GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.362.955/01 (bodemprocedure)
zaaknummer rechtbank: C/15/370681 / FA RK 25-5259
beschikking van de meervoudige kamer van 29 september 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. S. Tromp te Hoorn,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.C. Rijnierse te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).
1. De zaak in het kort
De rechtbank heeft bij beschikking van 12 december 2025 bepaald dat de vader met ingang van 1 april 2025 een kinderbijdrage van € 750,- per maand aan de moeder moet betalen. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De vader heeft in de procedure bij de rechtbank niet tijdig een verweerschrift ingediend. De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank en verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen. Ook heeft de vader in zijn beroepschrift verzocht de werking van de beschikking te schorsen gedurende de procedure in hoger beroep. Bij beschikking van 9 juni 2026 heeft het hof dit verzoek toegewezen. In deze beschikking beslist het hof op het verzoek van de vader in de bodemprocedure.
2. De procedure in hoger beroep
De vader is op 23 december 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank) van 12 december 2025 (hierna: de bestreden beschikking). Het hoger beroepschrift bevat ook een verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking (zaaknummer 200.362.955/02).
De moeder heeft op 3 februari 2026 een verweerschrift ingediend in de hoofdzaak (zaaknummer 200.362.955/01) en op het verzoek om schorsing.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 13 mei 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 13 mei 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 19 mei 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 19 mei 2026 met bijlagen.
De zitting heeft op 20 mei 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Israëlische taal.
De advocaat van de moeder heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.
Na de zitting is aan partijen een verkort proces-verbaal van de zitting toegestuurd waarin de aan partijen ter zitting gegeven opdracht om nadere financiële stukken te overleggen is vastgelegd.
Bij beschikking van 9 juni 2026 is het verzoek van de vader tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking toegewezen.
Daarna heeft het hof de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 17 juni 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 23 juni 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de vader van 23 juli 2026 met bijlage;
- een bericht van de zijde van de moeder van 28 juli 2026 met bijlage.
3. De feiten
Deze zaak heeft betrekking op de kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige] , geboren [in] 2013 te [plaats B] (Duitsland) uit de relatie van de vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders).
De ouders hebben vanaf februari 2011 tot november 2015 een samenwoonrelatie met elkaar gehad.
De ouders oefenen het gezag over [minderjarige] gezamenlijk uit.
[minderjarige] woont bij de moeder. De ouders hebben in onderling overleg afgesproken dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft en dat [minderjarige] iedere week van dinsdag tot woensdag na het avondeten bij de vader verblijft. Sinds april 2025 wordt er geen uitvoering aan deze regeling gegeven en heeft de vader (vrijwel) geen contact meer met [minderjarige] .
Bij beschikking van 2 juni 2023 heeft de rechtbank op verzoek van de moeder bepaald dat de vader aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna: de kinderbijdrage) met ingang van 1 december 2022 een bedrag van € 69,- per maand, en na wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2023 een bedrag van € 71,35 per maand moet betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
4. De omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, op verzoek van de moeder bepaald dat de vader met ingang van 1 april 2025 een kinderbijdrage van € 750,- per maand aan de moeder moet betalen.
De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en primair te bepalen dat de moeder alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar inleidend verzoek, dan wel subsidiair te bepalen dat het inleidend verzoek van de moeder alsnog wordt afgewezen zodat de kinderbijdrage die is bepaald in de beschikking van 2 juni 2023 zal herleven.
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep, dan wel het verzoek van de vader in hoger beroep af te wijzen, althans ongegrond te verklaren.
5. De motivering van de beslissing
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om te oordelen over het verzoek met betrekking tot de kinderbijdrage. Nu tegen het oordeel van de rechtbank dat op deze verzoeken naar Nederlands recht wordt beslist niet wordt gegriefd, zal ook het hof van de toepasselijkheid van het Nederlandse recht uitgaan.
Wijziging van omstandigheden
Het hof stelt vast dat de rechtbank bij beschikking van 2 juni 2023 voor de eerste keer een kinderbijdrage heeft vastgesteld en het hof begrijpt het inleidend verzoek van de moeder van 14 oktober 2025 aldus dat zij niet om een eerste vaststelling van een kinderbijdrage verzoekt maar dat zij verzoekt om een wijziging van de eerder vastgestelde kinderbijdrage. In de kop van het inleidend verzoekschrift is ook duidelijk vermeld: verzoek wijziging kinderalimentatie. Ook de vader is in zijn beroepschrift in onderhavige procedure ervan uitgegaan dat de moeder heeft verzocht om wijziging van de eerder vastgestelde kinderbijdrage. Het hof zal het verzoek van de moeder dan ook beoordelen als een verzoek tot wijziging van de bij beschikking van 2 juni 2023 vastgestelde kinderbijdrage.
Aan de orde is daarom de vraag of sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van deze bepaling kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, als de uitspraak nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Als het hof tot de conclusie komt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden dan behoort het hof aan de hand van alle op het moment van wijziging bestaande omstandigheden de nieuwe kinderbijdrage te bepalen.
De ouders verschillen van mening over de vraag of sprake is van een wijziging van omstandigheden.
De moeder stelt dat er sinds april 2025 sprake is van een gewijzigde situatie omdat [minderjarige] sindsdien volledig bij haar verblijft en zij hierdoor aanzienlijk meer kosten dan gebruikelijk maakt voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . De vader kan volgens de moeder met een bedrag van € 750,- bijdragen aan de kosten van [minderjarige] omdat hij de kosten die hij normaal gesproken voor [minderjarige] zou maken sinds april 2025 niet meer maakt.
De vader voert in zijn beroepschrift aan dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden. De ouders hebben destijds in onderling overleg afgesproken dat de vader met ingang van 1 januari 2023 een bedrag van € 71,35 per maand zou betalen. Ook hebben de ouders in onderling overleg afgesproken dat [minderjarige] iedere week van dinsdag tot woensdag na het avondeten bij de vader verblijft. Vanaf april 2025 is er tot spijt van de vader geen contact meer tussen hem en [minderjarige] . Hoewel [minderjarige] momenteel volledig bij de moeder verblijft is het wel de bedoeling om deze tijdelijke situatie zo spoedig mogelijk – onder begeleiding van de ingeschakelde hulpverlening – te doorbreken. De vader betwist dan ook dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die wijziging van de kinderbijdrage rechtvaardigt.
Het hof is anders dan de vader van oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die maakt dat moet worden onderzocht of de door de vader te betalen bijdrage voor [minderjarige] nog voldoet aan de wettelijke maatstaven. Vaststaat immers dat [minderjarige] sinds april 2025 volledig bij de moeder verblijft waardoor de zorgregeling die tussen partijen was afgesproken in de praktijk niet meer wordt uitgevoerd. Voor het hof is onvoldoende gebleken dat het om een tijdelijke situatie gaat, zoals de vader betoogt. Het hof zal dan ook overgaan tot een herbeoordeling van de door de vader te betalen kinderbijdrage waarbij het hof het eigen aandeel van de ouders in de behoefte van [minderjarige] , verder te noemen “de behoefte” per april 2025 behoort te betrekken en ook de draagkracht van de moeder en de vader per april 2025.
Het hof overweegt voorafgaand aan deze herbeoordeling dat partijen het hof op een onvoldoende inzichtelijke wijze hebben geïnformeerd over hun inkomensposities in de periode 2015 t/m heden. Het hof zal waar mogelijk aansluiting zoeken bij hetgeen partijen naar voren hebben gebracht. Vanwege de wijze van procesvoering door partijen ontkomt het hof er evenwel niet aan om ter zake de behoefte en de draagkracht deels schattenderwijs tot een vaststelling te komen van de door de vader te betalen kinderbijdrage.
Ingangsdatum
De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum – 1 april 2025 – is tussen partijen in hoger beroep niet in geschil zodat het hof ook van deze ingangsdatum zal uitgaan.
Behoefte [minderjarige]
Ten tijde van het uiteengaan van de ouders in november 2015 is de behoefte van [minderjarige] aan een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging niet vastgesteld. Ook later is dit niet gedaan, reden waarom het hof in het navolgende allereerst de behoefte van [minderjarige] zal vaststellen. Uitgangspunt voor het bepalen van de behoefte van een minderjarige is het netto besteedbaar gezinsinkomen dat de ouders gezamenlijk hadden toen zij nog samen met de minderjarige in gezinsverband bij elkaar woonden. In het geval dat het inkomen van een van de ouders na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het voormalig (gezins)inkomen, wordt de behoefte bepaald op basis van enkel dit hogere inkomen van die ouder. Om een vergelijking te kunnen maken tussen het gezinsinkomen in 2015 en een eventueel hoger inkomen van een van de ouders nadien stelt het hof hierna eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2015 vast.
Netto besteedbaar gezinsinkomen in 2015
De moeder heeft onbetwist gesteld dat zij in 2015 geen inkomen had. Het inkomen van de vader in 2015 blijkt uit de verklaring geregistreerd inkomen 2015 van de Belastingdienst waarin is vermeld dat hij in 2015 een inkomen had van € 15.753,-. Het hof zal van dat inkomen uitgaan om het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2015 vast te stellen. Al hetgeen de moeder heeft gesteld over inkomsten in 2015 uit de verhuur van een woning via Airbnb laat het hof buiten beschouwing omdat de moeder deze stellingen, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de vader, onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de door de moeder overgelegde producties kan onvoldoende worden afgeleid dat de gestelde inkomsten daadwerkelijk door de vader zijn genoten. Wel houdt het hof rekening met een kindgebonden budget van € 86,- per maand, waar de ouders in 2015 naast hun eigen inkomsten aanspraak op konden maken. Verder houdt het hof ook nog rekening met de standaard heffingskorting van de vrouw in 2015, zijnde € 2.203,-. Op basis van deze inkomensgegevens bedroeg het netto besteedbaar gezinsinkomen van de ouders in 2015 € 1.227,- per maand. Uit de behoeftetabel volgt dat met dit gezinsinkomen de behoefte van [minderjarige] in 2015 kan worden vastgesteld op € 151,- per maand. Geïndexeerd naar 2025 is de behoefte van [minderjarige] , uitgaande van het netto gezinsinkomen in 2015, € 203,- per maand.
Hoger inkomen van een van de ouders na 2015?
Het hof stelt vast dat de moeder in de jaren na 2015 is gaan werken en een inkomen is gaan genereren dat in ieder geval in 2023 hoger was dan het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2015. In het inleidend verzoekschrift van de moeder van 4 april 2023 dat heeft geleid tot de beschikking van 2 juni 2023 heeft de moeder immers zelf gesteld dat haar netto besteedbaar inkomen € 2.479,- per maand bedraagt en dat van de vader € 1.666,-. Het hof zal daarom bij de vaststelling van de behoefte van [minderjarige] uitgaan van het netto besteedbaar inkomen van de moeder van € 2.479,- per maand. Aan de hand van de behoeftetabel stelt het hof de behoefte van [minderjarige] vast op € 329,- per maand (in 2023). Geïndexeerd naar 2025 is de behoefte van [minderjarige] € 372,- per maand.
De draagkracht van de ouders
Bij de berekening van de kinderbijdrage moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders per april 2025 kan bijdragen in de vastgestelde behoefte van [minderjarige] . Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. De ouders behoren naar draagkracht in de behoefte van [minderjarige] te voorzien.
Voor het berekenen van de draagkracht van de ouders maakt het hof gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt het hof naar wat er van het inkomen overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent het hof met het netto besteedbaar maandinkomen (NBI). Aan de uitgavenkant rekent het hof met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm. Alle uitgaven vormen met elkaar het ‘draagkrachtloos inkomen’. Het NBI verminderd met het draagkrachtloos inkomen leidt tot de ‘draagkrachtruimte’. Van de draagkrachtruimte is 70% beschikbaar voor de kinderen. In dit geval ziet die berekening er – gebruikmakend van de formule die geldt voor 2025 – als volgt uit: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1310)].
Draagkracht van de moeder
De draagkracht van de moeder berekent het hof op € 520,- per maand. Het hof legt hierna uit hoe het tot dat bedrag is gekomen.
Het hof overweegt dat de moeder onvoldoende inzicht heeft gegeven in haar financiële positie vanaf de ingangsdatum van 1 april 2025. Het hof ziet daarom aanleiding voor de berekening van de draagkracht van de moeder aan te sluiten bij het door haarzelf in het verzoekschrift van 4 april 2023 gestelde netto besteedbaar inkomen van € 2.479,- per maand. Dit inkomen heeft het hof geïndexeerd naar 2025. Bij de indexering hanteert het hof dezelfde indexeringspercentages die gelden voor de jaarlijkse indexering van de kinderalimentatie. Het NBI van de moeder bedraagt in 2025 dan € 2.933,- per maand. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder niet dan wel onvoldoende met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd dat uit zou moeten worden gegaan van een lager netto besteedbaar inkomen aan haar zijde.
Draagkracht van de vader
Tussen partijen is in geschil van welk inkomen van de vader per april 2025 bij de bepaling van zijn draagkracht moet worden uitgegaan. De draagkracht van de vader stelt het hof gelijk aan de draagkracht van de moeder.
Volgens de moeder moet aan de zijde van de vader worden uitgegaan van een draagkracht op grond van een inkomen van € 61.776,- per jaar.
Vaststaat dat de vader in de periode van 16 augustus 2022 voor de bepaalde tijd van twaalf maanden, dus tot 16 augustus 2023 voor 24 uur per week in loondienst werkzaam is geweest als medewerker bij Stichting Gemeenschappelijke Openbare Bibliotheek [plaats A] . Aansluitend aan deze arbeidsovereenkomst ontving de vader tot 2 december 2024 een uitkering uit hoofde van de Werkloosheidswet. Na het aflopen van deze uitkering is de vader inkomen uit overige werkzaamheden gaan genieten, dit via het verkopen van zaken op onder meer het handelsplatform Marktplaats.nl. Daarnaast heeft de vader zelf aangegeven voor zijn eigen dagelijkse onderhoud te hebben ingeteerd op zijn spaargeld. De huidige situatie met [minderjarige] maakt dat de vader momenteel niet in staat is te solliciteren, aldus de vader.
Het beeld dat de vader schetst van zijn inkomen uit overige werkzaamheden, die naar het oordeel van het hof van hobbymatige aard zijn, is diffuus en kan voor het hof niet tot uitgangspunt dienen om het inkomen van de vader vast te stellen. Het hof is van oordeel dat de vader onvoldoende inzicht in zijn inkomsten en lasten heeft gegeven om zijn draagkracht te bepalen. De vader heeft aldus de voor de beslissing van het hof van belang zijnde feiten niet volledig aangevoerd. De vader handelt daarmee in strijd met artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dat komt voor zijn rekening en risico. Het hof acht het onder deze omstandigheden redelijk om de draagkracht van de vader gelijk te stellen aan de draagkracht van de moeder, derhalve op € 520,- . Dat de man een hogere draagkracht heeft dan de moeder is het hof niet gebleken. De stellingen van de vrouw op dat punt zijn onvoldoende met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd.
Draagkrachtvergelijking
De totale draagkracht van de ouders bedraagt € 1.040,- (vader € 520,- + moeder € 520,-) en is daarmee groter dan de behoefte van [minderjarige] die € 372,- bedraagt. De ouders moeten vervolgens naar rato van ieders draagkracht bijdragen in de behoefte van [minderjarige] . Het aandeel van ieder van de ouders wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het aandeel van de vader bedraagt: (€ 520 / € 1.040 x € 372 =) € 186,- per maand.
Het aandeel van de moeder bedraagt: (€ 520 / € 1.040 x € 372 =) € 186,- per maand.
Zorgkorting
Tot slot onderzoekt het hof of de vader al een deel van de kosten van verzorging en opvoeding in natura draagt en daarmee de moeder die kosten juist bespaart. Als dat zo is dan wordt de door de vader te betalen bijdrage lager. Dit wordt de ‘zorgkorting’ genoemd. Hoewel [minderjarige] op dit moment geen contact heeft met de vader en dus niet bij de vader verblijft, is het hof van oordeel dat een zorgkorting van 5% in aanmerking moet worden genomen uitgaande van de situatie dat op termijn toegewerkt zal worden naar een in ieder geval minimale zorgregeling waarbij [minderjarige] en de vader wel weer enige vorm van contact met elkaar hebben.
Nu de ouders gezamenlijk voldoende draagkracht hebben om in de totale behoefte van [minderjarige] te voorzien, zal het hof de zorgkorting volledig in mindering brengen op de te betalen kinderbijdrage. In dit geval is de zorgkorting (5% van € 372 =) € 19,-. Dit leidt ertoe dat de vader een bedrag van (€ 186 - € 19 =) € 167,- per maand aan de moeder moet betalen voor [minderjarige] .
Conclusie kinderbijdrage
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de vader in staat is om vanaf 1 april 2025 een kinderbijdrage aan de moeder te betalen van € 167,- per maand.
Indexering
Op grond van artikel 1:402a BW gaat de wettelijke indexering over de bijdrage die de vader moet betalen per 1 april 2025 pas per 1 januari 2027 in. Het hof zal daarom ambtshalve de door de vader te betalen bijdrage voor [minderjarige] met ingang van 1 januari 2026 verhogen met het indexeringspercentage (4,6%) dat van toepassing zou zijn als de wettelijke indexering wel zou gelden (HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165). Geïndexeerd per 1 januari 2026 bedraagt de door de vader te betalen bijdrage € 175,- per maand. Het hof zal dit ook in het dictum opnemen. Het hof wijst erop dat deze bijdrage jaarlijks van rechtswege wordt verhoogd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.
Alimentatie vooruitbetalen
De vader moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas achteraf wordt betaald.
Bijlagen
De volgende bijlagen zijn gehecht aan deze beschikking:
- Bijlage 1: behoefteberekening [minderjarige] 2015;
- Bijlage 2: behoefteberekening [minderjarige] 2023;
- Bijlage 3: draagkrachtberekening moeder en verdeling kosten [minderjarige] .
6. De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover is bepaald dat de vader met ingang van 1 april 2025 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 750,- per maand aan de moeder moet betalen;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt, met wijziging van de beschikking van de rechtbank van 2 juni 2023, de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 1 april 2025 op € 167,- (zegge: honderdzevenenzestig) per maand en met ingang van 1 januari 2026 op € 175,- (zegge: honderdvijfenzeventig) per maand voor zover het de toekomstige termijnen betreft telkens bij vooruitbetaling te voldoen vóór de eerste van de maand;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. M. Hermans als griffier en is op 29 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.