GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.363.259/01 KG
zaaknummer rechtbank: C/13/777003/ KG ZA 25-829 MdV/MAH
arrest van de meervoudige familiekamer van 29 september 2026 in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [plaats A] ,
appellant,
tevens geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
hierna: [eiser] ,
advocaat: mr. A.M. Stam te Zaandam,
tegen
1. [verweerder 1] ,
en
2. [verweerder 2] ,
beiden wonende te [plaats] ,
geïntimeerden,
tevens appellanten in het incidenteel hoger beroep,
hierna: [verweerder 1] en [verweerder 2] ,
advocaat: mr. A.C. Bouma te Amsterdam.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming gevestigd te Den Haag, locatie [plaats] ,
hierna: de raad.
1. De zaak in het kort
De zaak gaat over de contacten tussen [eiser] (de biologische vader/donor) en de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ). [eiser] vraagt uitbreiding van de contacten en de moeders van [minderjarige] ( [verweerder 1] en [verweerder 2] ) wensen beperking van de contacten. Het hof is het eens met de door de voorzieningenrechter vastgestelde frequentie van de contacten, maar wijzigt de randvoorwaarden van de contacten.
2. De procedure in hoger beroep
[eiser] is bij dagvaarding van 11 december 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter (hierna: het bestreden vonnis) in de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) van 18 november 2025, in kort geding gewezen tussen [eiser] als eiser in conventie en verweerder in reconventie en [verweerder 1] en [verweerder 2] als gedaagden in conventie en eisers in reconventie.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- een memorie van grieven tevens wijziging eis van 3 februari 2026;
- een memorie van antwoord tevens incidenteel hoger beroep van 17 maart 2026 met producties;
- een memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van 14 april 2026.
Verder hebben partijen nog de volgende producties in het geding gebracht:
- aan de zijde van [eiser] een akte van depot van 8 juli 2026;
- aan de zijde van [eiser] een H-formulier van 11 augustus 2026 met bijlagen;
- aan de zijde van [verweerder 1] en [verweerder 2] een H-formulier van 17 augustus 2026 met bijlagen;
- aan de zijde van [eiser] een H-formulier van 19 augustus 2026 met bijlage.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2026, waar partijen zijn verschenen met hun advocaten. Namens de raad is mevrouw J. Ibrahim verschenen.
Tot slot is arrest gevraagd.
3. Feiten
[verweerder 1] en [verweerder 2] hadden vanaf 2012 een relatie en woonden sinds 2015 samen.
[in] 2019 is [verweerder 1] bevallen van [minderjarige] . [eiser] was de donor en is de biologische vader van [minderjarige] . [verweerder 2] heeft [minderjarige] erkend.
Op 23 december 2019 is de relatie tussen [verweerder 1] en [verweerder 2] verbroken. Zij wonen niet meer samen, maar hebben nog wel contact. [minderjarige] woont bij [verweerder 1] in [plaats] en ziet [verweerder 2] – die ook in [plaats] woont – een deel van de week.
[eiser] woont momenteel vanwege zijn werk met zijn partner in [plaats B] . Hij heeft ook een woning in [plaats A] .
Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 28 juli 2023 is bepaald dat:
- [eiser] en [minderjarige] in het kader van een minimale omgangsregeling eens in de twee weken ongeveer tien minuten zullen videobellen;
- [verweerder 1] [eiser] eenmaal per twee maanden per mail op de hoogte moet stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van [minderjarige] met een recente foto en een video van ongeveer een minuut.
De verzoeken van [eiser] tot vernietiging van de erkenning van [minderjarige] door [verweerder 2] , vervangende toestemming voor erkenning van [minderjarige] door [eiser] , vaststelling van het ouderschap van [eiser] en toekenning van het gezamenlijk gezag over [minderjarige] zijn afgewezen.
In rechtsoverweging 2.20 van voornoemde beschikking heeft de rechtbank overwogen te verwachten dat [verweerder 1] , [verweerder 2] en [eiser] in de zomer met elkaar en [minderjarige] zullen afspreken en vervolgens de omgang tussen [eiser] en [minderjarige] gaan opbouwen, waarbij de door de raad geadviseerde frequentie van eens per kwartaal één of twee dagen in acht zal worden genomen.
Tot en met mei 2025 heeft ongeveer twee keer per kwartaal omgang plaatsgevonden tussen [eiser] en [minderjarige] , waarbij soms ook [verweerder 1] , [verweerder 2] en/of anderen aanwezig waren.
Sinds 19 juli 2025 oefenen [verweerder 1] en [verweerder 2] gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
4. De vorderingen
De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis de gevraagde voorzieningen van [eiser] in conventie, inhoudende:
- [verweerder 1] en [verweerder 2] hun medewerking te laten verlenen aan een omgangsregeling zoals nader onder 3.1 van het bestreden vonnis omschreven en;
- [verweerder 1] en [verweerder 2] te gebieden om zich te onthouden van gedragingen die erop zijn gericht of ten doel hebben dat [minderjarige] [eiser] niet als haar vader of ‘papa’ mag aanduiden, waaronder het haar instrueren of dwingen [eiser] uitsluitend bij zijn voornaam te noemen,
geweigerd, de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.
In reconventie heeft de voorzieningenrechter bepaald dat [eiser] één keer per kwartaal, te beginnen in het vierde kwartaal van 2025, gedurende vijf uur omgang heeft met [minderjarige] , met inachtneming van hetgeen onder 4.12 en 4.13 is overwogen. Daarnaast zijn de proceskosten gecompenseerd.
[eiser] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en veroordeling van [verweerder 1] en [verweerder 2] hun medewerking te verlenen aan hervatting en gefaseerde opbouw van de omgang tussen [eiser] en [minderjarige] , in die zin dat:
I. de fysieke omgang op korte termijn wordt hervat met regelmatige contactmomenten, met een frequentie van tenminste eenmaal per maand, waarvan de duur en invulling door het hof wordt bepaald en welke omgang vervolgens stapsgewijs wordt uitgebreid, zodanig dat – indien het verloop van het contact daartoe aanleiding geeft – wordt toegewerkt naar ruimere dagcontacten en (gedeeltelijke) overnachtingen;
II. althans een zodanige omgangsregeling vast te stellen als het hof in het belang van [minderjarige] passend en verantwoord acht, voor de periode tot en met juli 2026;
III. voor het geval het hof van oordeel zou zijn dat voor toewijzing van het onder I en II gevorderde onvoldoende grond bestaat, te bepalen dat de door de voorzieningenrechter in reconventie vastgestelde omgangsregeling van eenmaal per kwartaal wordt gehandhaafd, althans bevestigd, als voorlopige voorziening;
IV. [verweerder 1] en [verweerder 2] te gebieden zich te onthouden van gedragingen die ertoe strekken dat [minderjarige] wordt belemmerd om [eiser] als haar vader of ‘papa’ aan te duiden, waaronder begrepen het instrueren, corrigeren of ontmoedigen van [minderjarige] om [eiser] uitsluitend bij zijn voornaam te noemen;
V. [verweerder 1] en [verweerder 2] te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, althans in de kosten van het hoger beroep.
[verweerder 1] en [verweerder 2] hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] in zijn vorderingen, althans deze als niet bewezen en ongegrond af te wijzen, één en ander met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding in eerste aanleg en hoger beroep en alle overige kosten die het geding met zich meebrengt, te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente over alle onder de proceskostenveroordeling vallende bedragen vanaf veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest tot aan de dag van voldoening.
In het incidenteel hoger beroep vorderen zij het vonnis waarvan beroep te vernietigen en
I. te bepalen dat [eiser] één keer per jaar gedurende vijf uur omgang heeft met [minderjarige] , waarbij gedurende tenminste het eerste jaar, en zolang als [minderjarige] aangeeft dat te willen, [verweerder 1] of [verweerder 2] dan wel een door hen aangewezen begeleider aanwezig is;
II. te bepalen dat [minderjarige] en [eiser] één keer per kwartaal via videobellen contact met elkaar hebben;
III. te bepalen dat [verweerder 1] en [verweerder 2] één keer per twee maanden een update over de ontwikkeling van [minderjarige] met foto en video aan [eiser] sturen;
IV. [eiser] te veroordelen in de kosten die [verweerder 1] en [verweerder 2] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep hebben moeten maken, en alle overige kosten die dit geding met zich meebrengt, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over alle onder de proceskostenveroordeling vallende bedragen vanaf veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest tot aan de dag van voldoening.
[eiser] heeft in het incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van [verweerder 1] en [verweerder 2] in hun vorderingen, althans deze af te wijzen, één en ander met veroordeling van beiden in de kosten van het geding die [eiser] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft moeten maken, althans de kosten te compenseren.
5. De beoordeling
Spoedeisend belang - ontvankelijkheid
[verweerder 1] en [verweerder 2] stellen zich op het standpunt dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep omdat het spoedeisend belang ontbreekt. Zij komen de in het bestreden vonnis bepaalde omgangsregeling na. Verder stellen [verweerder 1] en [verweerder 2] dat [eiser] niet-ontvankelijk is omdat in kort geding geen vaststelling of uitbreiding van een omgangsregeling kan worden gevorderd; dat kan alleen in een procedure op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Het hof overweegt dat de procedure in kort geding is bedoeld voor spoedeisende gevallen waarin de belangen van de betrokkenen vragen om een onmiddellijke voorziening. Dit kan ook gaan om voorzieningen die normaliter in een procedure op grond van Boek 1 BW worden getroffen.
Gezien de onduidelijkheid die tussen partijen bestond over de rol van [eiser] in het leven van [minderjarige] en de omgang met haar heeft de voorzieningenrechter een omgangsregeling vastgesteld. Deze regeling wordt door [verweerder 1] en [verweerder 2] uitgevoerd. De omvang van het contact blijft evenwel een bron van discussie wat ook spanning en verwarring voor [minderjarige] meebrengt. Het hof acht het in het belang van [minderjarige] dat daarover zo spoedig mogelijk duidelijkheid komt. Het spoedeisend belang bij de vorderingen met betrekking tot de omgang is daarmee gegeven.
In principaal en incidenteel hoger beroep
De standpunten
Tegen het bestreden vonnis en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [eiser] in hoger beroep met acht grieven op. De grieven komen er in de kern op neer dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) tevens een positieve verplichting voor de Staat inhoudt om daadwerkelijk en effectief respect voor family life te waarborgen, dat de voorzieningenrechter bij de beoordeling van de omgangsregeling ten onrechte doorslaggevend gewicht heeft toegekend aan de door [verweerder 1] en [verweerder 2] gestelde stress en spanning die zij ervaren in relatie tot [eiser] , dat ten onrechte voorbij is gegaan aan het relevante toetsingskader of omgang in het belang van [minderjarige] is, dat onvoldoende gemotiveerd is waarom geen enkel perspectief op opbouw wordt geboden en dat de voorzieningenrechter de stelling dat [minderjarige] hooggevoelig zou zijn en snel overprikkeld raakt, heeft overgenomen zonder kritische toetsing. Daarnaast is volgens [eiser] de afwijzing van zijn vordering dat [verweerder 1] en [verweerder 2] wordt geboden zich te onthouden van gedragingen erop gericht dat [minderjarige] [eiser] niet als vader of ‘papa’ mag aanduiden, onvoldoende gemotiveerd en levert dit eveneens een schending op van artikel 8 EVRM.
[eiser] voert aan dat er reeds geruime tijd omgang plaatsvindt tussen hem en [minderjarige] , die goed verloopt en heeft geleid tot hechting en wederzijdse betrokkenheid. Van concrete contra-indicaties die in de weg staan aan een verdere opbouw van het contact is volgens hem niet gebleken. [eiser] is niet slechts donor, maar een ouder-figuur. Volgens [eiser] hebben [verweerder 1] en [verweerder 2] niet aangetoond dat de stress die zij ervaren ten opzichte van hem objectief, onvermijdelijk en aantoonbaar doorwerkt in het welzijn van [minderjarige] . Daarnaast is voor gevoelige kinderen voorspelbaar en betekenisvol contact met belangrijke hechtingsfiguren juist van belang, aldus [eiser] .
[verweerder 1] en [verweerder 2] voeren verweer.
Er is volgens [verweerder 1] en [verweerder 2] sprake van family life tussen [eiser] en [minderjarige] in de zin van artikel 8 EVRM, maar daarvoor hoeft er geen uitgebreide omgang tussen hen te zijn. [eiser] is geen ouder van [minderjarige] . Het klopt volgens [verweerder 1] en [verweerder 2] niet dat de omgang tussen [eiser] en [minderjarige] altijd goed verloopt en daarnaast heeft [minderjarige] als gevoelig meisje wel degelijk last van de stress en spanning die [verweerder 1] en [verweerder 2] ervaren rondom de verstandhouding tussen hen en [eiser] , hetgeen ook wordt bevestigd door haar kindertherapeut.
In het incidenteel hoger beroep voeren [verweerder 1] en [verweerder 2] aan dat een fysiek omgangsmoment tussen [eiser] en [minderjarige] van eenmaal per jaar beter aansluit bij de emotionele belastbaarheid van [minderjarige] . De kindertherapeut van [minderjarige] heeft – naar aanleiding van de klachten die [minderjarige] liet zien na de laatste omgangsmomenten - aangegeven dat een omgang tussen [eiser] en [minderjarige] van één keer per jaar aangevuld met beperkt digitaal contact voldoende is voor [minderjarige] om haar biologische achtergrond te kennen, zonder dat zij structureel wordt blootgesteld aan de spanningen die momenteel rondom de omgang bestaan.
Het advies van de raad
De raad adviseert het bestreden vonnis te bekrachtigen en schaart zich achter de overwegingen van de voorzieningenrechter. Een uitgebreidere omgangsregeling tussen [eiser] en [minderjarige] acht de raad op dit moment niet in het belang van [minderjarige] . De raad spreekt de hoop uit dat er geen verdere procedures worden gevoerd omdat de spanningen die dit oproept bij partijen schadelijk kunnen zijn voor [minderjarige] .
De beoordeling door het hof
Ter beoordeling ligt aan het hof voor welke omgangsregeling tussen [eiser] en [minderjarige] het meest in [minderjarige] ’s belang is.
Zoals ook door de voorzieningenrechter overwogen, zijn partijen het erover eens dat er een vorm van family life is tussen [eiser] en [minderjarige] . [eiser] is de biologische, maar niet de juridische ouder van [minderjarige] . Zij heeft al twee ouders, namelijk [verweerder 1] en [verweerder 2] . Hoewel [verweerder 1] en [verweerder 2] niet meer samenwonen en [minderjarige] bij [verweerder 1] woont, is niet betwist dat [minderjarige] opgroeit bij zowel [verweerder 1] als [verweerder 2] en geven laatstgenoemden samen invulling aan het ouderschap.
In het bestreden vonnis is het volgende overwogen over de frequentie van de omgang tussen [minderjarige] en [eiser] :
“4.10 (….) Het is in het belang van alle partijen en [minderjarige] voorop, dat er duidelijkheid komt over de rollen van partijen in het leven van [minderjarige] . Een frequentie van één keer gedurende vijf uur omgang met [eiser] acht de voorzieningenrechter passend bij die verschillende rollen. Die frequentie is ruim voldoende om [minderjarige] ’s recht op persoonlijke identiteit te waarborgen. [minderjarige] is zes jaar en te jong om te bepalen of zij contact wil met [eiser] en hoeveel. Mocht zij later, bijvoorbeeld in de puberleeftijd, meer contact wensen dan kan zij dat aangeven.
Al met al acht de voorzieningenrechter het in het belang van [minderjarige] dat [eiser] één keer per kwartaal gedurende vijf uur omgang heeft. Dat komt globaal overeen met de praktijk tot en met mei 2025. Dat ging goed, ook voor [minderjarige] , zo begrijpt de voorzieningenrechter. (…)”
Het hof schaart zich achter deze overwegingen en maakt deze tot de zijne. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om een wijziging aan te brengen in de door de voorzieningenrechter bepaalde omgangsregeling. Met de voorzieningenrechter is het hof vooralsnog van oordeel dat de vastgestelde frequentie passend is en voorziet in het belang van [minderjarige] om haar biologische vader te kennen en haar identiteitsontwikkeling te borgen. Voor uitbreiding van dit contact moet draagvlak zijn bij alle volwassenen rondom [minderjarige] en die ontbreekt momenteel in ieder geval bij [verweerder 1] en [verweerder 2] . Een uitgebreidere omgang is daarnaast naar het oordeel van het hof niet in [minderjarige] ’s belang, omdat de rol van [eiser] , hoewel van belang, een andere is dan die van [verweerder 1] en [verweerder 2] , die haar daadwerkelijk opvoeden. Een vermindering van contact acht het hof evenmin in het belang van [minderjarige] , omdat een langere tussenliggende periode, gelet op haar jonge leeftijd, voor haar niet meer te overzien is. Een omgang van vijf uur per kwartaal tussen [minderjarige] en [eiser] doet voor nu recht aan zijn rol in haar bestaan. Zonder hem zou zij er niet zijn en het is voor haar goed om te ervaren waar haar wortels liggen. Dit brengt met zich dat de vorderingen van zowel [eiser] als [verweerder 1] en [verweerder 2] ten aanzien van de omgangsregeling zullen worden afgewezen.
Ten aanzien van de begeleiding van de omgangsmomenten overweegt het hof dat uit de stukken en wat op de zitting in hoger beroep is besproken, voldoende is gebleken dat er tussen [verweerder 1] en [verweerder 2] enerzijds en [eiser] anderzijds veel spanningen zijn. [eiser] stelt dat de contacten goed verlopen en [minderjarige] en hij het samen naar hun zin hebben, maar uit de verklaring van de kindertherapeut van [minderjarige] blijkt dat de contacten ook met spanning zijn omgeven. Deze spanningen zijn naar het oordeel van het hof belastend voor het contact tussen [minderjarige] en [eiser] . Daarom zal het hof bepalen dat de eerste twee omgangsmomenten na het wijzen van dit arrest zullen worden begeleid door een door [verweerder 1] en [verweerder 2] aangewezen begeleider, niet zijnde [verweerder 1] of [verweerder 2] zelf, omdat de directe confrontatie tussen een van hen en [eiser] spanning geeft, welke spanning juist bij [minderjarige] moet worden weggehouden. Daarna vinden de omgangmomenten zonder begeleiding plaats. Het hof ziet geen reden om de begeleiding voort te zetten na de eerste twee keer. De begeleiding gedurende de eerste twee omgangsmomenten is slechts bedoeld als overgangsregeling, en niet omdat het hof de vrees heeft dat de omgang niet goed zal verlopen en daarom moet worden gemonitord.
Ten aanzien van de locatie van de omgang, bepaalt het hof dat de omgang gelet op [minderjarige] ’s gevoeligheid en hoe het op dit moment met haar gaat de eerste twee keer in [plaats] zal plaatsvinden, maar dat [eiser] daarna vrij is om ten aanzien van de omgangsmomenten te bepalen waar deze zullen plaatsvinden, waarbij het hof ervan uitgaat dat hij uiteraard te allen tijde het belang van [minderjarige] voor ogen houdt.
Ten aanzien van de door [eiser] onder IV gedane vordering, te weten [verweerder 1] en [verweerder 2] te gebieden zich te onthouden van gedragingen die ertoe strekken dat [minderjarige] wordt belemmerd om [eiser] als haar vader of ‘papa’ aan te duiden, waaronder begrepen het instrueren, corrigeren of ontmoedigen van [minderjarige] om de woorden “vader| en ‘papa’ te gebruiken en [eiser] uitsluitend bij zijn voornaam te noemen, schaart het hof zich eveneens achter het oordeel van de rechtbank. [verweerder 1] en [verweerder 2] zijn de ouders van [minderjarige] en het is aan hen om die rol concreet in te vullen, waarbij zij dienen aan te sluiten bij de rol die [eiser] in het leven van [minderjarige] heeft, ook in de wijze waarop hij door [minderjarige] moet worden aangesproken. Hij is niet de juridische ouder, maar ‘hoort er wel bij’. Hij is de biologische vader van [minderjarige] en zij hebben family life met elkaar, maar [eiser] heeft duidelijk een andere rol dan de juridische ouders, hoe verdrietig en pijnlijk [eiser] dat ook vindt. Deze vordering van [eiser] zal worden afgewezen.
De vordering van [verweerder 1] en [verweerder 2] onder II, te weten te bepalen dat [minderjarige] en [eiser] één keer per kwartaal via videobellen contact met elkaar hebben, wordt eveneens afgewezen. Het hof is van oordeel dat de bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 28 juli 2023 reeds bepaalde videobelregeling van eenmaal per twee weken tegemoetkomt aan de belangen van [minderjarige] . Gelet op haar nog jonge leeftijd is het van belang dat er geregeld even contact is om het beeld van [eiser] levend te houden. Verder acht het hof die frequentie ook van belang voor [eiser] om een juiste invulling te kunnen geven aan het fysieke contact met [minderjarige] , omdat hij door de tussentijdse videobelmomenten beter op de hoogte is van wat er in het leven van [minderjarige] speelt.
De door [verweerder 1] en [verweerder 2] gevorderde informatieregeling zoals weergegeven onder III wordt door het hof bij gebrek aan belang afgewezen, omdat eenzelfde regeling reeds is vastgelegd bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 28 juli 2023.
Wellicht ten overvloede overweegt het hof dat beide partijen ter zitting in hoger beroep hebben onderschreven dat het van groot belang voor [minderjarige] is dat de spanningen tussen hen verminderen. Het hof hoopt dan ook dat beide partijen daarvoor hun uiterste best zullen doen.
Proceskosten
Partijen vorderen over en weer om elkaar te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.
Het hof ziet geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat in zaken van familierechtelijke aard de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6. Beslissing
Het hof:
in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 november 2025, en bepaalt, opnieuw rechtdoende:
dat [eiser] één keer per kwartaal gedurende vijf uur omgang heeft met [minderjarige] ;
dat de eerste twee omgangsmomenten zullen worden begeleid door een door [verweerder 1] en [verweerder 2] aan te wijzen begeleider, niet zijnde [verweerder 1] of [verweerder 2] zelf en dat de omgangsmomenten daarna onbegeleid zullen plaatsvinden;
dat de eerste twee omgangsmomenten op een locatie in [plaats] zullen plaatsvinden en dat de omgangsmomenten daarna op een door [eiser] te bepalen locatie zullen plaatsvinden, met inachtneming van het belang van [minderjarige] ;
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af al het meer of anders gevorderde;
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.C. Louwinger-Rijk, J.M. van Baardewijk en M. Perfors en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.