GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.366.463/01
zaaknummer rechtbank: C/15/372556 / FA RK 25-6263
beschikking van de meervoudige kamer van 29 september 2026 in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [plaatsA] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de vrouw,
advocaat: mr. M. de Geest te Heerhugowaard,
en
[de man] ,
wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de man,
advocaat: mr. M. Verhoog te Alkmaar.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] );
- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ).
1. De zaak in het kort
De rechtbank heeft de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie, zoals vastgesteld bij beschikking van 15 augustus 2024, gewijzigd en bepaald dat de kinderbijdrage vanaf 26 september 2025 op nihil wordt gesteld. De vrouw is het niet eens met de beslissing van de rechtbank en verzoekt de kinderbijdrage met ingang van 30 november 2025 vast te stellen op minimaal € 25,- per kind per maand. De man is het wel eens met de beslissing van de rechtbank.
2. De procedure in hoger beroep
De vrouw is op 18 maart 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 9 maart 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank).
De man heeft op 28 april 2026 een verweerschrift ingediend.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de man van 6 augustus 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de vrouw van 10 augustus 2026 met bijlage.
De zitting heeft op 21 augustus 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
De advocaat van de vrouw heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.
3. De feiten
Deze zaak heeft betrekking op de volgende kinderen van de man en de vrouw (hierna gezamenlijk: de ouders):
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2013 te [gemeente] ;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2016 te [gemeente] ,
hierna gezamenlijk: de kinderen.
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. Deze relatie is in 2018 geëindigd.
De man heeft de kinderen erkend. De ouders oefenen het gezamenlijk gezag uit over de kinderen.
De ouders zijn na de beëindiging van hun relatie overeengekomen dat de man aan de vrouw met ingang van 1 maart 2024 een bijdrage van € 210,78 per maand zal leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Deze afspraak hebben zij vastgelegd in een ouderschapsplan, door hen ondertekend op 1 mei 2024.
In voornoemd ouderschapsplan zijn de ouders daarnaast – kort samengevat – overeengekomen dat de kinderen eens per twee weken een weekend bij de man verblijven van vrijdag 18.00 uur (eten bij de man) tot zondag 19.00 uur (eten bij de man). Ook zijn de ouders overeengekomen dat de kinderen gedurende de helft van de vakanties die langer dan een week duren bij de man verblijven.
De rechtbank heeft bij beschikking van 15 augustus 2024, voor zover van belang, bepaald dat de man – conform de afspraken in het ouderschapsplan – vanaf 1 maart 2024 een bedrag van € 201,78 per maand aan kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen. De geïndexeerde kinderbijdrage bedraagt per 1 januari 2025 een bedrag van (afgerond) € 215,-.
4. De omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking op verzoek van de man de door hem aan de vrouw te betalen kinderbijdrage, zoals vastgesteld bij beschikking van 15 augustus 2024, gewijzigd en bepaald dat de kinderbijdrage vanaf 26 september 2025 op nihil wordt gesteld. De vrouw heeft in deze procedure geen verweer gevoerd.
De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en primair te bepalen dat de door de man te betalen kinderbijdrage onveranderd blijft, dan wel subsidiair indien het hof aanleiding ziet om de kinderbijdrage opnieuw te berekenen, de kinderbijdrage, zoals vastgesteld bij beschikking van 15 augustus 2024, te wijzigen en te bepalen dat de door de man te betalen kinderbijdrage met ingang van 30 november 2025 wordt vastgesteld op een bedrag van minimaal € 25,- per kind per maand.
De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep, althans haar verzoek in hoger beroep af te wijzen.
5. De motivering van de beslissing
Aan het hof ligt voor de vraag of de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage ten behoeve van de kinderen dient te worden gewijzigd.
Wijziging van omstandigheden
Aan de orde is de vraag of sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van deze bepaling kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, als de uitspraak nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
Gebleken is dat de man in 2025 ernstig letsel heeft opgelopen aan een aantal pezen in zijn rechterhand, als gevolg waarvan hij zijn hand niet goed meer kan gebruiken. De man is als gevolg van dit letsel in de Ziektewet terechtgekomen en ontvangt op dit moment een lager inkomen. De man stelt dat hij hierdoor maandelijks niet rond komt en niet in staat is om een kinderbijdrage te voldoen aan de vrouw. Ter zitting in hoger beroep is door de vrouw erkend dat sprake is van een verlaging van inkomsten van de man en dat niet verwacht kan worden dat zijn inkomen in de nabije toekomst weer gaat uitkomen op het niveau van eerder. Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake van een wijziging van omstandigheden die maakt dat moet worden onderzocht of de door de man te betalen bijdrage voor de kinderen nog voldoet aan de wettelijke maatstaven. Het hof zal dan ook overgaan tot een herbeoordeling van de door de man te betalen kinderbijdrage.
Ingangsdatum
De rechtbank heeft de ingangsdatum bepaald op 26 september 2025 nu deze datum door de man was verzocht en daartegen door de vrouw bij de rechtbank geen verweer was gevoerd. In hoger beroep heeft de vrouw aangevoerd dat de rechtbank de beslissing om terugwerkende kracht toe te passen niet heeft gemotiveerd, terwijl de rechtbank volgens vaste jurisprudentie voorzichtig zou moeten omgaan met een verlaging van een kinderbijdrage met terugwerkende kracht. De vrouw meent dat een eventuele wijziging van de kinderbijdrage niet eerder in kan gaan dan de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift door de man, te weten 30 november 2025.
Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft niet betwist dat de man haar op 26 september 2025 heeft geïnformeerd over de verandering in zijn financiële situatie. Vanaf dat moment heeft de man ook geen bijdrage meer betaald. Vanaf die datum heeft de vrouw dan ook rekening kunnen houden met een mogelijke verlaging van de kinderbijdrage. Het hof zal daarom, net als de rechtbank, de ingangsdatum van de te wijzigen kinderbijdrage bepalen op 26 september 2025.
Behoefte kinderen
De behoefte van de kinderen staat tussen partijen in hoger beroep niet ter discussie. De ouders hebben in het, door hen op 1 mei 2024 ondertekende, ouderschapsplan de kosten van de kinderen begroot op € 230,- per kind per maand in 2024. Het hof gaat daarvan uit. De geïndexeerde behoefte van de kinderen bedraagt € 245,- per kind per maand (in 2025) en € 256,- per kind per maand (in 2026).
Draagkracht van de man
Tussen partijen staat in hoger beroep ter discussie van welke draagkracht aan de zijde van de man moet worden uitgegaan. De draagkracht van de man berekent het hof op € 25,- per kind per maand. Het hof legt hierna uit hoe het tot dat bedrag is gekomen.
Vaststaat dat de man in de periode van 26 augustus 2024 tot enig moment in 2025 in loondienst werkzaam is geweest als ICT medewerker en een inkomen had van € 2.340,- bruto per maand, zo blijkt uit de door de man overgelegde jaaropgave 2024 en de salarisspecificaties over oktober, november en december 2024. In 2025 heeft de man ernstig letsel opgelopen aan een aantal pezen in zijn rechterhand, als gevolg waarvan hij zijn hand niet goed meer kan gebruiken. Tussen partijen staat niet (langer) ter discussie dat de man als gevolg van dit letsel in de Ziektewet terecht is gekomen en dat hij in de periode van oktober 2025 tot heden een inkomen in de vorm van een uitkering uit hoofde van de Ziektewet ontvangt. Deze uitkering bedraagt momenteel € 427,- bruto per week, zo blijkt uit de door de man overgelegde betaalspecificaties UWV over de periode 11 mei 2026 tot en met 21 juni 2026.
De vrouw heeft gesteld dat de man naast zijn uitkering werkzaam is in het bedrijf van zijn zus ‘Retrogaming’ en beschikt over aanvullende maandelijkse inkomsten uit de verkoop van games. De man heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij zijn werkzaamheden binnen dit bedrijf niet langer kan uitvoeren vanwege het letsel aan zijn hand en heeft betwist dat hij over aanvullende maandelijkse inkomsten zou beschikken. Nu de vrouw haar stelling op dit punt niet nader heeft onderbouwd, zal het hof deze gestelde inkomsten buiten beschouwing laten bij de bepaling van de draagkracht van de man. Naar het oordeel van het hof dient de draagkracht van de man daarom enkel aan de hand van het inkomen uit hoofde van de uitkering te worden vastgesteld.
Het hof ziet aanleiding om aan de zijde van de man een minimale draagkracht aan te nemen en zijn draagkracht vast te stellen op een afgerond bedrag van € 25,- per kind per maand tot een maximum van € 50,- per maand. Het hof sluit daarbij aan bij de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak (hierna: Expertgroep), waarin is bepaald dat bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Ziektewet een minimumdraagkracht wordt aangenomen. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van omstandigheden die aanleiding geven om in dit geval van die aanbeveling af te wijken.
De man heeft verzocht om bij de bepaling van zijn draagkracht rekening te houden met zijn werkelijke woonlasten van € 700,- per maand, omdat toepassing van de forfaitaire woonlasten volgens hem tot een onredelijke uitkomst leidt. Het hof volgt de man hierin niet. De man heeft onvoldoende onderbouwd dat hij de door hem gestelde woonlasten daadwerkelijk voor zijn woning voldoet. Hij heeft in dit verband slechts enkele pinbetalingen overgelegd. Uit deze transacties blijkt weliswaar dat de man bedragen heeft opgenomen, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat deze bedragen zijn aangewend voor het voldoen van de woonlasten van de woning. Mochten deze bedragen zijn aangewend voor de woonlasten van de man dan blijkt uit de stukken niet welke overige lasten mogelijk in het bedrag van € 700,- zijn begrepen. Nu een nadere onderbouwing van de gestelde woonlasten ontbreekt kan niet worden vastgesteld dat sprake is van duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten en ziet het hof geen aanleiding om bij de berekening van de draagkracht van de man uit te gaan van zijn gestelde werkelijke woonlasten.
Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat de man over een draagkracht beschikt van € 25,- per kind per maand. Dit brengt in beginsel mee dat de door de man te betalen kinderbijdrage met ingang van 26 september 2025 op € 25,- per kind per maand dient te worden bepaald.
Het hof ziet echter aanleiding om, gelet op de minimale financiële mogelijkheden van de man, de vernietiging van de beslissing van de rechtbank om de kinderbijdrage op nihil te stellen niet met volledige terugwerkende kracht tot 26 september 2025 te laten ingaan. Een dergelijke terugwerkende kracht zou, gelet op de financiële omstandigheden van de man, tot een voor hem aanzienlijke betalingsverplichting over het verleden leiden, terwijl de man gedurende die periode op grond van de beschikking van de rechtbank ervan mocht uitgaan dat geen kinderbijdrage verschuldigd was. Het hof acht het daarom redelijk om de door de rechtbank uitgesproken nihilstelling in stand te laten tot de 1e van de maand na de datum van de beschikking van het hof, te weten 1 oktober 2026. Met ingang van 1 oktober 2026 zal de door de man te betalen kinderbijdrage worden bepaald op € 25,- per kind per maand. Dit maakt dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen voor zover daarin de door de man te betalen kinderbijdrage in de periode van 26 september 2025 tot 1 oktober 2026 op nihil is gesteld en de bestreden beschikking zal vernietigen voor het overige en, met wijziging van de beschikking van 15 augustus 2024 in zoverre, de kinderbijdrage met ingang van 1 oktober 2026 zal bepalen op € 25,- per kind per maand.
Het hof merkt ten overvloede op dat de man ter zitting heeft verklaard bereid te zijn een hogere kinderbijdrage te voldoen indien en voor zover zijn (toekomstige) inkomen daartoe de mogelijkheid biedt. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de man, indien zijn draagkracht in de toekomst toeneemt, bereid is zijn bijdrage dienovereenkomstig aan te passen.
Indexering
Het hof wijst er verder – ten overvloede – op dat de hierna vast te stellen bijdrage jaarlijks van rechtswege wordt gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage. Het is vaste jurisprudentie dat voor indexering van rechtswege niet de ingangsdatum van de periode waarover alimentatie betaald dient te worden bepalend is, maar de datum waarop de alimentatie is vastgesteld. Per 1 januari 2027 zal daarom voor het eerst van rechtswege de alimentatie worden geïndexeerd.
Alimentatie vooruitbetalen
De man moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas achteraf wordt betaald.
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:
bepaalt, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 15 augustus 2024, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 oktober 2026 op € 25,- (zegge: VIJFENTWINTIG) per kind per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarin de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 26 september 2025 tot 1 oktober 2026 op nihil is gesteld;
verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. M. Hermans als griffier en is op 29 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.