GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
Zaaknummer gerechtshof: 200.201.220/01
Zaaknummer rechtbank: 3702779 DX EXPL 14-425
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 september 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonende in [plaats],
appellant,
hierna aan te duiden als afnemer,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard in Rotterdam,
tegen
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer in Amsterdam.
1. De procedure in eerste aanleg
Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2016 (in het vonnis abusievelijk aangeduid als 2015).
2. De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
het proces-verbaal van de regiezitting van 12 december 2016;
de rolbeslissing van 16 juli 2019;
de rolbeslissing van 29 oktober 2019;
de memorie van grieven met producties;
de memorie van antwoord met producties;
de akte uitlaten producties van afnemer.
Dexia heeft in hoger beroep als productie een memorandum overgelegd. Het hof stelt vast dat deze productie geen bewijsstuk of productie is in de zin van artikel 1.2, aanhef en onder c, van het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (LPR), maar een uitgebreid processtuk, met een uitvoerige toelichting op de standpunten van Dexia, onder verwijzing naar tal van bijlagen die bij deze productie zijn gevoegd. Voor het indienen van een dergelijk processtuk, naast de memorie die de standpunten van Dexia bevat, bestaat geen ruimte.
Op dit stuk wordt daarom geen acht geslagen. Het hof zal ook de reactie op dit stuk buiten beschouwing laten.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest.
3. De kern van de zaak
Deze zaak gaat over een effectenleaseovereenkomst, tot stand gekomen tussen Dexia en afnemer via een tussenpersoon (Horizon Leven B.V.; hierna te noemen: Horizon Leven). Aan de orde is de vraag of afnemer is geadviseerd door de tussenpersoon die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist dan wel behoorde te weten. Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist dan wel behoorde te weten, moet Dexia de volledige schade van afnemer vergoeden.
Dexia heeft gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en afnemer gesloten overeenkomst van effectenlease met nummer [nummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan afnemer verschuldigd is.
De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia jegens afnemer aan al haar verplichtingen uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst met nummer [nummer] heeft voldaan en op grond daarvan niets meer aan afnemer verschuldigd is, met veroordeling van afnemer in de proceskosten.
4. De beoordeling
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
Het hof verwijst voor de weergave van de vorderingen van Dexia en de grondslagen daarvan naar wat hiervoor is overwogen en het bestreden vonnis. Deze weergave in het vonnis is in hoger beroep niet bestreden.
In hoger beroep heeft afnemer grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis ‘voor zover het verweer van afnemer niet werd toegewezen’, en de vorderingen van Dexia jegens afnemer wel werden toegewezen, en tot het alsnog integraal afwijzen van de vorderingen van Dexia.
Dexia heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van afnemer in zijn hoger beroep, althans tot verwerping van de door hem aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.
Juridisch kader
Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad, zoals bevestigd in het arrest van 9 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:885, rov. 3.2.1 en verder), brengt de enkele omstandigheid dat Dexia in strijd met artikel 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999) – dan wel het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1995 (oud) – een effectenleaseovereenkomst heeft gesloten met een afnemer terwijl Dexia wist of behoorde te weten dat de afnemer tot het aangaan van die overeenkomst advies had gekregen van een tussenpersoon die niet beschikte over de daarvoor vereiste vergunning, mee dat de billijkheid in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat betreft de door de afnemer reeds betaalde rente, aflossing en kosten (HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 en HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935).
De Hoge Raad heeft in zijn prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:862) nader uiteengezet wanneer sprake is van een niet-toegestane advisering door een tussenpersoon. Dit is het geval indien de tussenpersoon, zonder over een vergunning te beschikken, in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product heeft gedaan. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van diens persoonlijke omstandigheden is van belang of de tussenpersoon al dan niet:
(i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer,
(ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product, en,
(iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.
Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten.
Indien de tussenpersoon zonder vergunning advies in de hiervoor bedoelde zin heeft gegeven aan een afnemer en Dexia dit wist of behoorde te begrijpen, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Daarbij is de inhoud van het advies of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct niet meer van belang. Ook niet van belang zijn daarbij de wijze waarop de tussenpersoon zijn advies heeft verstrekt, al dan niet in de vorm van een persoonlijk financieel plan, en de omstandigheid dat:
( i) de afnemer had kunnen begrijpen dat de tussenpersoon met name een bepaald effectenleaseproduct wenste te verkopen,
(ii) de tussenpersoon zich presenteerde als deskundige op het gebied van financiële advisering,
(iii) de tussenpersoon ongevraagd contact heeft gezocht met de afnemer, dan wel dat de afnemer uit eigen beweging contact heeft gezocht met de tussenpersoon,
(iv) er voordien geen contact was geweest tussen de afnemer en de tussenpersoon, dan wel dat tussen hen al een relatie bestond, en,
( v) de tussenpersoon de afnemer thuis heeft bezocht voor een gesprek, dan wel alleen telefonisch of schriftelijk contact met de afnemer heeft gehad.
Advies
In deze zaak is niet (voldoende) betwist dat de tussenpersoon optrad als cliëntenremisier en niet beschikte over een vergunning om ook als adviseur op te treden. Dexia stelt in dit kader dat de combinatie van het geven van beleggingsadvies en het aanbrengen van cliënten onder de toenmalige wet- en regelgeving geen vergunningplichtige activiteit was. Het hof overweegt dat de Hoge Raad in het arrest van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012, rov. 4.7) deze stelling van Dexia heeft verworpen met de overweging – kort gezegd – dat Nederland in de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) gebruik heeft gemaakt van de in de Richtlijn Beleggingsdiensten voor lidstaten geboden mogelijkheid om wat betreft de vergunningvoorwaarden strengere regels van toepassing te verklaren dan in de Richtlijn zijn vastgesteld. Dit betekent volgens de Hoge Raad dat de Wte 1995 aldus moet worden uitgelegd dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van een potentiële belegger bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. In de hiervoor reeds genoemde arresten van 12 oktober 2018 en 9 juni 2023 heeft de Hoge Raad dit oordeel gehandhaafd. Het hof ziet in wat Dexia in deze procedure heeft aangevoerd geen aanleiding om anders te beslissen dan wel om ter zake daarvan vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen.
Toepassing van de hiervoor genoemde jurisprudentie in deze zaak leidt tot het volgende.
Afnemer heeft een uiteenzetting gegeven van de wijze waarop Horizon Leven in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, onder “Advisering door Horizon Leven B.V.” in het eerste processtuk van afnemer in eerste aanleg, aangevuld in de memorie van grieven. De stellingen van afnemer komen, samengevat, op het volgende neer. Afnemer heeft een of meerdere persoonlijke gesprekken gevoerd met een bij naam genoemde medewerker van Horizon Leven. Daarbij is besproken dat afnemer (extra) vermogen wenste op te bouwen, met welk doel, en welke middelen afnemer daarvoor beschikbaar zou hebben. Naar aanleiding hiervan heeft de medewerker van Horizon Leven afnemer geadviseerd om het specifieke effectenleaseproduct van Dexia af te nemen. Dit product was volgens de medewerker van Horizon Leven geschikt voor de situatie van afnemer. Afnemer heeft op het advies van de medewerker van Horizon Leven vertrouwd en heeft dit advies opgevolgd. Vervolgens is afnemer de effectenleaseovereenkomst aangegaan, aldus afnemer.
Dexia heeft betwist dat Horizon Leven aan afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan. De bewijslast van die stelling ligt bij afnemer. Van Dexia kan niet worden gevergd dat zij de betwisting van de stellingen van afnemer nader motiveert, want zij is immers op geen enkele wijze betrokken geweest bij contacten van afnemer met Horizon Leven. Dexia is derhalve niet in de positie om voor de beoordeling relevante informatie te verschaffen, aldus Dexia. Volgens Dexia kan zij, bij gebrek aan concrete zaak specifieke stellingen, niet anders dan de algemene stellingen van afnemer op algemene wijze betwisten. Uit de stukken van afnemer volgt – volgens Dexia – niet welke inhoudelijke rol de tussenpersoon heeft vervuld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, noch enige andere aanwijzing op basis waarvan een persoonlijke aanbeveling aan de afnemer kan worden aangenomen. Wat er tussen afnemer en de tussenpersoon daadwerkelijk is besproken volgt hier niet uit. Afnemer heeft volgens Dexia op geen enkele wijze gesteld of onderbouwd op welke wijze de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die zij als geschikt voor afnemer heeft voorgesteld en die berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van afnemer. Dexia voert verder aan dat de stellingen van afnemer niet juist en niet voldoende concreet zijn. Dexia wijst er in dat verband op dat het gaat om herinneringen van afnemer aan gebeurtenissen die zich meer dan 20 jaar geleden afgespeeld hebben.
Het hof overweegt als volgt. De door afnemer geschetste betrokkenheid van de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, indien deze vast komt te staan, moet in het licht van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022 worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Anders dan Dexia stelt, zijn de stellingen van afnemer voldoende concreet. Uit deze stellingen volgt immers dat (i) de tussenpersoon heeft geïnformeerd naar de wensen en financiële situatie van afnemer, (ii) afnemer het financiële doel aan de tussenpersoon bekend heeft gemaakt, (iii) de tussenpersoon vervolgens een specifiek effectenleaseproduct van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd, (iv) met welk product volgens de tussenpersoon het financiële doel van afnemer kon worden gerealiseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat de tussenpersoon het effectenleaseproduct aan afnemer heeft voorgesteld als geschikt voor afnemer en dat op die grond sprake is van een gepersonaliseerde aanbeveling. Naar het oordeel van het hof bieden de door afnemer overgelegde producties, waaronder stukken met betrekking tot de aard van de onderneming en de werkwijze van Horizon Leven (producties B, C en D bij de memorie van grieven) voldoende aanknopingspunten die de gang van zaken zoals beschreven door afnemer bevestigen. Bovendien is Horizon Leven op het aanvraagformulier (productie B bij de conclusie van antwoord) en de overeenkomst (productie 2 bij de dagvaarding) vermeld als adviseur. Daarmee heeft afnemer de stelling dat er is geadviseerd, voldoende gemotiveerd onderbouwd.
Het ligt op de weg van Dexia om (meer) concreet te stellen en toe te lichten dat in het onderhavige geval desondanks niet vergunningplichtig is geadviseerd. Gelet op de keus van Dexia om voor de afzet van haar producten gebruik te maken van tussenpersonen, moest Dexia nagaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er geen sprake was van vergunningplichtig advies door de tussenpersoon. Voor zover Dexia destijds niet heeft gecontroleerd of in een concreet geval sprake was van vergunningplichtig advies door de tussenpersoon, komen de gevolgen van dit nalaten voor rekening en risico van Dexia, waaronder het feit dat Dexia in deze zaak kennelijk niet in staat is om gemotiveerd te onderbouwen dat de tussenpersoon aan afnemer geen beleggingsadvies heeft verstrekt.
Voor zover Dexia betoogt dat hiermee een verzwaarde stelplicht op Dexia komt te liggen, waaraan zij onmogelijk zou kunnen voldoen, verwerpt het hof dit betoog. Zoals hierna wordt overwogen, was Dexia destijds ermee bekend dat tussenpersonen doorgaans, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die tussenpersonen als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. Het had daarom in het kader van de verplichtingen van Dexia ingevolge artikel 41 NR 1999 op de weg van Dexia gelegen om bij het tot stand komen van de effectenleaseovereenkomst met de afnemer navraag te doen bij de tussenpersoon wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was geweest. Zo had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de effectenleaseovereenkomst met de afnemer kon en mocht aangaan. Anders dan Dexia betoogt, kon het inwinnen van deze informatie redelijkerwijs van haar verlangd worden, omdat deze zich in haar domein bevond. Dexia heeft een dergelijk onderzoek kennelijk niet verricht, althans zij heeft hieromtrent niets gesteld. De gevolgen van dit nalaten, dat meebrengt dat Dexia in onderhavige zaak nu kennelijk niet meer in staat is om te onderbouwen dat er geen advies is verleend of dat de werkwijze van de tussenpersoon afweek van de gebruikelijke, komen voor risico van Dexia.
Uit het voorgaande volgt dat als vaststaand moet worden aangenomen dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies heeft gegeven aan afnemer. Dexia komt niet toe aan het leveren van (nader) bewijs, omdat zij geen of onvoldoende concrete feiten of omstandigheden te bewijzen heeft aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden.
Wetenschap Dexia
Naast de voorwaarde dat is geadviseerd door de tussenpersoon, is ook vereist dat Dexia wist of behoorde te weten dat de tussenpersoon zonder vergunning advies heeft gegeven.
Afnemer heeft in dit kader onder meer producties overgelegd die ook in vele andere procedures zijn overgelegd. Volgens afnemer volgt daaruit dat Dexia op de hoogte was van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen en ook de opzet had om de tussenpersonen te laten adviseren. Dat is in het onderhavige geval niet anders, omdat de opzet van Dexia niet per tussenpersoon verschilde. Dexia had in ieder geval behoren te weten dat de tussenpersoon aan die opzet voldeed. Dexia koos ervoor om voor de afzet van haar producten gebruik te maken van tussenpersonen, zodat zij volgens afnemer moest waarborgen dat zij aan de eisen van artikel 41 NR 1999 moest voldoen door na te gaan of geen sprake was van vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Horizon Leven presenteerde zich volgens afnemer als onafhankelijk en deskundig adviseur. Uit een door afnemer overgelegd uittreksel van de Kamer van Koophandel volgt dat financiële dienstverlening behoorde tot de kern van de werkzaamheden van Horizon Leven. Onder financiële dienstverlening is ook advisering te scharen. Hieruit volgt dat advisering tot de vaste praktijk van Horizon Leven behoorde. Dexia wist dat, dan wel behoorde dit te weten, aldus afnemer. Bovendien is op het aanvraagformulier (productie B bij de conclusie van antwoord) en de overeenkomst (productie 2 bij de dagvaarding) Horizon Leven vermeld als adviseur.
Dexia voert gemotiveerd verweer.
Het hof stelt in deze zaak het volgende voorop. Dexia heeft ervoor gekozen om voor de afzet van haar producten gebruik te maken van tussenpersonen. Ook in dit geval is voor de afzet van de leaseproducten gebruik gemaakt van een tussenpersoon, te weten Horizon Leven. Zoals hiervoor is overwogen, is op het aanvraagformulier en de overeenkomst Horizon Leven vermeld als adviseur. Op het aanvraagformulier is het kantoor Horizon Leven vermeld, met S. Jandra als adviseur en met ATP-nummer. Op de overeenkomst is Horizon Leven met haar ATP-nummer aangeduid als ‘Adviseur’. Hieruit kan worden opgemaakt dat Horizon Leven zich bij Dexia als adviseur van afnemer heeft gepresenteerd wat betreft het aanvragen van dit leaseproduct. Uit de aanduiding op de leaseovereenkomst van Horizon Leven als ‘Adviseur’ kan worden afgeleid dat Dexia dat ook zo heeft begrepen en ervan is uitgegaan dat deze tussenpersoon afnemer adviseerde wat betreft het leaseproduct.
Dit sluit aan bij het beeld dat naar voren komt uit veel eerder gepubliceerde rechtspraak in zaken waarin Dexia partij is. Dit beeld komt erop neer dat het de bedrijfsopzet van Dexia was om voor (in ieder geval een deel van) de distributie van haar effectenleaseproducten tussenpersonen in te zetten die hun cliënten zouden adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. In voldoende mate blijkt daaruit dat Dexia wist dan wel behoorde te begrijpen dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers regelmatig niet slechts in het algemeen over deze producten informeerden, maar de producten ook onderdeel lieten zijn van een specifiek op de persoon toegesneden advies. In die zaken is verwezen naar (onder meer) het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website van Dexia op 11 mei 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000. Uit deze stukken volgt dat Dexia bewust gebruik maakte van tussenpersonen als afzetkanaal juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien. Deze stukken zijn ook in deze procedure overgelegd en Dexia is met deze rechtspraak genoegzaam bekend. Dexia heeft in deze procedure geen of onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die het oordeel rechtvaardigen dat dit beeld niet overeenkomt met de werkelijke gang van zaken van destijds.
In aanmerking genomen dat Dexia ervoor koos om voor de afzet van haar producten gebruik te maken van tussenpersonen, dat Horizon Leven zich bij het aanvragen van het onderhavige leaseproduct presenteerde als adviseur van afnemer en Dexia er kennelijk van uitging dat Horizon Leven de adviseur van afnemer was, was het ook aan Dexia om te waarborgen dat zij aan de eisen van onder meer artikel 41 NR 1999 zou voldoen, door na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van deze tussenpersoon was en of er geen sprake was van advies door deze tussenpersoon waarvoor een vergunningplicht gold, op grond waarvan Dexia de overeenkomst met de potentiële afnemer zou moeten weigeren. Voor zover Dexia destijds niet heeft gecontroleerd of in een concreet geval sprake was van vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon, komen de gevolgen van dit nalaten voor haar rekening en risico.
Naar het oordeel van het hof heeft Dexia geen of onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij niet heeft kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven, indien zij de aard en betrokkenheid van de tussenpersoon wel zou hebben onderzocht. Voor zover zij dit niet wist, komt dit voor haar rekening. Aan de eis dat Dexia wist of behoorde te weten dat de tussenpersoon zonder vergunning advies heeft gegeven, is in dit geval dus voldaan. Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij geen of onvoldoende concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Conclusie
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van afnemer op de billijkheidscorrectie slaagt en dat Dexia de schade van afnemer volledig dient te vergoeden. De door Dexia gevorderde verklaring voor recht kan daarom niet worden gegeven.
Partijen zijn nu in staat zelf de door Dexia aan afnemer verschuldigde schadevergoeding te berekenen aan de hand van het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:164, met name rov. 3.6.3 en verder en het door Dexia overgelegde financiële overzicht.
Slotsom en proceskosten
Uit het voorgaande volgt dat de relevante grieven van afnemer slagen. Ook wat verder nog is aangevoerd door partijen, kan niet tot een andere beslissing leiden. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Afnemer is daarom ten onrechte veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg. Dexia dient te worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij het liquidatietarief II.
5. De uitspraak
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis;
en opnieuw rechtdoende:
wijst de vordering van Dexia met betrekking tot de gevraagde verklaring voor recht af;
veroordeelt Dexia in de proceskosten van de eerste aanleg, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van afnemer op € 120,00 voor salaris gemachtigde;
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van afnemer op € 94,08 aan dagvaardingskosten, € 314,00 aan griffierecht en op € 1.935,00 (1,5 punt × tarief II) voor salaris advocaat, en op € 189,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 98,00 en de kosten van betekening;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad wat betreft de kostenveroordelingen;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, J.W.M. Tromp en A.J.M. Lauvenberg, en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 september 2026.