ECLI:NL:GHAMS:2026:2811

ECLI:NL:GHAMS:2026:2811

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 18-08-2026
Datum publicatie 01-10-2026
Zaaknummer 25/1865
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Aanslag afvalstofheffing. Belanghebbende is een nakomeling van een ex-militair van het Koninklijk Nederlands-Indonesische Leger (K.N.I.L.). De aanslag is terecht aan belanghebbende opgelegd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 25/1865

18 augustus 2026

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: [Y] ),

tegen de uitspraak van 16 juni 2025 in de zaak met kenmerk AMS 24/7136 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende is met dagtekening 25 februari 2024 een aanslag afvalstoffenheffing voor een meerpersoonshuishouden voor het kalenderjaar 2024 opgelegd ter hoogte van € 469.

Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 14 augustus 2025 en is nader gemotiveerd bij brief, ingekomen bij het Hof op 13 oktober 2025. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

Op 18 maart en 29 juli 2026 is van belanghebbende een nader stuk ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (waarbij belanghebbende is aangeduid als ‘eiser’):

“5. Eiser is een kleinzoon van [A] , een ex-militair van het Koninklijk

Nederlands-Indonesische Leger (hierna: KNIL) van Ambonese afkomst, die na de opheffing

van het KNIL in Nederland is komen te verblijven.

6. De aanslag is aan eiser opgelegd omdat hij gebruiker is van de onroerende zaak

aan de [adres] , in Amsterdam. Er is sprake van gebruik door een

meerpersoonshuishouden.”

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3. Geschil in hoger beroep

Ook in hoger beroep is in geschil of de aanslag afvalstoffenheffing terecht is opgelegd.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd verwijst het Hof naar het van de zitting opgemaakte proces-verbaal.

4. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:

“9. De gemeente is verplicht om de huishoudelijke afvalstoffen van haar inwoners in

te zamelen. [Noot: Artikel 10.21, eerste lid, van de Wet milieubeheer.] Onder ‘huishoudelijke afvalstoffen’ moet worden verstaan: afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens. [Noot: Artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer en artikel 2, onder a, van de Verordening.] De gemeenteraad kan een heffing instellen voor iedereen die gebruik maakt van een perceel waarvoor de verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. [Noot: Artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.] Dit is de zogeheten afvalstoffenheffing. Daarop ziet de Verordening Afvalstoffenheffing en Reinigingsrecht Bedrijfsafval 2024 (hierna: de Verordening).

10. Op grond van de Verordening wordt afvalstoffenheffing geheven van degene die, naar de omstandigheden beoordeeld, gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. [Noot: Artikel 4, eerste lid, van de Verordening Afvalstoffenheffing en Reinigingsrecht Bedrijfsafval 2024.]

11. Niet in geschil is dat eiser de gebruiker is van het pand aan de [adres] , waarvoor hem de aanslag afvalstoffenheffing is opgelegd. Eiser is evenwel van mening dat de heffingsambtenaar niet bevoegd is om een aanslag op te leggen aan staatsburgers van de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië die tijdelijk hier verblijven op grond van de Regeling Militaire aangelegenheden en op wie het Rijksverzorgingsbeleid voor Ambonezen van toepassing is. Eiser beroept zich daarvoor op de volgende bepalingen: artikel 7 en 8 eerste en tweede lid van de Overgangsovereenkomst (Staatsblad 1949, J570). Verder is eiser van mening dat de wettelijke bevoegdheid van de heffingsambtenaar, die wordt ontleend aan de Gemeentewet, niet op hem van toepassing is omdat hij niet is ingeschreven in de Basisregistratie Personen (de BRP) maar daarin alleen is opgenomen op basis van de Wet Bevolkingsregister. In dat kader verwijst eiser naar het ‘Besluit van den 31 sten Maart 1936’ tot vaststelling van voorschriften omtrent het aanleggen, inrichten en bijhouden van de bevolkingsregisters (Staatsblad 1936, 342), de ‘Circulaire van het Hoofd der Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters van 21 Maart 1951 no. 153’, de ‘Beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken van 21 Maart 1951, no. U 39723’ en de Verklaring van het Bestuur van de Bond voor ex-K.N.l.L.-militairen-op-weg-naar-huis, betreffende het niet inschrijven in de bevolkingsregisters bij de gemeenten.

12. De rechtbank overweegt dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in 2022 [Noot: Uitspraak van 15 november 2022, ECLl:NL:GHARL:2022:9844.] nogmaals - in navolging van de daarin genoemde eerdere uitspraken van dit hof en arresten van de Hoge Raad - heeft geoordeeld dat het Rijksverzorgingsbeleid voor Ambonezen de bevoegdheid van de heffingsambtenaar tot het heffen van afvalstoffenheffing niet doorkruist. Daarbij zijn ook de door eiser genoemde bepalingen uit de Overgangsovereenkomst betrokken. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om hier anders over te oordelen en verwijst in zoverre naar voornoemde uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de daarin genoemde uitspraken en arresten.

13. Ook over de relevantie van een inschrijving in de BRP heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in voornoemde uitspraak al geoordeeld. De rechtbank overweegt in navolging hiervan dat in artikel 2 van de Gemeentewet wordt bepaalt dat voor de toepassing van de Gemeentewet onder ingezetenen van een bepaalde gemeente worden verstaan, zij die hun werkelijke woonplaats in de desbetreffende gemeente hebben. Vaststaat dat eiser zijn werkelijke woonplaats al enige jaren op het adres aan de [adres] in Amsterdam heeft. Of hij is ingeschreven in de BRP (op dit adres) doet daarom niet ter zake. Uit artikel 3 van de Gemeentewet volgt namelijk alleen dat aan een inschrijving met een adres in de BRP het bewijsvermoeden kan worden ontleend dat de desbetreffende persoon zijn werkelijke woonplaats heeft in die gemeente. Anders dan eiser stelt, is zo'n inschrijving dus geen voorwaarde om aangemerkt te kunnen worden als ingezetene van de desbetreffende gemeente. Als eiser gevolgd zou moeten worden in zijn stelling dat hij op grond van de door hem genoemde regelingen, circulaire en verklaring, niet kan worden ingeschreven in de BRP, dan is het bewijsvermoeden niet op hem van toepassing maar moet hij op grond van zijn werkelijke woonplaats - die niet ter discussie staat - nog steeds als ingezetene van de gemeente Amsterdam en gebruiker van de [adres] te Amsterdam worden aangemerkt.

14. Ook anderszins bevatten de door eiser genoemde regelingen en documenten geen regels die in de weg staan aan de heffing van lokale belastingen van de daarin bedoelde personen. Of deze regelingen nog op eiser van toepassing zijn, is daarom - net als de vraag of het Rijksverzorgingsbeleid voor Ambonezen op eiser van toepassing is - voor de beoordeling van het in deze zaak bestreden besluit niet van belang. Deze beroepsgronden slagen niet.

15. Tot slot voert eiser aan dat het rechtszekerheids-, vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden nu de heffingsambtenaar zich niet aan de wet houdt die van toepassing is op hem en omdat zijn rechtspositie niet mag worden aangetast.

16. Nu hiervoor al is geoordeeld dat de heffingsambtenaar op grond van de wet bevoegd is om aan eiser een aanslag afvalstoffenheffing op te leggen en alle door eiser genoemde bijzondere regelingen hier niet aan in de weg staan, is het bestreden besluit niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De gestelde schending van de andere door hem genoemde beginselen heeft eiser geen onderbouwing gegeven. Deze beroepsgronden slagen ook niet.”

5. Beoordeling van het geschil

Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden (rechtsoverwegingen 9 tot en met 16) heeft geoordeeld dat belanghebbendes beroep ongegrond is. Het Hof neemt die overwegingen over en maakt deze tot de zijne. Het Hof merkt daarbij op dat in de overwegingen 11 en 12 van de rechtbank het (juiste) oordeel ligt besloten dat de heffingsambtenaar bevoegd was tot het opleggen van de aanslag aan belanghebbende.

Zoals de rechtbank terecht overweegt (rechtsoverwegingen 9, 10, 11 en 13), is als belastingplichtige voor de afvalstoffenheffing de gebruiker van een perceel aangewezen (vgl. artikel 4, eerste lid, van de Verordening Afvalstoffenheffing en Reinigingsrecht Bedrijfsafval 2024 van de Gemeente Amsterdam). Niet in geschil is dat belanghebbende gebruik maakt van de woning aan de [adres] . Daaruit volgt dat hij afvalstoffenheffing verschuldigd is. Het Hof merkt nog op dat ingezetenschap, dan wel het ingeschreven zijn in de BRP, geen voorwaarde is voor het opleggen en het verschuldigd zijn van afvalstoffenheffing.

Ook ziet het Hof geen redenen om aan te nemen dat de onderhavige afvalstoffenheffing ten aanzien van belanghebbende afstuit op enige wettelijke dan wel verdragsrechtelijke bepaling. Een recht om van deze heffing te worden vrijgesteld kan, anders dan door belanghebbende is betoogd, ook niet worden ontleend aan de status van de Bond ex-KNIL-militairen-op-weg-naar-huis, welke organisatie de belangen van de nazaten van ex-KNIL-militairen behartigt, noch aan het door belanghebbende genoemde Rijksverzorgingsbeleid voor Ambonezen. Aan de door belanghebbende overgelegde en geciteerde stukken kan evenmin het vertrouwen worden ontleend dat ten aanzien van belanghebbende recht zou bestaan op enige vrijstelling van afvalstoffenheffing, noch kan daaraan een zodanige indruk worden ontleend. Te meer nu het hier niet een heffing van (wijlen) grootvader van belanghebbende betreft, maar van een nazaat van de grootvader (zie rechtsoverweging 5 van de rechtbankuitspraak).

Al hetgeen overigens nog door belanghebbende is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Het gelijk is derhalve aan de heffingsambtenaar en er bestaat geen aanleiding hem te gelasten een nieuw besluit te nemen.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient in stand te blijven.

6. Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 18 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is, bij verhindering door de voorzitter, ondertekend door de oudste raadsheer.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand