GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/850
20 augustus 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] , wonende te [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. M.U. Sahin)
tegen de uitspraak van 6 maart 2025 in de zaak met kenmerk AMS 24/4534 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
1. Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd (hierna: de naheffingsaanslag).
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak van 27 mei 2025 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en ambtshalve beslist dat de naheffingsaanslag wordt vernietigd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De heffingsambtenaar heeft het Hof meegedeeld dat hij geen bezwaar heeft tegen het achterwege laten van een zitting. Het Hof heeft (de gemachtigde van) belanghebbende bij brief van 18 juli 2025 laten weten dat het overweegt een zitting achterwege te laten, dat belanghebbende het recht heeft om op een zitting te worden gehoord en dat belanghebbende uiterlijk op 15 augustus 2025 moet reageren als hij gebruik wil maken van dat recht . Belanghebbende heeft een dergelijk verzoek niet gedaan. Hierop heeft het Hof besloten een zitting achterwege te laten en partijen bij brief van 24 juni 2026 bericht dat het onderzoek is gesloten en dat schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.
2. Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is onder meer in geschil of in de bezwaarfase de hoorplicht is geschonden. Daarnaast verzoekt belanghebbende om de zaak terug te wijzen naar de heffingsambtenaar, om vergoeding van (proces)kosten en om een vergoeding van immateriële schade.
3. Beoordeling van het geschil
De naheffingsaanslag
3.1.1. In de onderhavige zaak is bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Dit bezwaar is wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard. De heffingsambtenaar heeft zo besloten omdat het bezwaarschrift (op woensdag 14 februari 2024, dat is vijf dagen) na afloop van de bezwaartermijn, die eindigde op vrijdag 9 februari 2024, door hem is ontvangen en uit het poststempel (dinsdag 13 februari 2024) volgt dat het bezwaar ook (vier dagen) na afloop van die termijn ter post is bezorgd. Naar het oordeel van het Hof mocht de heffingsambtenaar het bezwaar onder deze omstandigheden niet-ontvankelijk verklaren wegens termijnoverschrijding. Anders dan belanghebbende kennelijk meent staat hieraan niet het bepaalde in artikel 6:9, lid 2, Awb in de weg. Op basis daarvan is een bezwaarschrift tijdig ingediend als het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen, mits het voor afloop daarvan ter post is bezorgd. Aan die laatste voorwaarde is in het onderhavige geval niet voldaan. Als bewijsrechtelijk uitgangspunt geldt in een situatie als de onderhavige immers dat terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag waarop het desbetreffende poststuk door het postvervoerbedrijf is afgestempeld (op dinsdag 13 februari 2024). Anders dan belanghebbende kennelijk meent draagt hij voor de uitzondering op dit uitgangspunt de bewijslast, hij heeft echter niets ter bewijs aangedragen van de stelling dat hij het bezwaarschrift reeds op vrijdag 9 februari 2024 ter post heeft bezorgd (HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2138).
Feiten of omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is als bedoeld in artikel 6:11 Awb, zijn gesteld noch gebleken.
3.1.2. De heffingsambtenaar heeft het geschrift (zo begrijpt het Hof hem) vervolgens opgevat als een verzoek tot ambtshalve vermindering en is aan dat verzoek tegemoet gekomen door de naheffingsaanslag te vernietigen. Dit heeft hij in zijn uitspraak op het bezwaar ook vermeld.
Het horen in bezwaar
3.2.1. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende in de bezwaarfase niet gehoord, hoewel belanghebbende wel had verzocht gehoord te worden. Belanghebbende meent dat hierdoor de hoorplicht is geschonden en verzoekt het Hof de zaak terug te verwijzen zodat hij alsnog gehoord kan worden.
3.2.2. Het Hof overweegt dat de behandeling van het bezwaar strekt tot heroverweging van het primaire besluit (de naheffingsaanslag).Vanwege het voornemen van de heffingsambtenaar om volledig tegemoet komt aan het bezwaar tegen de naheffingsaanslag kon hij van horen afzien. De bijkomende verzoeken (zoals het verzoek om vergoeding van kosten die in verband met de behandeling van het bezwaar zijn gemaakt) behoren niet tot de grondslag van het bezwaar tegen het primaire besluit. Als de heffingsambtenaar het voornemen heeft om niet te voldoen aan dergelijke verzoeken, is hij niet op grond van artikel 7:2 Awb verplicht belanghebbende in de gelegenheid te stellen daarover te worden gehoord (vgl. HR 25 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1619, r.o. 2.4). Dat belanghebbende tijdens het horen in bezwaar zijn licht had kunnen laten schijnen over de termijnoverschrijding van zijn bezwaar leidt, gelet op de strekking van de bezwaarbehandeling en de (voorgenomen) vernietiging van de naheffingsaanslag, niet tot een ander oordeel. Naar het oordeel van het Hof mocht de heffingsambtenaar dan ook van het horen afzien.
De kosten van bezwaar
3.3.1. Belanghebbende betoogt ten slotte dat de termijnoverschrijding in zijn geval verschoonbaar was. Hij meent dat de heffingsambtenaar dit in de bezwaarfase had moeten onderzoeken en dat – als hij hem naar de verschoonbaarheid had gevraagd – belanghebbende aan zijn bewijslast daartoe voldaan zou hebben. Nu de heffingsambtenaar dat niet heeft gedaan moest belanghebbende beroep (en hoger beroep) aantekenen teneinde een oordeel hierover te krijgen. Hij meent daarom dat hij recht heeft op vergoeding van (proces)kosten.
3.3.2. Het Hof overweegt als volgt. Indien belanghebbende meent dat de uitspraak op bezwaar onjuist is, omdat de heffingsambtenaar daarin ten onrechte heeft geoordeeld dat het bezwaar vanwege termijnoverschrijding niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, staat hem het rechtsmiddel van beroep ter beschikking om dit aan de rechter voor te leggen. Het is dan wel van belang dat hij daarbij feiten en omstandigheden stelt en, bij betwisting, aannemelijk maakt die zijn standpunt onderbouwen dat de termijnoverschrijding inderdaad verschoonbaar was. Hiertoe heeft belanghebbende uitgebreid de gelegenheid gehad: hij had in zijn bezwaarschift in kunnen gaan op de reden van de late indiening, hij had dit kunnen doen toen hij op verzoek van de heffingsambtenaar een machtiging inbracht, hij had dit kunnen doen in de beroepsfase en ten slotte heeft hij daarvoor in hoger beroep de gelegenheid gehad. Hij heeft al deze mogelijkheden echter onbenut gelaten. In plaats daarvan heeft hij zich beperkt tot de klacht dat de bezwaarbehandelaar de verschoonbaarheid niet heeft onderzocht.
3.3.3. Hiermee heeft belanghebbende niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast van die verschoonbaarheid. Het Hof komt tot de conclusie dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens termijnoverschrijding. Daarom heeft de heffingsambtenaar terecht geen vergoeding toegekend van de kosten in bezwaar. Van herroeping van het bestreden besluit naar aanleiding van het gemaakte bezwaar is geen sprake. Daaraan doet niet af dat de heffingsambtenaar (ambtshalve) de naheffingsaanslag heeft vernietigd (vgl. HR 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3934, ro. 5.2).
3.3.4. Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep terecht ongegrond verklaard. Daarom hoefde zij geen vergoeding van proceskosten voor het beroep toe te kennen (laat staan een integrale proceskostenvergoeding). Ook ziet het Hof geen termen voor het toekennen van de door belanghebbende gevraagde vergoeding van immateriële schade.
4. Kosten
Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
5. Beslissing
Het Hof:
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank; en
- wijst het verzoek tot schadevergoeding af.
De uitspraak is gedaan door mrs. J-P.R. van den Berg, voorzitter, H.E. Kostense en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 20 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.