GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/2103
3 september 2026
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: J.A. Klaver)
tegen de uitspraak van 9 oktober 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24/5913 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende is een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) voor het jaar 2022 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.733 (hierna: de aanslag).
Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende beslist (waarbij belanghebbende is aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
“De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 42.118 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.108;
veroordeelt verweerder tot vergoeding van het griffierecht van € 51;
veroordeelt verweerder tot vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding van de proceskosten vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank, tot aan de dag van algehele voldoening. Hierbij wordt opgemerkt dat deze termijn niet eerder aanvangt dan vier weken nadat eiseres haar bankgegevens bekend heeft gemaakt bij verweerder.”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2. Feiten
Belanghebbende heeft in 2022 geen fiscaal partner.
Op 11 april 2023 heeft de inspecteur de aangifte ib/pvv voor het jaar 2022 van belanghebbende ontvangen. Belanghebbende heeft een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 41.013, dat als volgt is opgebouwd:
loon uit vroegere dienstbetrekking: € 43.238
inkomen uit eigen woning (negatief): af € 1.189
aftrek specifieke zorgkosten: af € 1.036
belastbaar inkomen uit werk en woning: € 41.013
De inspecteur heeft conform de aangifte een voorlopige aanslag ib/pvv 2022 met dagtekening 22 juni 2023 opgelegd.
Bij brief van 12 september 2023 heeft de inspecteur belanghebbende meegedeeld dat hij voornemens is een bedrag van € 684 (ten onrechte niet in aanmerking genomen inkomsten van ABN Amro) te corrigeren en voorts gevraagd om een specificatie en bewijsstukken (nota’s en betalingsbewijzen) voor de in de aangifte opgenomen aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten (voor een bedrag van € 1.036).
De bij brief van 10 oktober 2023 door belanghebbende verstrekte specificatie vermeldt de volgende uitgaven en een aftrekbaar bedrag van € 1.065:
“-Insuline resistentie dieet € 1.000
(…) -
-Reiskosten Covid vaccinaties + Booster (…) € 42
-Extra kleding/beddengoed/bewassing i.v.m. incontinentie € 300
-Tandarts € 123
-Reiskosten tandarts (…) € 70
-Medische pedicure i.v.m. suikerziekte € 270
-Reiskosten huisarts + apotheek (…) € 11
€ 1.831
Af 1,65% € 766
€ 1.065”
De inspecteur vermeldt in zijn schrijven van 23 januari 2024 (met als aanhef “Voornemen om af te wijken van de aangifte IB/PVV 2022”) dat hij als aftrekbare kosten accepteert de vermelde reiskosten (in totaal € 123) en tandartskosten tot een bedrag van € 198. Hij is voornemens de aftrek specifieke zorgkosten op nihil te stellen (de zorgkosten van in totaal € 321 leiden niet tot aftrek, omdat deze het drempelbedrag van € 706 niet overschrijden). Verder kondigt hij aan het loon uit vroegere dienstbetrekking te corrigeren naar € 43.922.
Het bij de aanslag in aanmerking genomen belastbaar inkomen uit werk en woning is aldus als volgt opgebouwd:
loon uit vroegere dienstbetrekking: € 43.922
inkomen uit eigen woning (negatief): -/- € 1.189
belastbaar inkomen uit werk en woning: € 42.733
In de beroepsfase heeft de inspecteur de aftrek van dieetkosten van € 1.000 alsnog geaccepteerd, waarna de aftrek specifieke zorgkosten € 615 bedraagt (€ 1.321 -/- € 706). Hiermee in overeenstemming heeft de rechtbank in haar uitspraak het belastbare inkomen vastgesteld op € 42.118.
Ter onderbouwing van de aftrek van uitgaven voor extra kleding en beddengoed, heeft belanghebbende bij haar beroepschrift bij de rechtbank een vooringevulde verklaring overgelegd waarin staat dat belanghebbende lijdt aan incontinentie sinds 2015.
De verklaring is ondertekend (zonder dagtekening) en hierop is een stempelafdruk geplaatst met naam- en adresgegevens van de huisarts van belanghebbende (huisarts [A] ).
Tot het (beroeps)dossier behoort voorts een vooringevulde verklaring waarin staat dat belanghebbende lijdt aan incontinentie/onbedoeld vochtverlies sinds 2014. De verklaring is getekend d.d. 20 november 2018 door [B] , AIOS (arts in opleiding tot specialist) bij huisarts [A] . Aan de vooringevulde verklaring is toegevoegd: “In 2017 bij huisarts hiermee bekend”.
Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende verklaard dat zij al jaren lijdt aan incontinentie. Hetgeen belanghebbende hierover heeft verklaard, is opgenomen in het proces-verbaal van de zitting.
3. Geschil in hoger beroep
In geschil is of de aanslag, zoals verminderd door de rechtbank, naar een te hoog bedrag is vastgesteld. Daarbij is in geschil of belanghebbende recht heeft op (extra) aftrek van specifieke zorgkosten vanwege uitgaven voor extra kleding en beddengoed.
4. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft in haar uitspraak – voor zover in hoger beroep van belang – het volgende overwogen:
“Aftrek specifieke zorgkosten
10. Uitgaven voor extra kleding en beddengoed zijn aftrekbaar als specifieke zorgkosten als ze het gevolg zijn van ziekte of invaliditeit die ten minste een jaar heeft geduurd of vermoedelijk zal duren. Van extra uitgaven is sprake als de belanghebbende voor kleding en beddengoed meer uitgeeft dan iemand die niet ziek of invalide is en die in dezelfde gezinsomstandigheden en financiële omstandigheden verkeren als de belanghebbende.
11. Eiseres heeft een verklaring overgelegd die op 20 november 2018 is ondertekend door een huisarts en waarop is vermeld dat eiseres sinds 2014 lijdt aan incontinentie/onbedoeld vochtverlies. Naar het oordeel van de rechtbank is uit deze in algemene bewoordingen opgestelde verklaring niet op te maken aan welke aandoening eiseres precies lijdt en er is niet vermeld dat en welke middelen aan eiseres zijn verstrekt ter behandeling of bestrijding daarvan. Daar komt bij dat op de verklaring verschillende bijschrijvingen in verschillende handschriften zijn te zien, hetgeen afbreuk doet aan de bewijskracht van de verklaring. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres met de verklaring en met hetgeen zij verder heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in 2022 uitgaven voor extra kleding en beddengoed heeft gedaan die het
gevolg zijn van ziekte of invaliditeit en die uitgingen boven hetgeen een gezond persoon daardoor uitgeeft. Verweerder heeft daarom terecht geen aftrek van uitgaven voor extra kleding en beddengoed verleend.”
5. Beoordeling van het geschil
Belanghebbende heeft haar grief in hoger beroep dat de aanslag te hoog is vastgesteld gelet op het correctiebeleid van de Belastingdienst, ter zitting van het Hof ingetrokken.
Aldus spitst het geschil zich toe op de vraag of belanghebbende recht heeft op (extra) aftrek van specifieke zorgkosten vanwege uitgaven voor extra kleding en beddengoed.
Artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel g, Wet IB 2001 luidde in het onderhavige jaar als volgt:
“1. Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor:
(…)
g. extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels;”
Artikel 38 UR IB 2001 luidde in het onderhavige jaar als volgt:
“1. Uitgaven voor extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel g, van de wet worden in aanmerking genomen voor een bedrag van € 300 dan wel, indien blijkt dat die uitgaven € 600 te boven gaan, voor een bedrag van € 750, indien:
a. de genoemde uitgaven voortvloeien uit ziekte of invaliditeit van een persoon als bedoeld in artikel 6.16 van de wet die tot het huishouden van de belastingplichtige behoort; en
b. de ziekte of invaliditeit ten minste een jaar heeft geduurd of vermoedelijk zal duren.”
Het Hof ziet aanleiding de uitgebreide verklaring van belanghebbende ter zitting van het Hof, dat zij al jaren lijdt aan (een vorm van) incontinentie, te geloven. Zulks wordt ook bevestigd door de onder 2.8 en 2.9 opgenomen vooringevulde verklaringen. Uitgaven als gevolg hiervan voor “extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven” worden, ook als sprake is van incontinentie, niet verondersteld maar moeten aannemelijk worden gemaakt (vgl. Hof Amsterdam 25 februari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:934, r.o. 4.2.2).
Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof (in zijn algemeenheid) verklaard dat zij al jaren incontinentiemateriaal (eerst luiers bij de apotheek en later verband bij de drogist) koopt. Ook zou zij al jaren (met name) kleding extra vaak moeten wassen en extra beddengoed hebben gebruikt.
Het Hof acht met deze overigens geloofwaardige verklaring niet, althans onvoldoende, aannemelijk gemaakt – en zulks is evenmin een feit van algemene bekendheid – dat de geschetste problemen en de wijze waarop belanghebbende die probeerde op te lossen, hebben geleid tot uitgaven voor extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel g, van de Wet IB 2001 in 2022. Met onvoldoende zekerheid kan hieruit worden afgeleid dat in 2022 sprake was van extra kosten die buiten het normale uitgavenpatroon vallen. Daarbij weegt het Hof mee dat de inspecteur onbetwist ter zitting van het Hof naar voren heeft gebracht dat in het geval dat incontinentiemateriaal wordt gebruikt er in de regel geen extra bewassingskosten zijn.
Op grond van het hiervoor overwogene is het hoger beroep ongegrond en moet de uitspraak van de rechtbank worden bevestigd.
6. Kosten
Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.
7. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 3 september 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: