afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001317-24
datum uitspraak: 30 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-030440-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteland 1] op [geboortedag 1] 1977,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] .
1. Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte, zijn raadsman en de advocaten van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten aanpassing is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
feit 1: hij op of omstreeks 28 januari 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] , door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten
en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte
feit 2: hij op of omstreeks 22 januari 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] , door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , te weten
en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
3. Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
4. Bewijsoverwegingen
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat beide feiten worden bewezenverklaard. De verklaringen van de aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn – wat de seksuele handelingen betreft – betrouwbaar te achten. Enige inconsistenties op andere punten doen niet af aan hun verklaringen. Zij vinden daarnaast voldoende steun in ander bewijs, zoals de hevige emotionele toestand waarin beide aangeefsters zijn aangetroffen door de politie. In het geval van [slachtoffer 1] is bovendien sprake van forensisch bewijs dat niet past bij de verklaring van de verdachte. Tot slot is sprake van een overeenkomende modus operandi bij beide feiten, waardoor gebruik kan worden gemaakt van een schakelbewijsconstructie.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat de verdachte van beide feiten moet worden vrijgesproken. Daartoe is – kort weergegeven – het volgende aangevoerd.
Ten eerste kunnen de verklaringen van de beide aangeefsters niet als voldoende betrouwbaar worden aangemerkt.
De aangeefster [slachtoffer 1] heeft op essentiële onderdelen onwaarheden verteld (niet alleen op details), zoals de aanleiding van de ontmoeting en de gestelde dwang. De opeenstapeling van inconsistenties maakt dat haar verklaringen niet de basis kunnen vormen voor de bewijsconstructie. Daar komt bij dat [slachtoffer 1] na de ontmoeting nog contact heeft gezocht met de verdachte, hetgeen beter past bij de lezing van de verdachte dat [slachtoffer 1] en hij seksuele handelingen hadden afgesproken in ruil voor geld.
De verklaringen van aangeefster [slachtoffer 2] zijn inconsistent wat betreft de manier waarop het contact is ontstaan tussen haar en de verdachte, het aantal afspraken dat heeft plaatsgevonden en het bedrag dat zou worden betaald. Bovendien passen haar gedragingen niet bij de gedachte dat zij de verdachte slechts een rondleiding zou geven en past ook de verklaring van getuige [getuige] beter bij het scenario dat vooraf over het verrichten van seksuele aanrakingen tegen betaling was gesproken.
Ten tweede is er bij beide feiten onvoldoende steunbewijs voor de verklaringen van de aangeefsters.
In het geval van [slachtoffer 1] hebben verbalisanten hevige emoties bij haar waargenomen. Toen de verbalisanten daarover zijn gehoord bij de raadsheer-commissaris, konden zij zich dit niet meer herinneren, waardoor de verdediging hun verklaringen niet heeft kunnen onderzoeken en deze derhalve niet bruikbaar zijn als steunbewijs. Bovendien kan de door de verdachte geschetste gang van zaken óók de emoties van [slachtoffer 1] verklaren. Ook het forensisch bewijs – te weten dat ‘diep vaginaal’ sperma is aangetroffen dat van de verdachte kan zijn – vormt geen steunbewijs, omdat dit niets zegt over de vraag of dwang heeft plaatsgevonden.
In het geval van [slachtoffer 2] geldt wat betreft de waargenomen emoties hetzelfde als bij [slachtoffer 1] : de betreffende verbalisant kon zich het contact niet meer herinneren en de emoties passen ook hier bij de door de verdachte gestelde gang van zaken.
Bovendien kunnen de door de verbalisanten waargenomen emoties geen steunbewijs vormen, omdat de verbalisanten de aangeefsters niet kenden en dus niet weten welke emoties zij gebruikelijk tonen.
Ten derde stelt de verdediging dat geen modus operandi kan worden vastgesteld die bij beide feiten overeenkomt en dat de verklaringen van de aangeefsters niet over en weer als schakelbewijs kunnen worden gebruikt, omdat de betrouwbaarheid van de aangeefsters ter discussie staat.
Overwegingen van het hof
Inleiding
De verdachte heeft op respectievelijk 22 januari 2022 en op 28 januari 2023 tegen betaling afgesproken met aangeefsters [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) en [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) te Amsterdam. Tijdens de ontmoetingen heeft de verdachte seksuele handelingen verricht bij de aangeefsters. In beide gevallen vonden de seksuele handelingen buiten plaats op een verlaten en beschutte plek, terwijl het donker was.
De aangeefsters hebben verklaard dat de seksuele handelingen tegen hun zin waren. De verdachte heeft verklaard dat deze handelingen met instemming van de aangeefsters plaatsvonden.
Het hof ziet zich, gelet op het voorgaande, eerst voor de vraag gesteld of de verklaringen van de aangeefsters betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs zijn. Indien daarop een bevestigend antwoord wordt gegeven, komt als vervolgvraag aan de orde of de verklaringen van de aangeefsters voldoende worden ondersteund door de inhoud van andere bewijsmiddelen.
Het hof zal eerst de feiten 1 en 2 afzonderlijk bespreken en vervolgens een voor beide feiten geldende overweging aan het gebruik van schakelbewijs wijden.
Ten aanzien van feit 1
4.3.2.1. Betrouwbaarheid verklaringen [slachtoffer 1]
Het hof stelt allereerst vast dat de verklaringen van [slachtoffer 1] op enkele punten niet consistent zijn.
Ten eerste heeft [slachtoffer 1] niet consistent verklaard over de manier waarop de afspraak met de verdachte is gemaakt en zij met de verdachte in contact is gekomen. Zo heeft zij aanvankelijk bij de politie ter plaatse en in het ‘informatief gesprek zeden’ (beide op 28 januari 2023) verklaard dat zij via Snapchat had afgesproken met ene [persoon 1] (met het account [account 1] ), dat [persoon 1] ’s broer haar zou ophalen en dat zij toen door de verdachte is opgehaald. Bij de aangifte (op 8 februari 2023) heeft zij echter verklaard dat zij op Snapchat contact had met ‘ [persoon 2] ’ van het account ‘ [account 2] ’, en nog iets later (op 7 maart 2023) heeft zij verklaard dat zij met ‘ [persoon 2] ’ contact had om een rondleiding te geven in Den Haag of Amsterdam voor een groot geldbedrag, maar dat uiteindelijk niet heeft gedaan vanwege haar afspraak met [persoon 1] . Pas bij het verhoor bij de rechter-commissaris (op 12 februari 2024) heeft [slachtoffer 1] verklaard dat zij niet met [persoon 1] had afgesproken, maar met ‘ [account 2] ’, van wie zij € 1.000,00 zou krijgen om Amsterdam aan een man te laten zien.
Ten tweede heeft [slachtoffer 1] enigszins inconsistent verklaard over de manier waarop de dwang zou hebben plaatsgevonden. Zo heeft zij in het ‘informatief gesprek zeden’ verklaard dat de verdachte haar onder meer vastpakte bij haar armen en tegen een boom duwde en haar broek en boxer deels uittrok, waarna de verdachte haar voorover boog en van achteren penetreerde. Tijdens haar latere verhoren in februari en maart 2023 heeft [slachtoffer 1] (hier door het hof samengevat) verklaard, dat de verdachte daarnaast zei dat hij dit niet voor niks doet en dat [slachtoffer 1] hem blij moest maken, anders ‘heb je een probleem’.
Anders dan de verdediging heeft betoogd, doen de hiervoor genoemde inconsistenties naar het oordeel van het hof niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1] ten aanzien van de seksuele handelingen en de omstandigheden waaronder die hebben plaatsgevonden. [slachtoffer 1] heeft immers in de kern steeds hetzelfde verklaard over de manier waarop zij door de verdachte naar het park is meegenomen, daar onverhoeds op een afgelegen plek door hem is vastgepakt en is gedwongen tot het plegen en dulden van seksuele handelingen. Dat [slachtoffer 1] later aan de ‘dwangmiddelen’ heeft toegevoegd dat de verdachte haar ook heeft gezegd om mee te werken, is daarop slechts een aanvulling en maakt het daarvóór verklaarde niet ongeloofwaardig. Ook de omstandigheid dat [slachtoffer 1] wisselend heeft verklaard over de manier waarop de ontmoeting tot stand is gekomen, maakt niet dat haar verklaring over de ontmoeting en het directe vervolg daarop zelf onbetrouwbaar is; met de rechtbank acht het hof de uitleg van [slachtoffer 1] – dat zij zich erg schaamde omdat zij als jonge vrouw voor een geldbedrag had afgesproken met een vreemde man, terwijl zij thuis een vriend en een jong kind had – plausibel als reden dat zij hieromtrent aanvankelijk onware verklaringen heeft afgelegd. Aan haar verklaringen over de ontmoeting en de daarop volgende seksuele handelingen zelf doet dit niet af.
Aan de stelling van de raadsman dat de omstandigheid dat [slachtoffer 1] ná de ontmoeting nog telefonisch contact heeft gezocht met de verdachte afbreuk doet aan haar geloofwaardigheid, gaat het hof voorbij. Er is immers niet gebleken dat [slachtoffer 1] de verdachte belde met het doel om geld van hem te ontvangen. Overigens, ook als dat wel het geval zou zijn, doet dat op zichzelf nog niet af aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen omtrent de gestelde verkrachting.
Het hof komt, gelet op het voorgaande, tot de conclusie dat de verklaringen van [slachtoffer 1] voldoende betrouwbaar zijn.
4.3.2.2. Steunbewijs voor verklaringen [slachtoffer 1]
Het hof komt voorts tot het oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 1] in voldoende mate worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.
Ten eerste merkt het hof als steunbewijs aan de emotionele toestand van [slachtoffer 1] die door de verbalisanten is waargenomen toen zij [slachtoffer 1] kort na het gebeurde aantroffen op het Centraal Station, en zo ook haar emotionele toestand bij het zien van de boom waar de verkrachting volgens haar had plaatsgevonden en toen haar de foto van de verdachte werd getoond. Op beide momenten namen de verbalisanten hevige emoties bij [slachtoffer 1] waar, die gekoppeld waren aan omstandigheden die met de verkrachting te maken hadden. Aan de stelling van de verdediging dat de bevindingen van de verbalisanten die betrekking hebben op de door hen waargenomen emoties bij [slachtoffer 1] niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, gaat het hof voorbij: de enkele omstandigheid dat de verbalisanten, jaren later, zich bij de rechter-commissaris hun waarnemingen van destijds niet meer (volledig) konden herinneren, maakt niet dat hun oorspronkelijke processen-verbaal waarin die waarnemingen zijn gerelateerd onbetrouwbaar zijn of dat daaraan geen bewijswaarde meer kan worden toegekend. Tot slot kan het hof zich niet vinden in de stelling van de verdediging dat de verbalisanten [slachtoffer 1] hadden moeten kennen om iets over haar emoties te kunnen zeggen, nu de verbalisanten immers op duidelijke wijze hebben omschreven welke emoties zij bij [slachtoffer 1] waarnamen en hoe [slachtoffer 1] die emoties uitte.
Ten tweede merkt het hof de resultaten van het forensisch onderzoek aan als steunbewijs. In de bemonsteringen die (a) diep vaginaal bij [slachtoffer 1] , (b) op de achterzijde van de buitenkant van [slachtoffer 1] broek nabij de tailleband en (c) op de bil van [slachtoffer 1] zijn afgenomen, is sperma aangetroffen. Voor deze bemonsteringen is de bewijskracht berekend en bij al deze drie bemonsteringen is geconcludeerd dat het hoogstwaarschijnlijk is dat het in de sperma aangetroffen DNA afkomstig is van de verdachte. Het hof overweegt dat deze bevindingen passen bij de verklaring van [slachtoffer 1] dat de verdachte haar van achteren vaginaal heeft gepenetreerd.
De verdachte heeft omtrent het onder 1 tenlastegelegde wisselend verklaard en geen duidelijke en aannemelijke verklaring gegeven over de oorzaak van de uitkomst van het DNA-onderzoek. De verdachte heeft telkens verklaard dat er geen vaginale penetratie heeft plaatsgevonden en dat hij zich aftrok terwijl hij tegenover [slachtoffer 1] stond. De verdachte heeft over zijn klaarkomen aanvankelijk verklaard dat zijn sperma op de grond terechtkwam en niet op [slachtoffer 1] . Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij verklaard dat zijn sperma ergens op [slachtoffer 1] was terechtgekomen, maar hij wist niet precies waar, en dat hij zijn shirt aan [slachtoffer 1] gaf zodat zij zich schoon kon maken. Pas toen hij geconfronteerd werd met het forensisch bewijs, heeft de verdachte verklaard dat hij met sperma op zijn handen de billen en het lichaam van [slachtoffer 1] heeft aangeraakt en ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het sperma bij het klaarkomen terechtkwam in het gebied rond het kruis en de bovenbenen van [slachtoffer 1] . Het hof concludeert derhalve dat de verklaringen van verdachte geen afbreuk doen aan de waarde van de uitkomsten van het forensisch onderzoek als steunbewijs.
Ten aanzien van feit 2
4.3.3.1. Betrouwbaarheid verklaringen [slachtoffer 2]
Het hof stelt allereerst vast dat de verklaringen van [slachtoffer 2] op enkele punten niet consistent zijn.
[slachtoffer 2] heeft namelijk niet consistent verklaard over wie het contact met de verdachte heeft onderhouden, hoeveel afspraken zij met de verdachte heeft gehad en hoeveel geld hiervoor is betaald. [slachtoffer 2] heeft immers aanvankelijk bij de politie (hier door het hof samengevat) verklaard dat zij via een vriendin een afspraak had met een Arubaanse man om mee te chillen en een rondje te lopen, waarvoor zij € 800,00 zou krijgen, waarvan zij € 400,00 mocht houden. In het ‘informatief gesprek zeden’ heeft [slachtoffer 2] verklaard dat zij € 600,00 zou krijgen om te lopen en te praten met de Arubaanse man, en dat zij dit geld zou delen met de vriendin die de afspraak had gemaakt. Bij het doen van haar aangifte heeft [slachtoffer 2] verklaard dat zij toch zélf de afspraak had gemaakt voor het geven van een rondleiding en daarvoor een bedrag van € 800,00 zou krijgen. Tijdens de twee laatste verhoren heeft zij verklaard dat zij de verdachte al eerder had ontmoet – waarbij zij overigens wel is betaald.
Deze inconsistenties zijn naar het oordeel van het hof niet van een zodanige aard dat de verklaringen van [slachtoffer 2] over de kern van de tenlastegelegde verkrachting – de plaatsgevonden seksuele handelingen en de daarmee gepaard gaande dwang – als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. Daarover heeft zij namelijk wel telkens, al vanaf de eerste verklaring, voor het belangrijkste deel consistent verklaard, in die zin dat zij door de verdachte naar een beschutte plek met bomen en bosjes is meegenomen en bij haar arm is gepakt, dat de verdachte haar broek heeft losgemaakt en haar vagina heeft betast en dat de verdachte vervolgens bij haar is binnengedrongen. De latere verklaring van [slachtoffer 2] , inhoudende dat zij ook op haar borsten is aangeraakt door de verdachte, maakt het voorgaande niet anders, nu dit wat betreft de ernst van het geheel een relatief ondergeschikt onderdeel is van de tenlastelegging en in aanmerking genomen dat de verdachte het aanraken van haar borsten heeft bekend.
Het hof komt, gelet op het voorgaande, tot de conclusie dat de verklaringen van [slachtoffer 2] voldoende betrouwbaar zijn.
4.3.3.2. Steunbewijs voor verklaringen [slachtoffer 2]
Het hof komt voorts tot het oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 2] in voldoende mate worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.
Ten eerste merkt het hof als steunbewijs aan de emotionele toestand van [slachtoffer 2] , die de verbalisant heeft waargenomen toen zij [slachtoffer 2] kort na het gebeurde aantrof in een pizzarestaurant. De verbalisant trof [slachtoffer 2] toen immers aan terwijl zij, aldus de eigen waarneming van deze verbalisant, in elkaar gedoken op de grond zat, haar armen over haar hoofd had, aan het huilen was en aan het trillen was over haar hele lijf. De verbalisant kreeg pas na een aantal minuten contact met [slachtoffer 2] en merkte op dat [slachtoffer 2] moeilijk uit haar woorden kwam. Met betrekking tot het verweer van de raadsman, inhoudend dat de waarnemingen van de verbalisant niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt en dat daaraan geen waarde kan worden gehecht omdat de verbalisant [slachtoffer 2] niet kende, verwijst het hof in overeenkomstige zin naar hetgeen onder 4.3.2.2 ten aanzien van [slachtoffer 1] is overwogen.
Ten tweede ziet het hof in de omstandigheid dat de verbalisant, toen zij [slachtoffer 2] vanaf voornoemd pizzarestaurant naar het politiebureau meenam, heeft waargenomen dat de riem van [slachtoffer 2] los zat, steun voor de verklaringen van [slachtoffer 2] , nu deze waarneming past bij de verklaring van [slachtoffer 2] dat de verdachte haar riem had losgemaakt en dat ze deze zelf niet meer dicht kreeg nadat de seksuele handelingen hadden plaatsgevonden.
Ten aanzien van het schakelbewijs
Met de term schakelbewijs wordt doorgaans aangeduid een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. De vraag of de redengevendheid van dergelijk, in diverse varianten voorkomend, schakelbewijs begrijpelijk is, moet worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan (de zogenoemde modus operandi) op essentiële punten overeenkomt.
Het hof heeft acht geslagen op de twee in de onderhavige strafzaak aan de orde zijnde feiten. Daarnaast heeft het hof gelet op een andere strafzaak tegen de verdachte met pleegdatum 13 oktober 2020, waarvan de feiten en omstandigheden zijn beschreven in het dossier (doorgenummerde pagina’s 173 e.v.).
Het hof komt tot het oordeel dat de wijze waarop deze drie feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt, namelijk:
de verdachte legt op sociale media contact met een jonge vrouw door een valse naam of identiteit aan te nemen;
de verdachte spreekt met de jonge vrouw af voor een rondleiding, dan wel om een rondje te lopen en te praten, in ruil voor een toegezegd geldbedrag van honderden euro’s;
de ontmoeting vindt plaats op een door de verdachte voorgestelde plek;
de verdachte neemt de vrouw van die plek mee naar een afgelegen plaats, alwaar de verkrachting plaatsvindt.
Gelet op het bovenstaande maakt het hof gebruik van een schakelbewijsconstructie, zodat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] over en weer als steunbewijs dienen en de overeenkomende modus operandi uit voornoemde andere strafzaak als steunbewijs dient voor beide tenlastegelegde feiten.
5. Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1: hij op 28 januari 2023 te Amsterdam [slachtoffer 1] , door geweld en een andere feitelijkheid en bedreiging met geweld heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten
en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheid en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte
feit 2: hij op 22 januari 2022 te Amsterdam [slachtoffer 2] , door geweld en een andere feitelijkheid heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , te weten
en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheid hierin dat verdachte
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen, opgenomen in bijlage I, zijn vervat.
6. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:
telkens: verkrachting.
7. Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.
8. Oplegging van straf en maatregelen
Inleiding
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank hem een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.
Standpunten van partijen
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft zij gevorderd dat de verdachte een GVM en een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van 2 jaren wordt opgelegd, te weten een contactverbod met de slachtoffers.
De raadsman heeft betoogd dat bij een bewezenverklaring de door de rechtbank opgelegde straf passend kan worden geacht. De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de GVM. Desgevraagd heeft de verdachte aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een contactverbod met de slachtoffers.
Oordeel van het hof
Algemene overweging
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich in een periode van iets meer dan een jaar schuldig gemaakt aan twee verkrachtingen. Hij heeft onder valse voorwendselen met de slachtoffers afgesproken, hen naar hem toe laten komen, hen in het donker meegenomen naar een afgelegen plek met bomen en bosjes en daar tegen hun wil seksuele handelingen met hen verricht. In het eerste geval (22 januari 2022) bestonden die seksuele handelingen uit het betasten van de borsten en vagina en het binnendringen van de vagina met zijn vingers. In het tweede geval (28 januari 2023) ging de verdachte nog verder, door zich te laten pijpen en zijn penis in de vagina van het slachtoffer te duwen.
De verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers. Het moet voor hen een uiterst angstaanjagende ervaring zijn geweest om op een donkere en koude winteravond op een afgelegen plek, terwijl zij alleen met de verdachte waren, onverhoeds door hem te worden vastgepakt en achter een boom te worden verkracht. Algemeen bekend is dat dergelijke feiten voor een lange tijd – en niet zelden voor altijd – ernstige psychische gevolgen veroorzaken voor de slachtoffers ervan. Dat is in het geval van deze slachtoffers niet anders, zoals is gebleken uit de onderbouwing van hun vorderingen tot schadevergoeding en de indringende verklaringen die namens hen ter terechtzitting zijn voorgelezen.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op straffen die in soortgelijke zaken door rechters worden opgelegd en die worden genoemd in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Hierin wordt voor een verkrachting met beperkte mate van dwang een gevangenisstraf van 24 maanden genoemd en voor een verkrachting met geweld of daarmee vergelijkbare mate van dwang een gevangenisstraf van 36 maanden. Het hof zal deze oriëntatiepunten betrekken bij de strafoplegging.
Het hof houdt er in strafverzwarende zin rekening mee, dat de verdachte de slachtoffers met het vooruitzicht van grote geldbedragen voor een rondleiding planmatig heeft misleid om hen daarmee naar zich toe te lokken, er sprake is van een groot leeftijdsverschil tussen de verdachte enerzijds en de betrekkelijk jonge slachtoffers anderzijds ( [slachtoffer 1] was ten tijde van het feit 23 jaar oud, [slachtoffer 2] was slechts 19 jaar oud), de feiten in het donker plaatsvonden op verlaten plekken (in een park) met bomen en bosjes en de verdachte in het geval van [slachtoffer 1] geen condoom heeft gebruikt en aldus het risico op of in ieder geval de angst voor zwangerschap en het oplopen van seksueel overdraagbare aandoeningen heeft veroorzaakt.
Persoon van de verdachte
Ten aanzien van de persoon van de verdachte zijn diverse rapporten opgemaakt door gedragsdeskundigen en de reclassering. De gedragsdeskundigen van het Pieter Baancentrum hebben de verdachte uitgebreid onderzocht en hebben in het rapport van 12 maart 2024 geconcludeerd dat geen (forensisch relevante) stoornis kan worden vastgesteld. Het hof rekent de feiten dan ook volledig aan de verdachte toe en ziet in de persoon van de verdachte geen aanleiding om de straf te matigen. Op de adviezen van de reclassering zal het hof onder 8.3.7. nader ingaan.
In strafverzwarende zin weegt het hof voorts mee dat de voorlopige hechtenis van de verdachte in een andere strafzaak – die eveneens draaide om een verdenking van verkrachting – geschorst was ten tijde van de verkrachting van [slachtoffer 2] en dat hij vervolgens, nadat hij reeds door de rechtbank in die andere strafzaak was veroordeeld, de verkrachting van [slachtoffer 1] heeft gepleegd. De veroordeling in deze andere zaak is inmiddels onherroepelijk. Alhoewel het destijds nog ging om een verdenking en een nog niet-onherroepelijke veroordeling, was de verdachte daardoor al wel reeds een gewaarschuwd man. Hieraan heeft de verdachte kennelijk geen boodschap gehad. Tot slot weegt het hof in strafverzwarende zin mee dat de verdachte geen enkel inzicht heeft getoond in het kwalijke van zijn handelen.
Tussenconclusie
Gelet op de ernst van de feiten en de voornoemde strafverzwarende omstandigheden, neemt het hof, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren als uitgangspunt.
Redelijke termijn
Het hof heeft in strafverminderende zin rekening gehouden met de omstandigheid dat de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In eerste aanleg is de verdachte op 1 februari 2023 in verzekering gesteld en de rechtbank heeft op 11 juni 2024 uitspraak gedaan, waardoor de redelijke termijn in eerste aanleg met 11 dagen is overschreden. Daarnaast heeft de verdachte op 11 juni 2024 hoger beroep ingesteld en doet het hof op 30 september 2026 uitspraak, waardoor de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 11 maanden is overschreden. In deze termijnoverschrijding van in totaal bijna 12 maanden ziet het hof aanleiding om de op te leggen gevangenisstraf met 6 maanden te verlagen.
Oplegging van gevangenisstraf
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 6 maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Oplegging van gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een GVM is voldaan. De verdachte heeft zich immers tweemaal schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen en waarop een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Aan de verdachte wordt ter zake van deze strafbare feiten bovendien een gevangenisstraf opgelegd.
De gedragsdeskundigen van het Pieter Baancentrum concluderen in het rapport van 12 maart 2024 dat al langere tijd een bepaald gedragspatroon zichtbaar is bij betrokkene, waarbij hij contact zoekt met vrouwen met als doel om seksueel contact te hebben, hetgeen bij de rapporteurs een zorgelijk beeld doet ontstaan, ook voor de toekomst. In het reclasseringsadvies van 8 april 2024 heeft de reclassering aangegeven dat het risico op herhaling wordt ingeschat als hoog, evenals het risico op letsel en het onttrekken aan voorwaarden. Bij een veroordeling adviseerde de reclassering in dat rapport de oplegging van een GVM ter bescherming van de veiligheid van de samenleving, omdat: ‘bij personen met een hoog recidiverisico op gewelds- en/of zedendelicten, die medewerking weigeren of zich niet blijken te kunnen conformeren aan de bijzondere voorwaarden, een GVM een uitkomst [kan] bieden. Het biedt een stevig dwangkader en indien betrokkene zich niet houdt aan de betreffende voorwaarden, kan er vervangende hechtenis plaatsvinden’. In de meer recente reclasseringsadviezen van 14 januari 2026 en 18 maart 2026 is de inschatting van die risico’s niet veranderd. In een recente aanvulling van 9 september 2026 heeft de reclassering aangegeven dat het advies uit 2024 om een GVM op te leggen niet is gewijzigd.
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen aangewezen. Het hof zal daarom tot de oplegging van deze maatregel overgaan.
Oplegging van contactverbod
Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een contactverbod op basis van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht is voldaan. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen ten aanzien van het gevaar op herhaling, is naar het oordeel van het hof de oplegging van een contactverbod met de slachtoffers wenselijk ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten. Daar komt bij dat de benadeelde partijen expliciet om een contactverbod hebben verzocht en de verdachte heeft verklaard daartegen geen bezwaar te hebben. Het hof zal daarom tot de oplegging van deze maatregel overgaan.
Voorlopige hechtenis
Het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte is in de onderhavige zaak met ingang van 15 april 2026 geschorst zodat de verdachte het nog niet uitgezeten deel van de openstaande gevangenisstraf in de zaak met parketnummer 23-000405-22 kan ondergaan – onder de voorwaarde dat geen detentiefasering zal plaatsvinden (dus geen toekenning van verloven en geen deelname aan een penitentiair programma) – waarna de voorlopige hechtenis in de onderhavige zaak weer zal herleven.
In het geval dat de schorsing van de voorlopige hechtenis in de onderhavige zaak wordt opgeheven, vóór het onherroepelijk worden van dit arrest, heft het hof op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de (tenuitvoerlegging van de) straf.
9. Vorderingen van de benadeelde partijen
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
Omvang van de vordering
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.854,40 en bestaat uit € 854,40 materiële schade en € 10.000,00 immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen ten aanzien van de materiële schade en tot een bedrag van € 7.500,00 toegewezen ten aanzien van de immateriële schade.
Standpunten van de partijen
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Daarnaast heeft de benadeelde partij het hof verzocht om ten behoeve van de immateriële schade een schadevergoedingsmaatregel op te leggen die hoger is dan de oorspronkelijke vordering, namelijk voor een bedrag van € 20.000,00. De immateriële schade is namelijk hoger gebleken dan bij het opstellen van de vordering is voorzien.
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering tot vergoeding van materiële schade gerefereerd aan het oordeel van het hof. De immateriële schadevergoeding dient echter beperkt te worden tot een bedrag van € 2.500,00 en het verzoek van de benadeelde partij om een schadevergoeding op te leggen die hoger is dan het oorspronkelijk gevorderde bedrag dient te worden afgewezen.
Oordeel van het hof
9.1.3.1. Materiële schade
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 770,00 gevorderd ter vergoeding van het eigen risico dat zij over 2023 en 2024 ten behoeve van de psychische behandelingen (die het gevolg zijn van het onder 1 bewezenverklaarde) moest betalen. Daarnaast heeft zij een bedrag van € 84,40 gevorderd ten behoeve van reis-, kilometer- en parkeerkosten die zij ten behoeve van de medische behandelingen heeft gemaakt.
Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van materiële schade overweegt het hof dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij deze schade als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks heeft geleden, gelet op de gemotiveerde en onderbouwde stellingen van de benadeelde partij, die door de verdediging niet zijn betwist. Dit deel van de vordering, dat het hof niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, ligt dan ook voor toewijzing gereed, zodat de vordering tot vergoeding van de materiële schade geheel zal worden toegewezen.
9.1.3.2. Immateriële schade
Van aantasting in de persoon 'op andere wijze' in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld. De benadeelde partij heeft gesteld en voldoende onderbouwd dat zij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de medische stukken is gebleken dat zij als gevolg van de verkrachting een trauma en een posttraumatische stressstoornis (PTSS) heeft opgelopen, waarvoor zij diverse behandelingen heeft gevolgd. Hiermee is voldoende onderbouwd dat sprake is van immateriële schade en dat de benadeelde partij vanwege de ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW recht heeft op een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding. Overigens merkt het hof op, dat de aard en de ernst van de normschending in deze zaak ook al meebrengen dat de in dit verband nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Bij de bepaling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding heeft het hof gelet op de vergoedingen die in soortgelijke zaken door rechters worden toegewezen en heeft het hof acht geslagen op de Rotterdamse Schaal (Raad voor de Rechtspraak, Rotterdamse Schaal, Den Haag: WJS Uitgevers 2025). Daarin worden in paragraaf 14.2 categorieën genoemd behorend bij PTSS. In het geval van de benadeelde partij zijn elementen aan te wijzen die vallen onder categorie c, ‘middelzwaar’ (in deze gevallen is de benadeelde grotendeels hersteld en leiden de klachten niet tot ernstige beperkingen). Aangezien de benadeelde partij in de onderhavige zaak langdurige psychische hulp heeft gekregen en enige tekenen van herstel toont, maar ook nog altijd – meer dan 3,5 jaren na het feit – aanzienlijke psychische klachten heeft, moet naar het oordeel van het hof worden aangesloten bij de bovenkant van de genoemde categorie c. In die categorie c wordt een bandbreedte van € 5.500 tot € 16.000 genoemd. Gelet hierop is het door de benadeelde partij gevorderde bedrag alleszins billijk en zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade geheel worden toegewezen.
9.1.3.3. Schadevergoedingsmaatregel
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de hiervoor genoemde materiële en immateriële schade door de verdachte wordt vergoed. Anders dan de benadeelde partij heeft verzocht, ziet het hof geen aanleiding om een schadevergoedingsmaatregel op te leggen die hoger is dan de toegewezen schadevergoeding. Daartoe overweegt het hof als volgt.
Het hof stelt voorop dat de vordering van een benadeelde partij op grond van artikel 421 van het Wetboek van Strafvordering in hoger beroep niet kan worden verhoogd. Volgens vaste rechtspraak moet de in dit wetsartikel opgenomen beperking zo worden uitgelegd dat de benadeelde partij in hoger beroep niet alsnog schadeposten mag opvoeren die in eerste aanleg niet zijn opgevoerd, en evenmin het bedrag van de in eerste aanleg wel opgevoerde schadeposten mag verhogen.
De strafrechter kan ambtshalve, los van een door de benadeelde partij ingestelde vordering, de in artikel 36f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde schadevergoedingsmaatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.
Het hof overweegt dat het hierboven omschreven verbod tot verhoging van de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep betekent dat zeer terughoudend moet worden omgegaan met toepassing van de mogelijkheid om in hoger beroep over te gaan tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel die de hoogte van de oorspronkelijke vordering van de benadeelde partij overstijgt. Deze mogelijkheid dient te worden voorbehouden aan zeer uitzonderlijke gevallen. Daarbij kan gedacht worden aan gevallen waarin sprake is van schade die in eerste aanleg in het geheel niet was te voorzien. Van een dergelijk zeer uitzonderlijk geval is naar het oordeel van het hof niet gebleken; in dit verband overweegt het hof dat de gevorderde schade ziet op immateriële schade die in eerste aanleg reeds bestond én waarvoor de benadeelde partij, in samenspraak met haar advocaat, destijds reeds een vordering heeft ingediend.
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
Omvang van de vordering
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,00 ter vergoeding van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.500,00.
Standpunten van partijen
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De verdediging heeft aangevoerd dat de immateriële schadevergoeding beperkt dient te worden tot een bedrag van € 2.500,00.
Oordeel van het hof
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Niet is gebleken dat bij de benadeelde partij geestelijk letsel is vastgesteld. Evenwel brengen de aard en de ernst van de normschending in deze zaak met zich dat een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW kan worden aangenomen, nu sprake is van een zodanig grove inbreuk op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij dat de in dit verband nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Op grond van artikel 6:106 van het BW heeft de benadeelde partij dan ook recht op een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding.
Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding gelet op de bandbreedte genoemd in paragraaf 15.1 (verkrachting), onder categorie c, ‘tamelijk ernstig’ (te weten: een eenmalige verkrachting) van de hiervoor reeds genoemde Rotterdamse Schaal. In deze categorie wordt een bandbreedte van € 2.500 tot € 7.500 genoemd. Daarbij geldt dat het hof betekenis toekent aan de factoren genoemd in de Rotterdamse Schaal onder iii, ‘handelswijze van de dader’ v, ‘locatie’ en vii, ‘kwetsbaarheid en leeftijd, en het leeftijdsverschil met de dader’ – te weten de manipulatieve wijze waarop de verdachte de veel jongere, destijds 19-jarige benadeelde partij onder valse voorwendselen heeft meegenomen naar een donkere, afgelegen plaats, alwaar de verkrachting heeft plaatsgevonden. Hierin ziet het hof aanleiding aansluiting te vinden bij het midden van voornoemde bandbreedte. Gelet hierop is het door de benadeelde partij gevorderde bedrag billijk en zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade geheel worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 38v, 38w, 38z, 57, 63 (oud) en 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
11. BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren en 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal leggen of onderhouden met de slachtoffers, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 2] 1999 in [geboorteland 2] en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 3] 2002 te [geboorteplaats] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.854,40 (tienduizend achthonderdvierenvijftig euro en veertig cent) bestaande uit € 854,40 (achthonderdvierenvijftig euro en veertig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.854,40 (tienduizend achthonderdvierenvijftig euro en veertig cent) bestaande uit € 854,40 (achthonderdvierenvijftig euro en veertig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 79 (negenenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 januari 2024 en van de immateriële schade op 28 januari 2023.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 januari 2022.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de (tenuitvoerlegging van de) straf.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E.J Hofstee, mr. R.A.J. Hübel en mr. H. Sytema, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 september 2026.