ECLI:NL:GHAMS:2026:2866

ECLI:NL:GHAMS:2026:2866

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 06-10-2026
Datum publicatie 06-10-2026
Zaaknummer 200.367.507/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Beëindiging gezamenlijk gezag. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden het gezamenlijk gezag heeft beëindigd. Het is de afgelopen jaren niet gelukt om verbetering te brengen in de ernstig verstoorde verstandhouding tussen de ouders. Het hof ziet niet in dat hierin binnen afzienbare tijd verbetering zal komen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.367.507/01

zaaknummer rechtbank: C/13/702780 / FA RK 21-3516

beschikking van de meervoudige kamer van 6 oktober 2026 in de zaak van

[de vader] ,

wonende op een bij het gerechtshof bekend adres,

verzoeker in hoger beroep,

hierna: de vader,

advocaat: mr. S.L. Prass te Amsterdam,

en

[de moeder] ,

wonende te [plaats A] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. A. El Aqde te Amsterdam.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,

hierna: de raad.

1. De zaak in het kort

De zaak gaat over het gezag over [minderjarige] (5 jaar).

De rechtbank heeft het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige] beëindigd en bepaald dat de moeder voortaan het gezag over [minderjarige] alleen uitoefent. De vader is het daar niet mee eens en wil dat het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag te beëindigen alsnog wordt afgewezen. De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking.

2. De procedure in hoger beroep

De vader is op 13 april 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 10 maart 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).

De moeder heeft op 5 juni 2026 een verweerschrift ingediend.

Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:

- een bericht van de zijde van de moeder van 20 augustus 2026 met bijlagen;

- een bericht van de zijde van de moeder van 21 augustus 2026 met bijlagen.

De zitting heeft op 31 augustus 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door V. Aelbers.

De advocaat van de vader heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3. De feiten

De vader en de moeder (hier gezamenlijk: de ouders) zijn de ouders van:

- [minderjarige] , geboren [in] 2021 te [plaats A] .

De ouders zijn [in] 2019 met elkaar getrouwd in [plaats B] (Marokko) en op 9 februari 2024 van elkaar gescheiden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van 17 juni 2022.

De ouders oefenden tot de bestreden beschikking gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .

[minderjarige] woont bij de moeder.

Bij beschikking van 30 juli 2021 heeft de rechtbank Amsterdam een voorlopige zorgregeling bepaald waarbij de vader om de dag van 12:00 uur lot 18:00 uur omgang met [minderjarige] heeft.

Bij vonnis in kort geding van 26 oktober 2021 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam bepaald dat de vader voorlopig eenmaal per week omgang met [minderjarige] mag hebben onder begeleiding van het Ouder Kind Team (hierna: OKT), op een door het OKT in overleg met de vader te bepalen moment.

[minderjarige] is in het verleden (bij beschikking van de kinderrechter binnen de rechtbank Amsterdam van 7 juni 2022) onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [plaats A] (hierna: de GI). De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 7 juni 2024.

Bij beschikking van de kinderrechter van 28 oktober 2022 is bepaald dat het contact tussen [minderjarige] en de vader, voor de duur van de ondertoezichtstelling, plaatsvindt onder regie van de GI. Deze beschikking is bekrachtigd door dit hof bij beschikking van 21 november 2023. Op 24 januari 2024 heeft de GI het contact tussen [minderjarige] en de vader stopgezet.

De vader heeft twee keer in kort geding gevorderd dat de GI de begeleide zorgregeling (opnieuw) dient op te starten. De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorzieningen bij vonnissen van 20 december 2023 en 26 maart 2024 geweigerd.

Bij beschikking van 27 augustus 2024 heeft de rechtbank het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling afgewezen. Ook heeft de rechtbank het verzoek van de vader om vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] op vakantie te gaan naar Marokko afgewezen. Het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verlenen voor inschrijving van [minderjarige] op de [school] School in [plaats A] en de voorschool [X] B.V. is toegewezen.

De strafrechter heeft op 15 augustus 2023 aan de vader een contactverbod met de moeder, haar advocaat en opa (mz) opgelegd, voor de duur van drie jaren, tot 15 augustus 2026.

Bij beschikking van 18 oktober 2024 heeft de rechtbank de zorgregeling, zoals vastgesteld bij beschikking van 28 oktober 2022 en bekrachtigd door dit hof bij beschikking van 21 november 2023, gewijzigd inhoudende dat de vader eenmaal per maand voor de duur van anderhalf uur begeleid contact heeft met [minderjarige] onder de daarbij geldende voorwaarden:

- de omgang wordt begeleid door een hierin gespecialiseerde organisatie, namelijk CanLis Nederland of een soortgelijke organisatie, waarbij deze organisatie bepaalt op welke datum en welke locatie het contact plaatsvindt;

- vader gaat niet naar buiten met [minderjarige] ;

- vader neemt maximaal 2 personen mee per omgang vanuit zijn netwerk/familie;

- mocht de verjaardag van [minderjarige] op een doordeweekse dag vallen, dan wordt de omgang tussen vader en [minderjarige] (van die maand) in de oneven jaren op 6 maart gepland;

- wanneer vader een omgang mist, dan wordt deze niet ingehaald;

- wanneer er door onmacht aan de zijde van de moeder de omgang niet door kan gaan, dan wordt de omgang verplaatst naar een nader te bepalen moment;

- de omgangsbegeleider doet de overdracht. De omgangsbegeleidster mag [minderjarige] bij de hand houden wanneer hij/zij dit noodzakelijk acht;

zulks voor de duur van één jaar of zoveel langer als de contactverboden met moeder duren.

Deze beschikking is bekrachtigd door dit hof bij beschikking van 10 juni 2025.

De rechtbank heeft in voornoemde beschikking van 18 oktober 2024 het inleidend verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige] aangehouden en de raad verzocht advies uit te brengen over het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag. De rechtbank heeft de raad verzocht de volgende vragen in het onderzoek te betrekken: Is het gezamenlijk gezag in het belang van het kind te achten? Zijn er andere feiten en omstandigheden die de rechtbank bij haar oordeel moet betrekken?

De raad heeft op 12 juli 2025 een rapport uitgebracht.

4. De omvang van het hoger beroep

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige] beëindigd en bepaald dat de moeder voortaan het gezag over [minderjarige] alleen uitoefent.

De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en – zo begrijpt het hof na verduidelijking van het verzoek ter zitting – het inleidende verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige] alsnog af te wijzen.

De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en het hoger beroep van de vader ongegrond te verklaren. Ook verzoekt de moeder om de vader te veroordelen in de kosten van de procedure.

5. De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader

Uit artikel 1:251 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de ouders die gezamenlijk het gezag hebben na ontbinding van het huwelijk dit gezag gezamenlijk blijven uitoefenen.

Uit artikel 1:251a BW volgt dat de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van één van hen kan bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

De standpunten

De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige] heeft beëindigd. De raad heeft uitgebreid onderzoek gedaan en heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een situatie waarin [minderjarige] last zou ervaren van de gespannen situatie tussen ouders. Ook laat het raadsrapport zien dat de vader niet opzettelijk gezagsbeslissingen tegenwerkt. De rechtbank heeft het raadsrapport volledig naast zich neergelegd. De rechtbank onderbouwt haar beslissing tot beëindiging van het gezamenlijk gezag summier, maar geeft geen concrete redenen waarom sprake zou zijn van het klem- of verloren criterium dan wel dat eenhoofdig gezag anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. De vader is in staat verantwoordelijkheid voor [minderjarige] te nemen, werkt mee aan de hulpverlening, laat zich goed begeleiden bij de omgang met [minderjarige] , die ook goed verloopt, en hij is bereikbaar voor overleg over [minderjarige] . Er is sprake van een slechte communicatie en samenwerking tussen de ouders, maar dit is aan beide ouders te wijten en zal ook blijven bestaan op het moment dat de moeder eenhoofdig gezag over [minderjarige] zou hebben. De vader behoudt immers zijn recht op omgang en informatie, waardoor de moeder de vader zal moeten blijven informeren. Bij eenhoofdig gezag vreest de vader dat hij geen informatie zal krijgen over [minderjarige] en dat de moeder het contact tussen de vader en [minderjarige] zal tegenwerken. De vader is bereid te werken aan verbetering van de communicatie met de moeder en hij stelt voor dat wordt gestart met het traject Solo Parallel Ouderschap.

De moeder voert aan dat de beslissing van de rechtbank om het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige] te beëindigen op goede gronden berust. [minderjarige] is nog jong en heeft behoefte aan rust, voorspelbaarheid, structuur en stabiliteit. Hij woont bij de moeder, die zijn dagelijkse verzorging en opvoeding draagt. De ouders hebben een langdurige, ernstige en structurele veiligheids- en escalatiegeschiedenis, veroorzaakt door het gedrag van de vader. Dit gaat verder dan enkel gebrekkige communicatie. Gezamenlijk gezag met de vader is niet veilig, niet uitvoerbaar en niet in het belang van [minderjarige] . Sinds de beëindiging van het gezamenlijk gezag is er meer rust in huis en dit is terug te zien in het gedrag en de schoolresultaten van [minderjarige] . Door de beslissing kon de moeder ook gezagsbeslissingen nemen over zwemles, inschrijving tandarts en een vakantie naar het buitenland, dit zonder een strijd met vader aan te moeten gaan. Indien gezamenlijk gezag zou worden hersteld, ontstaat opnieuw de situatie waarin de moeder voor beslissingen over school, medische kwesties, reizen, hulpverlening en andere belangrijke onderwerpen afhankelijk wordt van toestemming of medewerking van de vader. De ervaring van de afgelopen jaren leert dat dit leidt tot vertraging, spanning en procedures. Dat is niet in het belang van [minderjarige] . Het belang van [minderjarige] is dat zijn hoofdverzorger noodzakelijke beslissingen voortvarend kan nemen en dat de ouderlijke strijd niet telkens opnieuw via gezagskwesties wordt geactiveerd. Eenhoofdig gezag betekent niet dat de vader uit het leven van [minderjarige] verdwijnt. De vader behoudt zijn positie als ouder. De bestaande begeleide omgang kan wat de moeder betreft worden voortgezet. De vader kan informatie ontvangen binnen veilige en passende kaders. Het wezenlijke verschil dat door de beslissing van de rechtbank is ontstaan, is dat de moeder niet langer voor gezagsbeslissingen afhankelijk is van een ouder met wie veilig en constructief overleg structureel niet mogelijk is gebleken.

Het advies van de raad

De raad heeft in het rapport van 12 juli 2025 geadviseerd het gezamenlijk gezag in stand te laten. Het gaat goed met [minderjarige] en hij heeft een fijne band met zijn vader nodig om zich goed te blijven ontwikkelen. De raad meent dat de ouders individuele hulpverlening dienen aan te gaan om het gezamenlijke verleden los te laten en zich te gaan richten op hoe zij de ouderrol samen voor [minderjarige] kunnen gaan invullen. De raad heeft niet kunnen vaststellen dat de vader opzettelijk gezagsbeslissingen tegenwerkt. Zijn grensoverschrijdende gedrag is in de visie van de raad mede veroorzaakt door onvermogen omdat hij [minderjarige] nauwelijks ziet en geen deel uitmaakt van zijn opvoeding.

Ter zitting in hoger beroep heeft de raad naar voren gebracht dat volgens het raadsrapport het beide ouders onvoldoende lukt om aan te sluiten bij de belangen van [minderjarige] . De raad ziet dat beide ouders het beste willen voor [minderjarige] , maar dat dat samen niet lukt, zoals ook blijkt uit de vele procedures tussen de ouders. Mede gelet op het contact- en locatieverbod dat de afgelopen drie jaar heeft gegolden, heeft de raad op de zitting in hoger beroep twijfels uitgesproken of het de ouders zal lukken om invulling te geven aan gezamenlijk gezag. Op dit moment is het fundament voor gezamenlijk gezag zeer ingewikkeld.

De beoordeling door het hof

Het hof stelt voorop dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is van de wetgever. Volgens vaste jurisprudentie brengt het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer met zich dat gezamenlijk gezag niet langer in het belang van het kind kan worden geacht. Voor gezamenlijk gezag is echter wel vereist dat ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening waarbij zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden het gezamenlijk gezag heeft beëindigd en de moeder met het eenhoofdig gezag heeft belast en legt hierna uit waarom.

Gebleken is dat tussen de ouders al heel lang sprake is van een zeer ernstige verstoorde verstandhouding. De ouders zijn kort na de geboorte van [minderjarige] uit elkaar gegaan, waardoor tijdens de relatie van de ouders nauwelijks sprake is geweest van een gezamenlijk uitgevoerd ouderschap. Sinds het uiteengaan van partijen zijn er vele procedures door de ouders gevoerd, die zagen op afwikkeling van de echtscheiding, de omgang tussen de vader en [minderjarige] en op gezagsbeslissingen met betrekking tot [minderjarige] . Zo heeft de moeder moeten procederen over de inschrijving van [minderjarige] bij de praktijk van de huisarts, over inschrijving bij de voor- en naschoolse opvang en de basisschool en over de aanvraag van een paspoort en toestemming voor vakantie in het buitenland. Het hof is van oordeel dat het gebrek aan medewerking van de vader de voornaamste oorzaak is geweest dat de moeder steeds weer geschillen over de uitvoering van het gezamenlijk gezag aan de rechtbank heeft moeten voorleggen. De vader heeft door zijn niet meewerkende houding niet in het belang van [minderjarige] gehandeld. Ook heeft gedurende drie jaren een contact- en locatieverbod gegolden (tot 15 augustus 2026), nadat de vader in 2023 strafrechtelijk is veroordeeld voor bedreiging van de moeder, grootvader moederszijde en de advocaat van de moeder. Door het – door de strafrechter bewezen geachte en bestrafte – grensoverschrijdende gedrag van de vader en zijn gebrek aan medewerking aan gezagsbeslissingen heeft de moeder het vertrouwen in de vader verloren.

Het is de afgelopen jaren niet gelukt om verbetering te brengen in de verstoorde verstandhouding tussen de ouders. Ook de ondertoezichtstelling van [minderjarige] heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. Uit de stukken komt naar voren dat de vader met verschillende hulpverleningsinstanties in conflict is geraakt, waardoor de hulpverlening onvoldoende van de grond is gekomen. Daarnaast heeft de vader onvoldoende onderbouwd dat hij heeft voldaan aan de aan hem opgelegde reclasseringsvoorwaarden, waaronder het volgen van een behandeling bij FamilySupporters. De vader heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat de behandeling met goed gevolg is afgerond en dat hij hiermee heeft voldaan aan de reclasseringsvoorwaarden, maar heeft deze stelling hij niet met stukken onderbouwd. Uit de brief van 6 november 2025 van de behandelaar van de vader bij FamilySupporters blijkt juist dat na enige gesprekken sprake was van een kentering in de motivatie en dat de vader de behandeling heeft beëindigd. Het hof kan daarom niet vaststellen dat de behandeling met positief resultaat is afgerond. Verder neemt het hof in aanmerking dat tussen de vader en [minderjarige] slechts sprake is van een zeer beperkte zorgregeling onder strikte voorwaarden. De moeder, die feitelijk volledig voor [minderjarige] zorgt moet in staat zijn om zo nodig snel en zonder vertraging gezagsbeslissingen te kunnen nemen. Gelet op de hiervoor beschreven langdurig verstoorde verstandhouding, het ontbreken van een constructieve samenwerking en communicatie tussen de ouders en het uitblijven van voldoende positieve verandering, is het hof van oordeel hof dat de ouders onvoldoende in staat (zullen) zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat het risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders indien het gezamenlijk gezag wordt voortgezet. Het hof ziet ook niet in dat hierin binnen afzienbare tijd verbetering zal komen. Daarom acht het hof het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag is beëindigd.

Uit het bovenstaande blijkt dat het hof – evenals de rechtbank – het advies van de raad in het rapport van 12 juli 2025 niet volgt. Daarbij sluit het hof aan bij de overwegingen van de rechtbank omtrent de totstandkoming van het rapport en is het hof – met de rechtbank – van oordeel dat het veiligheidsaspect voor de moeder, [minderjarige] en hun netwerk onvoldoende is meegewogen en onvoldoende acht is geslagen op het Verdrag van Istanbul en de verplichtingen die daaruit voortvloeien. De raad heeft in het rapport de zorg uitgesproken dat met eenhoofdig gezag de omgang en informatieverstrekking door de moeder aan de vader zal stagneren, wat de raad niet in zijn belang acht. Inmiddels is echter gebleken dat de wijziging van het gezag in de praktijk geen verandering heeft gebracht in de informatieverstrekking door de moeder aan de vader en ook niet in de uitvoering van de omgangsregeling. De moeder werkt mee aan de begeleide omgang. Ter zitting is gebleken dat beide ouders tevreden zijn over de begeleiding van CanLis, dat de omgangsmomenten positief verlopen en dat [minderjarige] geniet van het contact met de vader. Evenmin is de informatievoorziening, die loopt via CanLis, aan de vader gestagneerd, zo blijkt uit de berichten die de moeder iedere twee weken aan de vader stuurt. Het hof verwacht dat de moeder deze verplichtingen tot omgang en informatievoorziening zal blijven nakomen.

Uit het bovenstaande volgt dat de rechtbank naar het oordeel van het hof het gezamenlijk gezag van de ouders terecht heeft beëindigd. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.

Proceskosten

Gelet op de aard van de zaak ziet het hof geen aanleiding om de vader te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep. De kosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het openbaar register;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, mr. J.M. van Baardewijk en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. M. Hermans als griffier en is op 6 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M. Hermans

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand