook een vrijwaringsbewijs voor [naam] . Van 17 februari 2014 tot en met 17 oktober 2015 heeft deze auto op naam gestaan van [medeverdachte 2] . De politie heeft uit deze informatie de conclusie getrokken dat [medeverdachte 2] geld voor de auto heeft betaald aan [naam] en heeft bij gebreke van informatie over banktransacties van [medeverdachte 2] met betrekking tot de auto tevens geconcludeerd dat dit contant geld is geweest. Het hof deelt deze conclusies en zal een bedrag van € 13.500,- hanteren, nu dit het bedrag is dat door [naam] is betaald. Hierbij is ook van belang dat [medeverdachte 2] tijdens haar verhoor geen verklaring heeft gegeven voor het op haar naam stellen van de auto en niet heeft verklaard dat de auto door [naam] aan haar is geschonken.

Mercedes met kenteken [kenteken]

Het hof overweegt dat voor deze auto geen bewezenverklaring kan volgen omdat deze is betaald door [naam] en bestemd was voor [medeverdachte 5] . Van enige betrokkenheid van de (overige) verdachten bij de aanschaf of het gebruik van deze auto is niet gebleken. Ook heeft de auto niet op naam van één van hen gestaan.

Opel Corsa met kenteken [kenteken]

Deze auto staat sinds 15 februari 2016 op naam van [verdachte] . De auto is op die datum door [naam] verkocht aan [verdachte] , die contant € 500,- heeft betaald.

BMW 525i met kenteken [kenteken]

Deze auto is op 24 mei 2012 ingevoerd in opdracht van [verdachte] en is op 29 mei 2012 op zijn naam gezet. Op de factuur van [bedrijf] van 28 maart 2012 staat een bedrag van € 12.400,-. Deze transactie is niet op de bankafschriften terug te vinden. Daarom wordt geconcludeerd dat dit bedrag contant is voldaan.

De auto’s die niet afzonderlijk in de tenlastelegging zijn opgenomen

Mazda met kenteken [kenteken]

Deze auto staat sinds 15 juli 2015 op naam van [medeverdachte 1] . Op deze datum is de auto gekocht door [medeverdachte 1] . Hierbij is een andere auto ingeruild. Het resterende bedrag van

€ 450,- is contant betaald.

Volkswagen Polo met kenteken [kenteken]

Van 30 mei 2012 tot en met 22 januari 2016 heeft deze auto op naam van [medeverdachte 2] gestaan. Deze Volkswagen is op 30 mei 2012 door [naam] van [bedrijf] verkocht aan [medeverdachte 2] uit [plaats] voor € 3.000,-. Van dat bedrag is € 500,- overgemaakt naar de bankrekening van [naam] , het resterende bedrag is contant betaald.

Het hof zal partieel vrijspreken van de tenlastegelegde voertuigen van het merk BMW (kenteken [kenteken] ) en Mercedes (kenteken [kenteken] ) in verband met de beslissing tot vrijspraak van het tenlastegelegde in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 3] en de verklaring die zij heeft gegeven voor de financiering van deze voertuigen waarvan zij de tenaamgestelde was. Dit betekent dat het hof de voor deze voertuigen contant betaalde geldbedragen van in totaal € 26.413,- in mindering zal brengen op het totaalbedrag aan contante uitgaven.

Het bedrag van € 584.408,16

Het beginsaldo en het eindsaldo

Verdachten zijn in augustus 2016 door de politie bevraagd over hun financiële situatie. Zij hebben zich daarbij beroepen op hun zwijgrecht. In december 2017 hebben verdachten verklaringen afgelegd. Voor zover uit die verklaringen zou moeten worden afgeleid dat verdachten op 1 januari 2008 nog beschikten over contante geldbedragen, overweegt het hof het volgende.

In de eerdergenoemde inkomensverklaring van februari 2006 ten behoeve van de herfinanciering van de woning is het volgende opgenomen: “Wij hopen een hypotheek van rond de 4 ton af te kunnen sluiten. Daarvan zal een aanzienlijk gedeelte gereserveerd worden, om in ieder geval minimaal een periode van 1,5 jaar te overbruggen. Het is namelijk zo dat de financiële situatie verbeterd zal worden binnen korte termijn, maar niet binnen deze termijn m.b.t. de herfinanciering.”

Het hof leidt af uit de inkomensverklaring, in combinatie met de verklaring van [medeverdachte 1] dat het na het overlijden van haar man tien à elf jaar geleden ook op financieel vlak heel moeilijk was, dat de financiële situatie van de familie voor de aanvang van de tenlastegelegde periode niet rooskleurig was. De familie wilde het huis verkopen omdat de kosten te hoog waren. Ieder van hen moest bijspringen.

Verdachte en zijn echtgenote, medeverdachte [medeverdachte 4] , hebben verklaard over de bruidsschat die zij bij hun huwelijk hebben gekregen. [medeverdachte 4] kan niets zeggen over de hoogte van de bruidsschat. Volgens [verdachte] was het iets meer dan € 70.000,-. Het huwelijk van [verdachte] en [medeverdachte 4] vond plaats op 14 april 2000. Het hof acht het, gelet op het forse tijdsverloop tot aan 1 januari 2008 en de zorgwekkende financiële situatie waarin de familie verkeerde na het overlijden van [achternaam verdachte] senior, niet aannemelijk dat er bij aanvang van de tenlastegelegde periode nog geld van de bruidsschat over was.

Verdachte en [medeverdachte 4] hebben drie kinderen, een dochter geboren in 2002 en twee zoons geboren in 2008 en 2011. [medeverdachte 4] heeft verklaard bij de geboorte van haar dochter € 4.000,- tot € 5.000,- te hebben ontvangen. Ze wil geen antwoord geven op de vraag wat ze met dat geld heeft gedaan. verdachte heeft enkel verklaard dat er bij de geboorte van zijn dochter ongeveer € 6.000,- aan giften is ontvangen. Het hof overweegt dat de dochter is geboren in 2002, ruim voor aanvang van de tenlastegelegde periode. Over wat er met het geld is gebeurd, zijn geen verklaringen afgelegd.

Verdachte heeft verklaard dat er € 30.000,- is ingezameld voor een grafsteen voor zijn vader. Dat geld is bij hem terechtgekomen en hij heeft daarvan geleefd en het is beetje bij beetje op gegaan. Ze hadden volgens hem geen keus. Na twee jaar was het geld rond om een steen te laten maken. Vóór 2008 heeft verdachte al een aanbetaling gedaan. De rest heeft hij in 2008 van zijn rekening betaald. Het hof overweegt dat, voor zover er op 1 januari 2008 nog geld beschikbaar was, dit dus kennelijk op de bankrekening van verdachte stond. Voor de kasopstelling, die alleen ziet op contante inkomsten en uitgaven, is dit bedrag dan ook niet relevant. Het betoog van de verdediging, dat het beginsaldo op ten minste

€ 35.000,- moet worden vastgesteld, slaagt dan ook niet.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij op haar 18e verjaardag geld van haar moeder heeft gekregen dat afkomstig was van haar geboortefeest. Dat was een bedrag van € 15.000,-. Zij heeft daar een auto van gekocht.

Het hof stelt vast dat [medeverdachte 2] 18 jaar is geworden op 18 november 2004. Dat [medeverdachte 2] na de aanschaf van haar auto op 1 januari 2008 nog een (aanzienlijk) contant bedrag ter beschikking had, volgt niet uit haar verklaring en acht het hof gelet op het tijdsverloop ook overigens niet aannemelijk.

Het hof overweegt dat verdachten geen volledig beeld hebben willen geven van hun financiële situatie. Wel is duidelijk geworden dat verdachten in de periode tussen het overlijden van [achternaam verdachte] senior in 2005 en 1 januari 2008 financieel in zwaar weer verkeerden. Daarom acht het hof niet aannemelijk dat er op 1 januari 2008 nog contant geld aanwezig was. Het beginsaldo van (mede)verdachten wordt dan ook vastgesteld op € 0,-.

Tijdens de doorzoeking op 22 maart 2016 is in de woning in totaal € 9.144,88 aan contanten aangetroffen. Het hof stelt het eindsaldo vast op dit bedrag.

De door (mede)verdachten en [naam] afgelegde verklaringen bij de raadsheer-commissaris over de contante inkomsten geven het hof geen aanleiding om te komen tot andere vaststellingen.

Contante ontvangsten

Bij het bespreken van de legale contante ontvangsten zal het hof alleen ingaan op de door de politie bij de kasopstelling betrokken posten en bijbehorende bedragen. Op de verklaring van verdachten dat zij (meer) contant inkomen genereerden door gokken, de verkoop van goud en de ontvangst van giften zal het hof later ingaan.

- geldopnamen

In totaal is door verdachten een bedrag van € 81.135,- contant opgenomen van de diverse bankrekeningen.

- [bank 1]

[verdachte] en [medeverdachte 2] hebben in totaal € 3.438,12 aan contant geld ontvangen via [bank 1] .

- [bank 2]

Onder andere [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben in de periode van 1 januari 2008 tot 22 maart 2016 een bedrag van € 40.115,- aan contanten ontvangen van de [bank 2] .

- gokken

Tijdens de doorzoeking op 22 maart 2016 heeft [verdachte] tegenover de rechter- commissaris verklaard over het geld dat bij zijn fouillering is aangetroffen, een bedrag van

€ 750,-. Hij heeft verklaard op 19 maart 2016 in het casino in [plaats] ongeveer € 2.600,- te hebben gewonnen en op 19 en 20 maart 2016 in het casino in [plaats] een bedrag van ongeveer € 1.600,-.

Naar aanleiding van deze verklaring is nader onderzoek gedaan, waaruit volgt dat [verdachte] op genoemde data maximaal een bedrag van € 3.635,20 kan hebben gewonnen. Het hof neemt daarom dit bedrag mee in de berekening.

Feitelijke contante uitgaven

De feitelijke contante uitgaven van verdachten bestonden uit een aantal posten, die het hof hieronder zal bespreken.

- contante stortingen

In totaal is door verdachten een bedrag van € 451.392,86 gestort op hun bankrekeningen.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij contant geld heeft ontvangen van haar zus [naam] . Dat geld heeft [medeverdachte 2] op haar eigen rekening gestort waarna ze de huur heeft betaald van de woning van [naam] in [plaats] . Dit geld moet dus niet als een contante uitgave worden gezien. [naam] heeft verklaard dat de huur van de rekening van [medeverdachte 2] werd betaald omdat zij ( [naam] ) niet kon telebankieren.

De door beide zussen beschreven gang van zaken bevreemdt het hof omdat het dan eerder voor de hand had gelegen dat [naam] iemand zou vragen haar te helpen met telebankieren. Bovendien heeft [medeverdachte 2] in een gesprek tegenover medewerkers van de [bank 3] naar aanleiding van de vele contante stortingen op haar rekening juist verteld dat zij (ook) moeite heeft met internetbankieren, hetgeen niet is weersproken door [medeverdachte 2] en ook niet door verdachte. Van een concrete en te verifiëren onderbouwing, anders dan de abstracte verklaringen van beide zussen, waaruit blijkt dat sprake is van contant geld dat van [naam] afkomstig was, is geen sprake.

- [bank 1]

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben in totaal € 17.784,87 aan contant geld verstuurd via [bank 1] .

Over de transfers van [medeverdachte 2] aan [naam] is ter zitting in eerste aanleg door de verdediging naar voren gebracht dat dit geld van [naam] afkomstig was. Het hof stelt vast dat [medeverdachte 2] zich zowel op 29 augustus 2016 als op 18 december 2017 bij vragen over de money transfers heeft beroepen op haar zwijgrecht. Ook ter zitting in eerste aanleg heeft zij geen verklaring afgelegd. Daarom acht het hof de pas ter zitting in eerste aanleg overgelegde schriftelijke verklaring van [naam] over deze transfers, waaruit overigens niet blijkt waarom deze stortingen naar Zweden zijn gedaan, niet van belang.

In diezelfde schriftelijke verklaring van [naam] staat vermeld dat [medeverdachte 1] de inboedel van [naam] heeft verkocht en daarna een bedrag van € 2.419,50 heeft gestort. Het hof stelt vast dat [medeverdachte 1] zich heeft beroepen op haar zwijgrecht bij vragen over het gebruik van money transfers om geld naar [naam] over te maken. Ook tijdens het verhoor op 18 december 2017 heeft ze niets verklaard over het gebruik van money transfers. Nu [medeverdachte 1] op geen enkele manier heeft willen verklaren over het door haar overgemaakte bedrag, hecht het hof geen waarde aan de schriftelijke verklaring van [naam] .

- aankoop auto’s

Uit hetgeen hiervoor is opgenomen met betrekking tot de aankopen van auto’s volgt dat in totaal een bedrag van € 56.000,- contant is betaald.

- bonnen/facturen die in de woning zijn aangetroffen

In de woning is een aantal bonnen/facturen aangetroffen van contante aankopen. Op een aantal bonnen is vermeld dat de aankopen contant zijn betaald. Dit betreft een totaalbedrag van € 4.093,33.

Over de factuur van [naam] van 11 juni 2015, die ziet op een bedrag van € 3.530,- voor het herstellen van een schutting, overweegt het hof dat uit de bankafschriften van verdachten niet volgt dat deze rekening per bank is voldaan. Daarom gaat het hof ervan uit dat dit bedrag contant is betaald.

De factuur van [bedrijf] van 18 juli 2014 staat op naam van [naam] . Omdat de auto waar deze factuur op ziet (kenteken [kenteken] ) op deze datum op naam van [medeverdachte 2] stond en de bon ook in de woning aan de [adres] is aangetroffen, wordt deze contante uitgave van € 361,27 meegenomen in de berekening.

Daarnaast zijn er contante uitgaven gedaan bij [bedrijf] in [plaats] . In de tenlastegelegde periode is dit een bedrag van € 1.272,15.

Er is verder een bon aangetroffen van de aankoop van een tas van [merk] voor een bedrag van € 229,-. Dit bedrag is contant betaald. De bon vermeldt de naam van [naam] . Zij is een dochter van [verdachte] en [medeverdachte 4] en tijdens een telefoongesprek op 4 maart 2016 wordt verteld dat zij een [merk] tas voor haar verjaardag heeft gekregen. In een ander gesprek van dezelfde datum vertelt ook [naam] zelf dat ze een [merk] tas van haar vader heeft gekregen.

Ten slotte is een bon gevonden van de aankoop van een fiets. Op de factuur van 3 oktober 2015 staat een bedrag van € 165,- en de vermelding dat dit bedrag reeds is voldaan. Het hof stelt vast dat uit de bankafschriften volgt dat er kort voor of op 3 oktober 2015 geen afboeking van dit bedrag is geweest. Daarom gaat het hof ervan uit dat deze

rekening contant is voldaan.

Op basis van de in de woning aangetroffen bonnen en facturen komt het hof tot een bedrag van € 9.650,75 aan contante uitgaven.

- [bank 2]

Verdachten hebben in de periode van 1 januari 2008 tot 22 maart 2016 een bedrag van

€ 43.267,40 contant betaald bij de [bank 2] .

- kosten levensonderhoud

In de kasopstelling is uitgegaan van een bedrag van € 63.485,22, welk bedrag het verschil is tussen de norm van het Nibud en de girale betalingen van verdachten voor levensonderhoud.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat bij deze berekening de Nibud-normen uit 2016 zijn gehanteerd en dat deze niet representatief zijn en geen recht doen aan de situatie van verdachten. Het hof is van oordeel dat onvoldoende concreet is onderbouwd dat van andere (lagere) bedragen zou moeten worden uitgegaan. De enkele stelling dat de norm in 2018 4% hoger ligt dan in 2016 is in dat verband onvoldoende, zeker nu verdachten geen informatie hebben willen geven over de door hen gemaakte kosten van levensonderhoud.

- kosten brandstof

In de kasopstelling is, uitgaande van de auto’s die verdachten in bezit hebben (gehad) en de toepasselijke Nibud-normen, een bedrag van € 35.078,55 opgenomen voor contant betaalde brandstofkosten.

Namens verdachten is naar voren gebracht dat dit bedrag niet passend is voor de familie, omdat hun autogebruik beperkt is en zij beschikten over meerdere auto’s.

Het hof stelt vast dat verdachten zich bij de politie hebben beroepen op hun zwijgrecht als de vraag wordt gesteld hoeveel geld er gemiddeld per week wordt uitgegeven aan brandstof. Ook zwijgen verdachten als hen wordt gevraagd hoeveel kilometer ze op jaarbasis rijden of welke betalingen worden gedaan in relatie tot de auto. Verdachten hebben dus zelf geen inzicht gegeven in hun brandstofkosten.

Uit de beschikbare uittreksels uit het Justitieel Documentatieregister volgt dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] veroordelingen op hun strafblad hebben staan. Het hof stelt vast dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn veroordeeld voor feiten die zij hebben gepleegd in [plaats] , [plaats] en [plaats] . [medeverdachte 2] is veroordeeld voor diefstal uit een woning in [plaats] .

Naast deze veroordelingen zijn er ook mutaties opgemaakt van verdachte situaties. Hieruit

volgt dat [medeverdachte 1] , in een aantal gevallen samen met [medeverdachte 4] , tussen 3 juli 2012 en 8 december 2015 is gezien in [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] en [plaats] . Gelet hierop acht het hof de stelling van de verdediging dat het autogebruik beperkt was, onaannemelijk.

Het hof ziet dan ook geen enkele reden niet uit te gaan van de berekening van de brandstofkosten zoals die door de politie is gemaakt.

Tussenconclusie 2

Dit brengt het hof tot de volgende berekening.

Contante inkomsten:

- gokken: € 3.635,20

Dit is in totaal € 128.323,32.

Contante uitgaven:

- stortingen: € 451.392,86

- [bank 1] : € 17.784,87

- auto’s: € 56.000,-

- bonnen: € 9.650,75

- [bank 2] : € 43.267,40

- voeding/levensonderhoud: € 63.485,22

- brandstof: € 35.078,55

Dit is in totaal € 676.659,65.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat er meer contante uitgaven dan contante inkomsten zijn geweest. Het verschil bedraagt € 548.336,33.

Afkomstig uit enig misdrijf

In zaken waarin een verdenking van witwassen voorligt, geldt het volgende toetsingskader. Voor een bewezenverklaring van het onderdeel "afkomstig uit enig misdrijf" is, gelet op doel en strekking van deze wetsbepaling en mede in het licht van de wetsgeschiedenis, niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dus dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Wel is vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Het is aan het Openbaar Ministerie bewijs naar voren te brengen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

Als de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Zo'n verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn.

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Het hof is van oordeel dat een rechtstreeks verband met een bepaald misdrijf niet kan worden gelegd. Het hof dient dan ook te beoordelen of het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag, waaronder ook de tenlastegelegde auto’s, uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Gokken, goud en giften

Door verdachten zijn verklaringen afgelegd over hun inkomsten. Die komen er in het kort op neer dat er inkomsten waren uit gokken door [verdachte] , van de verkoop van goud en van giften. Het hof moet beoordelen of deze verklaringen concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn.

Gokken

Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij regelmatig gokwinsten had tussen de

€ 500,- en € 1.000,-. Het is wel eens voorgekomen dat hij op een dag in een uurtje € 3.000,- à € 4.000,- heeft verdiend. Hij had rond de € 2.000,- winst per maand.

Het hof is van oordeel dat deze verklaringen over gokopbrengsten niet voldoen aan het criterium dat ze concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Daarbij is van belang dat niet kan worden vastgesteld wat de netto winst van verdachte is geweest als niets bekend is over zijn inleg. Over de ‘winsten’ op 19 en 20 maart 2016 heeft verdachte verklaard dat de inleg nog van die bedragen af moet worden getrokken, maar dat hij niet meer weet hoeveel zijn inleg was. Bij de politie verklaart hij niet concreet over zijn inzetten en tijdens de behandeling ter zitting in eerste aanleg heeft hij aangegeven hierover geen vragen te willen beantwoorden. De pas voor het eerst ter zitting in hoger beroep afgelegde verklaring van verdachte dat hij 100 euro tot 200 euro heeft ingelegd voordat de desbetreffende gokautomaat tot uitbetaling kwam, schuift het hof terzijde. Deze verklaring vindt geen steun in ander bewijsmateriaal en evenmin in de verklaring van [naam] . [naam] , een voormalig medewerker van [bedrijf] die door de verdediging is bevraagd, weet niet weet hoeveel [verdachte] heeft ingezet en ook niet of verdachte dus effectief winst heeft gemaakt.

Er is nader onderzoek gedaan naar de verklaring van verdachte bij de politie, inhoudende dat als hij een leuk bedrag wint, hij dat geld stort om daar betalingen van te kunnen doen. Deze verklaring wordt niet ondersteund door de afschriften van zijn bankrekening.

Integendeel, er worden veelvuldig bedragen gestort en daarna opgenomen bij met name [bedrijf] . Dit wijst erop dat [verdachte] geld stort om te kunnen gaan gokken. Alleen op 8 en 9 augustus 2013 is te zien dat er na het gokken geld wordt gestort waarvan betalingen worden gedaan.

Het hof komt tot de conclusie dat de door verdachte afgelegde verklaring over het genereren van aanzienlijke gokwinsten met behulp van een truc, ongeloofwaardig is en dat geen sprake is van een verklaring die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Goud

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij sieraden heeft verkocht, zoals armbanden en ringen, op het moment dat ze geld nodig had. Ook verdachte heeft verklaard dat als er niet genoeg geld was, er sieraden werden verkocht. Zoals hierboven al is overwogen was de financiële situatie van de familie na het overlijden van [achternaam verdachte] senior in 2005 niet rooskleurig.

Gelet hierop acht het hof het hoogst onwaarschijnlijk dat de familie op 1 januari 2008 nog in het bezit was van sieraden waarvan de opbrengst na verkoop voldoende zou zijn om jarenlang te voorzien in het levensonderhoud van de familie.

Over de overige verklaringen van verdachten over de verkoop van sieraden overweegt het hof het volgende.

[medeverdachte 1] heeft verklaard twee riemen en een kroon te hebben verkocht. Hierbij is zij geholpen door [naam] , die inmiddels is overleden. De dochter van [naam] is door de politie verhoord over deze transacties. Zij heeft verklaard dat haar vader haar heeft verteld dat de riemen in 2008 zijn verkocht voor € 36.000,- en dat de kroon in 2009 is verkocht voor

€ 46.000,-. Het hof overweegt dat dit een de auditu-verklaring is, die op geen enkele wijze nader wordt onderbouwd. Daarom hecht het hof geen waarde aan de verklaring van [naam] . Over andere verkopen kan [medeverdachte 1] niet meer vertellen dan dat ze in [plaats] sieraden verkocht en dat ze daar geen bonnetje of ander bewijs van kreeg.

Bij de politie heeft [medeverdachte 2] verklaard dat ze een ketting heeft verkocht in [plaats] en dat ze daar € 10.000,- voor heeft gekregen. Zij heeft geen kwitantie gekregen en wil niet ingaan op de vraag of ze vaker sieraden heeft verkocht in [plaats] .

Verdachte heeft verklaard in 2011 in Italië een ketting te hebben verkocht voor € 11.000,-. Hij durft niet in te schatten wat hij in totaal aan goud heeft verkocht.

[medeverdachte 4] wil geen antwoord geven op de vraag of zij wel eens sieraden heeft verkocht.

Wat betreft de verschillende afgelegde verklaringen over de verkoop van sieraden geldt dat het hof wil aannemen dat er sieraden door de familie zijn verkocht, maar dat de betreffende verklaringen niet of onvoldoende concreet en/of verifieerbaar zijn. Als al wordt verklaard over de verkoop van een specifiek sieraad, dan is niet bekend wanneer dit precies is geweest. Ook ontbreekt in die gevallen een kwitantie of ander schriftelijk stuk over de verkoop. Naar het oordeel van het hof kan de benodigde verdiepingsslag in de beoordeling van de verklaringen dan ook niet worden gemaakt en hebben verdachten te weinig aanknopingspunten gegeven voor nader onderzoek naar de verkoop van sieraden die legaal in eigendom waren bij verdachten.

Ter zitting zijn wel enkele foto’s overgelegd waarop personen te zien zijn die sieraden dragen. Het hof hecht geen waarde aan deze foto’s omdat niet van alle foto’s duidelijk is wie er op staan, wanneer deze zijn genomen, wanneer de betreffende sieraden dan zouden zijn verkocht en wat de verkoopprijs was.

Giften

Door verdachten is verklaard dat zij geld kregen, onder andere het geld dat bij hun eigen geboorte geschonken was, hun huwelijk of de geboorte van een kind.

Het hof wil in zijn algemeenheid ook aannemen dat er giften zijn gedaan, maar is ook op dit punt van oordeel dat de verschillende afgelegde verklaringen onvoldoende concreet en niet min of meer verifieerbaar zijn. Daarbij overweegt het hof het volgende over de giften die in de tenlastegelegde periode zijn ontvangen.

[medeverdachte 4] heeft verklaard dat ze voor haar zoons, geboren in 2008 en 2011, ongeveer

€ 4.000,- per kind heeft gekregen. Dat geld heeft ze bewaard. Op de vraag wat ze daarmee bedoelt, wil [medeverdachte 4] verder geen antwoord geven. Haar echtgenoot, verdachte [verdachte] , heeft (eind 2017) verklaard dat zijn dochter “rond de € 6.000 en wat sieraden” kreeg, maar in diezelfde verklaring geen bedragen genoemd als het over de geboortegeschenken van zijn zoons gaat en verklaard dat een jongen “een ring, een armband en een ketting” (het hof begrijpt: sieraden) krijgt, zodat de verklaring van [medeverdachte 4] reeds in zoverre niet concreet wordt ondersteund. Nu er bovendien geen verklaring is afgelegd over wat er met het geld is gebeurd, zou uit de verklaring van [medeverdachte 4] volgen dat het geld bewaard is gebleven en er dus geen contante uitgaven mee zijn betaald zodat het eindsaldo kasgeld dienovereenkomstig hoger moet zijn geweest en het geld dus geen impact heeft op de kasopstelling.

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat zij geld en cadeaus kreeg van haar ex-vriend, [naam] , met wie ze vanaf 2011 een relatie had. Uit onderzoek naar de financiële situatie van [naam] volgt echter dat hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 22 maart 2016 gemiddeld over € 3.000,- per jaar aan legale inkomsten beschikte. Zoals vermeld in het proces-verbaal geeft dit niet de indruk dat [naam] zelf veel financiële armslag had. [naam] is ook verhoord, maar heeft geen antwoord willen geven op de vraag hoeveel hij per maand vrij te besteden had. Ook heeft hij niet willen vertellen hoe hij zijn motor en auto heeft betaald. Gelet hierop acht het hof niet aannemelijk dat [naam] voldoende (legale) financiële middelen had om een aanzienlijke bijdrage te leveren aan het levensonderhoud van [medeverdachte 3] , zodat het hof – bij gebrek aan andere aanknopingspunten – ervan uitgaat dat in haar levensonderhoud in belangrijke mate is voorzien door (mede)verdachten, zeker in de dagen dat zij thuis verbleef.

Tussenconclusie 3

Naar het oordeel van het hof voldoen de verklaringen van verdachten over het door hen gestelde inkomen in de tenlastegelegde periode uit -kort gezegd- gokken, goud en giften niet aan het te hanteren criterium van een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring.

Dit betekent dat er voor het Openbaar Ministerie geen reden was meer of ander onderzoek in te stellen dan is verricht. Dat er veel contant geld in omloop was omdat dat in de [bevolkingsgroep] -cultuur gebruikelijk is en er niet overal bonnetjes van zijn, is een constatering die het hof niet tot een andere conclusie brengt.

Andere relevante omstandigheden

Bij de beoordeling van de vraag of het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag en de auto’s uit enig misdrijf afkomstig zijn, acht het hof ook het volgende van belang.

Justitiële documentatie en mutaties

Uit de in het dossier beschikbare uittreksels uit het Justitieel Documentatieregister volgt dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] veroordelingen op hun strafblad hebben staan die het hof relevant acht. Het gaat om meerdere veroordelingen kort voor of in de tenlastegelegde periode voor met name diefstallen en woninginbraken, die grotendeels in vereniging zijn gepleegd. Het hof benoemt in het bijzonder dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] drie keer zijn veroordeeld voor feiten die zij (op 29 februari 2008, 7 augustus 2008 en 2 november 2009) samen hebben gepleegd.

Naast deze veroordelingen zijn er over deze drie verdachten ook mutaties opgemaakt van verdachte situaties. Voor [medeverdachte 1] gaat het dan om in totaal 27 meldingen in de periode van 7 juni 2011 tot en met 9 december 2015. Ten aanzien van [medeverdachte 4] gaat het om 19 meldingen in de periode van 26 januari 2011 tot en met 8 december 2015 en over [medeverdachte 2] zijn drie meldingen opgemaakt in de periode van 30 maart 2012 tot en met 25 mei 2015. Ook voor een groot deel van de mutaties geldt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] samen worden gezien. Het hof stelt verder vast dat het in een flink aantal gevallen gaat om het met een smoes binnendringen van een woning (van iemand op leeftijd).

De sieraden in de woning

Bij de doorzoeking op 22 maart 2016 is een hoeveelheid sieraden in beslag genomen. Deze sieraden zijn nader onderzocht door een deskundige, waarbij ook is gekeken naar de herkomst van de sieraden. De deskundige heeft dit op de lijst met sieraden met "ja" en "nee" aangegeven. De aanduiding “ja” wil zeggen dat dit sieraad qua uiterlijk/vormgeving niet past bij mensen uit de [bevolkingsgroep] -cultuur maar dat dit meer gebruikelijk is bij andere bevolkingsgroepen. Volgens de deskundige hebben mensen uit de [bevolkingsgroep] cultuur niets met sieraden die voorzien zijn van parels, bloedkoraal en bepaalde edelstenen. Tevens is het goud te onderscheiden in Turks goud, Marokkaans goud, Surinaams goud en Indonesisch goud.

Ook zitten er typisch Hollandse sieraden tussen. De sieraden die qua uiterlijk passen bij mensen uit de [bevolkingsgroep] -cultuur en die sieraden waarvan er, volgens de deskundige, vele zijn gemaakt (en die dus minder uniek zijn) zijn door de deskundige met “nee” beoordeeld. Het hof stelt vast dat achter 57 sieraden een “ja” staat en achter 57 sieraden een “nee”.

Over twee schakelkettingen heeft de deskundige verklaard dat dit Indonesisch goud is, voorzien van een bijzondere sluiting. Deze sluitingen zijn verbogen, mogelijk doordat de schakelketting met kracht van de drager is afgerukt.

Naar aanleiding van een oproep in de media heeft [naam] zich gemeld omdat ze een armband van haar moeder, [naam] , herkende. [naam] heeft deze armband ook herkend aan

de specifieke bewerking. Een paar oorbellen is mogelijk ook van haar. Een van de oorbellen mist een hangertje, zoals dat bij die van [naam] ook het geval is. Rond de ramadan van 2012 zijn de sieraden weggenomen uit de woning van [naam] .

[medeverdachte 1] heeft vaag en wisselend over de herkomst van de in de woning aangetroffen sieraden. Aanvankelijk verklaart ze dat het haar sieraden zijn, maar in het vervolg van het verhoor wil ze verder geen informatie geven. Bij confrontatie met de onderzoeksresultaten van de deskundige, die inhouden dat een groot deel van de sieraden van oorsprong thuishoort bij bevolkingsgroepen uit Marokko, Indonesië, Suriname en Nederland, heeft [medeverdachte 1] geen antwoord en wil ze verder geen vragen beantwoorden. Ook over een Rolex horloge met een inscriptie in het Duits (“voor 40 trouwe dienstjaren”) verklaart ze niets.

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] willen geen antwoord geven op de vraag welke sieraden van hen zijn. [verdachte] heeft enkel verklaard dat wat in zijn kamer lag van hem is. Over de andere sieraden wil hij niet verklaren.

Tussenconclusie 4

Nu de door verdachten afgelegde verklaringen over de herkomst van hun inkomen, in het bijzonder de contante geldstromen, pas in een laat stadium, niet concreet onderbouwd en/of niet min of meer verifieerbaar zijn, komt het hof tot de conclusie dat dat het niet anders kan dan dat een geldbedrag van enkele tonnen en auto’s, uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Het hof acht bewezen dat een geldbedrag in de orde van grootte van enkele tonnen en de auto’s met de kentekens [kenteken] , [kenteken] , [kenteken] , [kenteken] , [kenteken] en [kenteken] middellijk dan wel onmiddellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf, zeker ook gelet op de veroordelingen en mutaties, in combinatie met de in de woning aangetroffen sieraden, over de herkomst waarvan verdachten niet hebben willen verklaren.

Wetenschap en medeplegen

Het hof overweegt dat voor een bewezenverklaring van ‘wetenschap’ voldoende is dat bewezen wordt dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat sprake is van een voorwerp met een criminele herkomst.

Naar het oordeel van het hof wisten (mede)verdachten, behoudens medeverdachte [medeverdachte 3] die door het hof bij gelijktijdig gewezen arrest van 26 november 2025 is vrijgesproken van het tenlastegelegde, dat het geld (waarvan werd geleefd en waarmee de auto’s werden betaald) afkomstig was uit misdrijf. Zij woonden bij elkaar in één woning en voerden, zoals het hof al eerder heeft overwogen, een gezamenlijke huishouding. Zij waren ervan op de hoogte dat er een forse hypotheek op de woning rustte, terwijl verdachte, zijn moeder [medeverdachte 1] en zijn zus [medeverdachte 2] wisten dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] er “om niet” woonden. Er werden veel uitgaven gedaan, waaronder uitgaven ten behoeve van de woning zoals hypotheeklasten, terwijl alleen [medeverdachte 1] een noemenswaardig inkomen genoot uit een uitkering. De uitkering van [medeverdachte 1] was echter volstrekt ontoereikend om alle woonlasten en de kosten van levensonderhoud te kunnen voldoen.

Het hof acht daarbij ook van belang dat [medeverdachte 1] in de tenlastegelegde periode in detentie heeft gezeten (van 7 augustus 2008 tot en met 4 januari 2009, van 4 januari 2009 tot en met 17 januari 2009, van 2 november 2009 tot en met 18 januari 2010 en van 18 januari 2010 tot en met 19 februari 2010). [medeverdachte 1] is in één van de zaken veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden. Ook [medeverdachte 4] heeft binnen de tenlastegelegde periode twee maal gedetineerd gezeten, namelijk van 2 november 2009 tot en met 17 februari 2010 en van 8 april 2010 tot en met 22 april 2010. Het hof acht het daarom volstrekt onaannemelijk dat de overige verdachten niet van de reden van de afwezigheid van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] en van criminele bezigheden die plaatsvonden op de hoogte zijn geweest.

Gelet hierop en op hetgeen ten aanzien van het bestaan van een gezamenlijke huishouding is overwogen, acht het hof ook het medeplegen bewezen.

Handelingen

Nu sprake is van medeplegen en verdachten een gezamenlijke huishouding voerden, acht het hof, anders dan de verdediging, niet van belang wie precies welk geldbedrag heeft witgewassen, op wiens naam de auto’s hebben gestaan en wie in welke auto’s heeft gereden.

Naar het oordeel van het hof is bewezen dat verdachten samen een groot geldbedrag van enkele tonnen en de in de tenlastelegging genoemde auto’s voorhanden hebben gehad, deze voorwerpen hebben overgedragen en/of omgezet en van deze voorwerpen gebruik hebben gemaakt.

Het hof geeft zich er rekenschap van dat ten aanzien van het tenlastegelegde verwerven van de voertuigen sprake is van een potentiële dubbeltelling in de tenlastelegging. Het hof zal daarom partieel vrijspreken voor wat betreft dit verwerven van voertuigen, omdat tenlastegelegde geldbedragen zijn aangewend voor de aanschaf van de in de bewezenverklaring genoemde voertuigen.

Ten overvloede: omdat in de tenlastelegging verschillende witwashandelingen zijn opgenomen is er geen sprake van een nietige tenlastelegging in verband met de genoemde potentiële dubbeltelling.

Gewoontewitwassen

Gelet op de hoogte van het geldbedrag, de frequentie van de handelingen en de periode van ruim acht jaar is het hof van oordeel dat verdachten een gewoonte hebben gemaakt van witwassen.

Eindconclusie feit 1

Het voorgaande betekent dat het hof het feit wettig en overtuigend bewezen acht zoals hierna onder het kopje ‘Bewezenverklaring’ is vermeld.

De beoordeling van feit 2 door het hof

In het dossier bevindt zich een inkomensverklaring, gedateerd 26 mei 2007, voor een hypotheek met als onderpand de woning op het adres [adres] in [plaats] . Op dit formulier staat [verdachte] als ‘geldnemer 1’ vermeld. Verder is vermeld dat zijn jaarinkomen € 68.364,- bedraagt. In de verklaring staat dat de geldnemer en de hypotheekadviseur de inkomensbescheiden gezamenlijk hebben bestudeerd. Zij verklaren dat het jaarinkomen € 68.364,- bedraagt en verder, ieder voor zich en gezamenlijk, dat het opgegeven inkomen gelijk is aan het werkelijke inkomen. De hypotheekadviseur verklaart ook dat de geldlening geschikt is voor de geldnemer. De handtekening van [verdachte] staat op de verklaring. Het formulier is verder ondertekend door [naam] , adviseur van [bedrijf] .

Uit informatie van de Sociale Recherche volgt dat van verdachte geen dienstverband bekend is in de periode van 1 januari 2007 tot 22 maart 2016. In de door de familie opgestelde verklaring van februari 2006 is vermeld dat verdachte werkzoekende is en een voorlopige uitkeringsaanvraag heeft gedaan. Dit betekent dat in strijd met de waarheid in de verklaring is opgenomen dat verdachte een jaarinkomen van € 68.364,- had.

Verdachte heeft zich weliswaar laten bijstaan door professionals, maar het hof is van oordeel dat verdachte door het plaatsen van zijn handtekening de inhoud van de verklaring voor zijn rekening heeft genomen. De vermelding van de hoogte van het inkomen is naar het oordeel van het hof niet zodanig ingewikkeld dat verdachte niet heeft begrepen waar hij zijn handtekening onder zette.

Op 22 juni 2007 heeft [bedrijf] een acceptatiebevestiging hypothecaire lening opgemaakt. De hypotheekakte is op 26 juni 2007 opgemaakt.

Het hof is van oordeel dat feit 2 primair wettig en overtuigend is bewezen.

Voorwaardelijk verzoek horen getuigen

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting – voor zover het hof op basis van het beschikbare dossier tot een veroordeling zou komen – een verzoek gedaan tot het horen van zeventien personen als getuige en het horen van één persoon als getuige-deskundige zoals vermeld onder randnummer 92 van de pleitnota in hoger beroep. Het hof verwijst voor de onderbouwing van deze verzoeken naar bijlagen 1 en 2 bij de pleitnota en naar het proces-verbaal ter terechtzitting van 22 oktober 2025.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld – kort en zakelijk weergegeven – dat de verzoeken dienen te worden afgewezen.

De beoordeling door het hof

Getuigen

De verdediging heeft verzocht de navolgende getuigen te horen:

1. Mevrouw [naam] ;

2. De heer [naam] ;

3. De heer [naam] ;

4. Mevrouw [naam] ;

5. De heer [naam] ;

6. De heer [naam] ;

7. De heer [naam] ;

8. De heer [naam] ;

9. Mevrouw [naam] ;

10. De heer [naam] ;

11. De heer [naam] ;

12. De heer [naam] ;

13. Mevrouw [naam] ;

14. De heer [naam] ;

15. De heer [naam] ;

16. De heer [naam] ;

17. De heer [naam] ;

18. Deskundige de heer [naam] , cultureel anthropologist.

Beoordeling

Ten aanzien van de getuigenverzoeken overweegt het hof in algemene zin dat voor het grootste deel van deze verzoeken door de verdediging een gelijkluidende of grotendeels gelijkluidende motivering is gegeven als op de regiezitting die heeft geleid tot het tussenarrest van het hof van 8 april 2022. De betreffende verzoeken zijn in dit tussenarrest afgewezen. In het kader van de nieuwe beoordeling van de verzoeken in dit arrest wordt door het hof om te beginnen verwezen naar de motivering van de afwijzing van de verzoeken in het genoemde tussenarrest.

Voor het overige overweegt het hof ten aanzien van de individuele getuigenverzoeken nog het volgende.

Ad 1. Anders dan de rechtbank heeft het hof de verklaring van [naam] als getuige niet voor het bewijs gebruikt. Het verzoek is bovendien onvoldoende concreet onderbouwd en het hof acht de verdediging niet in haar belangen geschaad door het niet horen van [naam] als getuige. Het hof wijst het verzoek af.

Ad 2. Het hof constateert dat de verklaring van [naam] zoals opgetekend in het proces-verbaal van bevindingen op pagina’s 5023 en 5024 van het dossier door de rechtbank voor het bewijs is gebruikt. Anders dan de rechtbank gebruikt het hof de verklaring van de getuige niet voor het bewijs. Het hof wijst het verzoek af en acht de verdediging niet in haar belang geschaad door het niet horen van [naam] als getuige.

Ad 3 tot en met 5. Volgens de raadsman kunnen deze personen een (andere) verklaring afleggen over het beginsaldo op 1 januari 2008 (de nul-situatie). Het hof wijst het verzoek tot het horen van [naam] , [naam] en [naam] als getuige af. De verklaringen van deze personen zijn door het hof niet gebruikt voor het bewijs. Bovendien heeft het hof bij tussenarrest van 8 april 2022 het horen van de (mede)verdachten als getuigen toegewezen. Zij zijn in de gelegenheid gesteld een verklaring af te leggen over hun inkomsten en het beginsaldo op 1 januari 2008. Het hof is van oordeel dat de verdediging door het niet horen van de genoemde personen als getuige niet in haar belang wordt geschaad.

Ad 6. De raadsman heeft zich voor wat betreft het horen van [naam] als getuige aan het oordeel van het hof gerefereerd en kenbaar gemaakt geen verweer te voeren ten aanzien van de sieraden. Het hof begrijpt dat de verdediging geen verweer voert ter zake de bevindingen van de deskundige [naam] , die het hof voor het bewijs heeft gebruikt. Om die reden is het hof van oordeel dat van een verdedigingsbelang met betrekking tot het horen van de deskundige als getuige niet is gebleken. Het hof wijst het verzoek daarom af.

Ad 7. De raadsman heeft gesteld dat [naam] kan verklaren over de winsten die zijn behaald of kunnen worden behaald in bepaalde casino’s. Ook heeft hij wellicht nog herinneringen aan hoeveel door verdachte is ingelegd. Het hof stelt vast dat [naam] in zijn uitvoerige schriftelijke verklaring heeft gesteld niets te kunnen zeggen over de door verdachte gehanteerde inleg. Concreet gesteld noch concreet gebleken is dat getuige [naam] thans wel iets kan zeggen over de inleg van verdachte en de concrete uitbetaling aan verdachte per gokautomaat. Gelet hierop acht het hof ontoereikend gemotiveerd waarom het horen van de getuige thans nog in het belang van de verdediging is. Het hof is niet gebleken van een verdedigingsbelang en wijst het verzoek af.

Ad 8 en 9. De raadsman heeft zich gerefereerd ten aanzien van het horen van [naam] en [naam] als getuige. Het hof heeft de verklaringen van deze personen niet voor het bewijs gebruikt. Nu een nadere toelichting van het belang van het horen van de getuigen niet is gegeven, acht het hof de verdediging niet in haar belang geschaad door het niet horen van deze personen als getuige. Het hof wijst de verzoeken af.

Ad 10 en 11. De raadsman heeft gesteld dat verdachte de inhoud van het gespreksverslag met de medewerkers van de [bank 3] betwist. Anders dan de rechtbank gebruikt het hof het gespreksverslag van de [bank 3] ten aanzien van verdachte van 26 maart 2015 op pagina’s 1640 en 1641 van het dossier niet voor het bewijs. Wel gebruikt het hof het gespreksverslag van de [bank 3] ten aanzien van [medeverdachte 2] van 25 februari 2015 op pagina 1639 voor het bewijs met betrekking tot een specifiek onderdeel, namelijk dat [medeverdachte 2] moeite heeft met internetbankieren. Het gespreksverslag is op dit punt niet concreet betwist, zodat niet toereikend is gemotiveerd waarom het alsnog horen van deze medewerkers in het belang van de verdediging is. Het hof wijst de verzoeken af en acht de verdediging door het niet horen van [naam] en [naam] niet in haar belang geschaad.

Ad 12 en 13 en 14 tot en met 16. Volgens de raadsman zouden deze personen kunnen verklaren over giften na het overlijden van de vader van verdachte en andere giften tijdens een huwelijks- en geboortefeest van verdachte en [medeverdachte 4] . De vermeende giften zouden echter geruime tijd voor de tenlastegelegde periode zijn gedaan. Het hof heeft hiervoor vastgesteld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de familie op 1 januari 2008 nog in het bezit was van die giften of de opbrengst daarvan. Hoewel het hof best wil aannemen dat er giften zijn gedaan, kunnen de gevraagde getuigen naar het oordeel van het hof niet verklaren over de totale waarde van de giften. Evenmin heeft het hof verklaringen van de gevraagde getuigen voor het bewijs gebruikt. Het hof wijst de verzoeken af en acht de verdediging door het niet horen van de gevraagde getuigen niet in haar belang geschaad.

Ad 17. De raadsman heeft zich gerefereerd ten aanzien van het horen van [naam] als getuige en heeft daarbij opgemerkt zijn verklaring wel duidelijk te vinden. Het hof stelt vast dat [naam] eerder heeft verklaard en antwoord heeft gegeven op vragen van de verdediging of aangegeven daar geen herinnering meer aan te hebben. Bovendien heeft de getuige verklaard nauwelijks contact te hebben gehad met de familie. Het hof wijst het verzoek af en acht de verdediging door het niet horen van [naam] als getuige niet in haar belang geschaad.

Ad 18. Het hof wijst het verzoek tot het benoemen en horen van [naam] als deskundige af, nu de deskundige niet kan verklaren over concrete geldstromen binnen de familie. Evenmin heeft het hof een verklaring van deze deskundige of een door hem opgesteld verslag voor het bewijs gebruikt. Met de afwijzing van het verzoek acht het hof de verdediging niet in haar belang geschaad.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.hij, in of omstreeks de periode van 01 januari 2008 tot en met 22 maart 2016 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen, (telkens) één of meer voorwerp(en), te weten

(een) geldbedrag(en) van (in totaal) 584.408,16 euro, althans enig geldbedrag heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van die/dat bovenomschreven voorwerp(en), gebruik heeft gemaakt en/of

een of meer voertuigen (te weten: Opel Astra met kenteken [kenteken] en/of BMW 118 met kenteken [kenteken] en/of Mercedes met kenteken [kenteken] en/of BMW met kenteken [kenteken] en/of Mercedes met kenteken [kenteken] en/of Opel Corsa met kenteken [kenteken] en/of BMW 525i met kenteken [kenteken] ) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van die/dat bovenomschreven voorwerp(en), gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - (al dan niet gedeeltelijk) afkomstig waren uit enig misdrijf,

terwijl hij van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;

2.

hij, verdachte, op of omstreeks 26 mei 2007, te [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, een inkomensverklaring (ten behoeve van het aangaan van een hypothecaire lening betreffende het onderpandadres [adres] te [plaats] ), zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt,

immers hij, verdachte, heeft toen en daar valselijk in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-

* op die inkomensverklaring op naam van geldnemer (zijnde verdachte) een jaarinkomen van euro 68.364,- ingevuld en/of

* die inkomensverklaring na de zinsnede: "Aldus verklaren wij, ieder voor zich en gezamenlijk, dat een adequate overweging is gemaakt om deze lening aan te gaan en dat het door ons opgegeven inkomen gelijk is aan het werkelijke inkomen. De adviseur verklaart hierbij ook dat de hypothecaire lening geschikt is voor de geldnemer(s)." voorzien van zijn naam en handtekening en/of

* die inkomensverklaring laten ondertekenen door een adviseur van [bedrijf] ,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen.

Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

valsheid in geschrift.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd – kort en zakelijk weergegeven – verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zestien maanden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij een bewezenverklaring geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen. Hierbij is gewezen op de ouderdom van de feiten, de forse schending van de redelijke termijn in hoger beroep en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is bereid een werkstraf te verrichten en daarnaast kan eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd.

De beoordeling door het hof

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.

Verdachte heeft valsheid in geschrift gepleegd en zich samen met enkele familieleden schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Dit laatste feit bestrijkt een periode van ruim acht jaren en ziet op een fors bedrag. Het hof overweegt dat alles erop wijst dat witwassen binnen de gezamenlijke huishouding van verdachten een ‘way of life’ was. Verdachte heeft hiermee bijgedragen aan het verhullen en daarmee aan het zicht onttrekken van de opsporingsautoriteiten van verdiensten uit criminele activiteiten. Witwassen dekt immers de onderliggende strafbare feiten af en faciliteert aldus andere -winstgevende- vormen van criminaliteit. Daarnaast heeft witwassen van geld een ontwrichtende werking op de integriteit van het financiële en economische verkeer.

Voorts heeft verdachte zich bij het afsluiten van een hypotheek voor de woning schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door het valselijk opmaken van een inkomensverklaring, met het oogmerk dit formulier te gebruiken voor het verkrijgen van een hypotheek op basis van een gefingeerd inkomen. Door aldus te handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met een bewijsbestemming alsook van het vertrouwen van een hypotheekverstrekker die ervan uit moet kunnen gaan dat overgelegde documenten naar waarheid zijn opgemaakt.

Verdachte lijkt zich niet te hebben bekommerd om de gevolgen van zijn gedragingen voor de samenleving waar hij deel van uitmaakt en enkel te hebben gehandeld uit eigen financieel en materieel gewin. Het hof rekent dit alles verdachte aan.

Bij het bepalen van de straf heeft het hof ook gelet op de rechterlijke oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) bij fraude en op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Naar het oordeel van het hof is de rol van verdachte bij de witwaspraktijken van de familie aanzienlijk geweest, gelet op de omvang van de geldstromen van en naar verdachte en zijn centrale rol binnen de familie die onder meer blijkt uit het feit dat de volledige eigendom van de woning bij hem berust.

Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van het uittreksel uit de justitiële documentatie (strafblad) van verdachte van 15 september 2025, dat inhoudt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat weegt het hof echter niet ten nadele, maar ook niet ten voordele van verdachte mee bij het bepalen van de straf.

Verder is het hof met de raadsman van oordeel dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Verdachte heeft op 11 februari 2019 hoger beroep ingesteld. Het hof heeft de zaak hierna voor het eerst behandeld op de regiezitting van 25 maart 2022. Bij tussenarrest van 8 april 2022 heeft het hof een aantal getuigenverzoeken toegewezen. Daarna heeft het hof de zaak pas opnieuw geappointeerd voor inhoudelijke behandeling op 12 februari 2025. Omdat vervolgens in enkele zaken van de (mede)verdachten de verdediging werd neergelegd en ook in een aantal zaken een aanhoudingsverzoek werd gedaan, heeft het hof vanwege de verwevenheid van de zaken besloten alle zaken aan te houden. Hierna heeft het hof de zaak inhoudelijk behandeld op 22 oktober 2025. Het hof doet einduitspraak op 26 november 2025, derhalve zes jaar en ruim negen maanden na het instellen van hoger beroep. Vanwege de omvang van het opsporingsonderzoek, de gelijktijdige berechting van zes (mede)verdachten en de omstandigheid dat enkele door de verdediging (ook in de strafzaken van medeverdachten) ingediende onderzoekswensen zijn toegewezen, is het hof van oordeel dat de redelijke termijn in hoger beroep in deze zaak op twee jaar en zes maanden moet worden gesteld. De overschrijding in hoger beroep bedraagt daarmee vier jaar en ruim drie maanden.

Het hof zal aan deze termijnoverschrijding in hoger beroep consequenties verbinden. Zonder schending van de redelijke termijn in hoger beroep zou de door de rechtbank opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vierentwintig maanden naar het oordeel van het hof passend zijn geweest.

Anders dan de verdediging, is het hof op grond van de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, in het bijzonder de lange duur van het onder 1 bewezenverklaarde, van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur. Een taakstraf acht het hof daarbij geenszins passend.

Vanwege de schending van de redelijke termijn in hoger beroep en tevens gelet op de ouderdom van de zaak, zal het hof de door het hof in beginsel passend geachte gevangenisstraf van vierentwintig maanden matigen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zestien maanden, met aftrek van voorarrest.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 47, 57, 63, 225 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. C.H. Zuur, voorzitter,

mr. J. Corthals en mr. P.L.M. van Gorkom, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. Y.A. Hoekstra, griffier,

en op 26 november 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. P.L.M. van Gorkom is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 26 november 2025.

Tegenwoordig:

mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter,

mr. A. Lodder, advocaat-generaal,

mr. L. Dijkman, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter sluit het onderzoek ter terechtzitting en spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand