GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/1453
8 september 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de leden van de vereniging [X] en van de [Z] voor zover het door hen ingediende bezwaar niet gegrond is verklaard, zoals dat namens hen is ingesteld door de vereniging [X] , belanghebbenden,
(gemachtigden: J.B.C. van der Veer en P.M. de Wit)
tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AMS 24/6036 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 21 mei 2025 in het geding tussen
belanghebbenden
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Ouder-Amstel, de heffingsambtenaar.
1. Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 31 december 2023 aan belanghebbenden voor het jaar 2023 een aanslag forensenbelasting van € 108,73 opgelegd.
De daartegen gemaakte bezwaren heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.
Het tegen de uitspraak op bezwaar door belanghebbenden ingestelde beroep is ongegrond verklaard.
Op 17 juni 2026 hebben belanghebbenden hoger beroep ingesteld en dit nader gemotiveerd bij brief van 11 augustus 2025. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Op 28 juli 2026 is namens belanghebbenden verzocht om uitstel van de zitting met als reden:
“Dit omdat we een vrijwilligersorganisatie zijn en deze datum botst met uiteenlopende vakanties”.
Op 29 juli 2026 heeft het Hof aan belanghebbenden bericht:
“Het Hof wijst uw verzoek om uitstel van de zitting om de volgende reden af. De uitnodiging is reeds op 4 juni 2026 naar partijen verstuurd, met daarin opgenomen de tekst:
(...) Het gerechtshof hanteert een strikt uitstelbeleid. Een verzoek om uitstel van de zitting zal door het gerechtshof slechts in bijzondere gevallen worden ingewilligd mits daarom schriftelijk en gemotiveerd wordt verzocht. Het verzoek dient uiterlijk binnen twee weken na deze uitnodiging te worden gedaan. Daarna kan alleen nog om uitstel worden verzocht vanwege zwaarwichtige redenen die na de datum van deze uitnodiging zijn opgekomen. In dat geval moet het verzoek om uitstel zo spoedig mogelijk worden gedaan. (...)
De reden in uw uitstelverzoek van 28 juli 2026 acht het Hof niet (voldoende) zwaarwichtig om van dit beleid af te wijken. De zitting op woensdag 12 augustus 2026 om 13.00 uur gaat aldus door.”
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2. Feiten
In de Verordening forensenbelasting 2023 van de gemeente Ouder-Amstel, gemeenteblad [#] (hierna: de Verordening), is onder meer het volgende vermeld:
“Artikel 1. BegripsomschrijvingenVoor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder woning: een gemeubileerde woning als bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet.
Artikel 2. Belastbaar feit en belastingplicht1. Onder de naam ‘Forensenbelasting’ wordt een directe belasting geheven van de natuurlijke personen die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.
(…)
Artikel 4. Maatstaf van heffing en belastingtariefDe belasting bedraagt:(…)b. een niet voor permanente bewoning geschikte woning € 108,73(…”
Met dagtekening 31 december 2023 is ten name van onder meer [naam] , één van de in onderdeel 1 vermelde belanghebbenden, voor het jaar 2023 een aanslag forensenbelasting opgelegd van € 108,73.
In de zogeheten Programmabegroting 2023-2026 van de gemeente Ouder-Amstel is onder meer het volgende vermeld:
“ForensenbelastingForensenbelasting wordt betaald als men meer dan 90 dagen een gemeubileerde woning beschikbaar heeft voor zichzelf of het gezin, terwijl het hoofdverblijf in een andere gemeente is gevestigd. Met deze belasting betalen deze (tijdelijke) bewoners mee aan de voorzieningen die de gemeente verzorgt voor haar inwoners.
We constateren dat het tarief voor forensenbelasting lager ligt dan omliggende gemeenten. We wensen het tarief bij te stellen en in lijn te brengen. Dit doen we stapsgewijs in vier jaar. Voor 2023 houdt dit een extra verhoging van het tarief in van € 76 per woning geschikt voor permanente bewoning en van € 38 per woning niet geschikt voor permanente bewoning.
Op deze wijze groeien we in vier jaar naar de tarieven van omliggende gemeenten en houden we de tariefsverhouding tussen woningen geschikt voor permanente bewoning versus het tarief voor een woning niet geschikt voor permanente bewoning in tact. Het tarief voor een woning niet geschikt voor permanente bewoning bedraagt 50% van het tarief voor woningen geschikt voor permanente bewoning.”
In een verslag van een hoorzitting van de Gemeentebelastingen Amstelland met de [X] [in het hierna opgenomen citaat respectievelijk afgekort als GBA en [X] ] en de [Z] op 6 juni 2024 is onder meer het volgende vermeld (bijlage bij de uitspraak op bezwaar van 30 augustus 2024):
“Gemeentebelastingen Amstelland heeft 343 bezwaarschriften voor belastingjaar 2023 ontvangen. Hierin staat vermeld dat de [X] als gemachtigde namens hen optreedt. (…)7. Verloop besluitvorming gemeente en de toekomstGBA neemt het standpunt in dat er sprake is van een summiere toelichting in het raadsvoorstel voor de verhoging van het tarief van de forensenbelasting. [X] voegt daaraan toe dat in de Commissievergadering, waar het raadsvoorstel is besproken, de zorgen van de tuinders niet serieus meegenomen zijn. Ook dat er selectief in het raadsvoorstel wordt gewezen naar buurgemeenten – als argument om deze belasting te heffen en nu dan ook te verhogen. [X] vraagt zich af waarom geen vergelijking met de gemeente Amsterdam is gemaakt. Dit betreft een politieke afweging waar het GBA geen uitspraken over kan doen.(…)8. Overige puntenGBA zal alle volkstuincomplexen bezoeken en de mate van bewoning beoordelen. (…) Indien blijkt dat [een bepaalde tuin niet voldoet aan de criteria van bewoning] (…) zal de onderhavige aanslag ambtshalve worden vernietigd. (…)[X] wil (…) weten hoeveel aanslagen er zijn opgelegd voor de forensenbelasting aan volkstuinders voor het lage tarief en aan andere niet-ingezetenen tegen het hoge tarief. (…)[GBA geeft aan] dat er in 2023 totaal 797 aanslagen forensenbelasting opgelegd zijn. Hiervan zijn 783 aanslagen op basis van het tarief niet permanent bewoonbaar opgelegd aan volkstuinders en 14 aanslagen op basis van het tarief permanent bewoonbaar.”
3. Geschil in hoger beroep
Net als bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de aanslagen forensenbelasting terecht en tot het juiste bedrag zijn geheven. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de tariefsverhoging in strijd is met de algemene rechtsbeginselen.
4. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep nog van belang – als volgt overwogen en beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als “eiser”):
“Toetsingskader
2. In de Verordening op de heffing en invordering van de Forensenbelasting 2023 (hierna: de verordening) is gebruik gemaakt van de in artikel 223 van de Gemeentewet opgenomen mogelijkheid forensenbelasting te heffen. (…)
3. (…)
Het oordeel van de rechtbank
Gemeubileerde woning?
(…)
Evenredigheidsbeginsel
7. Daarnaast voert eiser aan dat de hoogte van de belasting onevenredig en disproportioneel is. Eiser verwijst hiertoe naar de situatie in de gemeente Gulpen-Wittem en de uitspraak van de Hoge Raad van 27 september 2024 [ECLI:NL:HR:2024:1297]. Bovendien meent eiser dat de belangen van de volkstuinders onvoldoende zijn meegewogen in het besluitvormingsproces. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de uitspraak van de Hoge Raad van 13 september 2024 [ECLI:NL:HR:2024:1178]. Volgens eiser kunnen de tuinders de belastingverhoging niet dragen.
8. De heffingsambtenaar stelt dat de gemeenteraad heeft geconstateerd dat het tarief voor de forensenbelasting lager ligt dan bij omliggende gemeenten. Uit de gemeentelijke stukken blijkt dat de gemeenteraad de aanpassing gefaseerd over vier jaar uitvoert om te groeien naar een tarief naar het niveau van omliggende gemeenten. Deze gefaseerde aanpak toont aan dat de gemeenteraad rekening heeft gehouden met de draagkracht van de betrokkenen en abrupte schokken heeft vermeden. Dat de tarieven in absolute zin aanzienlijk stijgen, maakt de maatregel nog niet onrechtmatig. In dit geval is de verhoging noodzakelijk geacht om de kosten van gemeentelijke voorzieningen te dekken en om te voorzien in de financiële behoeften van de gemeente. Hierbij blijkt dat de verhoging, hoewel aanzienlijk, niet disproportioneel is ten opzichte van het beoogde doel.
9. De rechtbank stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 216 van de Gemeentewet besluit de gemeenteraad tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een gemeentelijke belasting door het vaststellen van een belastingverordening. Een belastingverordening vermeldt, in de daartoe leidende gevallen, de belastingplichtige, het voorwerp van de belasting, het belastbare feit, de heffingsmaatstaf, het tarief, het tijdstip van ingang van de heffing, het tijdstip van beëindiging van de heffing en hetgeen overigens voor de heffing en de invordering van belang is (artikel 217 van de Gemeentewet). Op grond van artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet kunnen gemeenten met uitzondering van het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf, zelf invulling geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. De belastingrechter mag hierover niet oordelen, tenzij de belasting leidt tot een willekeurige en onredelijke heffing waarop de wetgever bij het aan de lokale overheden toekennen van de bevoegdheid tot heffen van belasting niet het oog kan hebben gehad. Dit betekent dat de rechtbank zich terughoudend dient op te stellen bij haar beoordeling (exceptieve toetsing).
10. Gezien de uitleg van de heffingsambtenaar in overweging 8 is de rechtbank, exceptief toetsend, van oordeel dat er geen strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Bovendien heeft eiser niet voldoende onderbouwd dat de verhoging van de forensenbelasting onevenredig zwaar drukt op de tuinders en zij de lastenverhoging niet kunnen dragen. Dat de forensenbelasting in de toekomst waarschijnlijk verder gaat stijgen, is een situatie waar de rechtbank niet nu al rekening mee kan houden.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.”
5. Beoordeling van het geschil
Standpunt belanghebbende 5.1. In hoger beroep verklaart gemachtigde dat zij een vereniging is van leden van 29 volkstuinparken in Amsterdam en omgeving, waarvan er drie zijn gelegen in de gemeente Ouder-Amstel. Het overgrote deel van de leden van deze drie volkstuinparken is volgens gemachtigde geen inwoner van de gemeente Ouder-Amstel.
De forensenbelasting is door de gemeente Ouder-Amstel ingevoerd voor het jaar 2015. In dat jaar bedroeg het tarief voor niet-permanente bewoning € 60.
Voor het jaar 2022 bedroeg het tarief € 67,36.
Eind 2022 heeft de Gemeenteraad besloten om de forensenbelasting in vier stappen te verhogen. De eerste verhoging naar € 108,73, voor het jaar 2023 is als ‘hamerstuk’ aangenomen. Gemachtigde wijst in dit verband tevens op de tweede alinea van de onder 2.3 aangehaalde programmabegroting.
In dat verband zijn de betrokken volkstuinders dan wel hun belangenvertegenwoordigers niet geraadpleegd. Nadat voormeld besluit is genomen zijn de volkstuinders door de dienst gemeentelijke belastingen Amstelland geïnformeerd.
De gemeente Ouder-Amstel vraagt jaarlijks een ledenlijst op aan de [X] en legt zonder nader onderzoek een aanslag op. Ook tuinders zonder een huisje op het tuinperceel ontvangen een aanslag.
Gemachtigde wijst voorts op de beperkingen waaraan het gebruik van een volkstuin gebonden is; zij mogen daarin alleen gedurende het tuinseizoen verblijven en gebruik door of verhuur aan derden is niet toegestaan, met uitzondering van gebruik door ouders en kinderen. Voorts zijn de volkstuinders verplicht bij te dragen aan het onderhoud van het park en werkzaamheden ten behoeve van het algemeen nut van het park te verrichten.
Belanghebbende stelt dat het zorgvuldigheidsbeginsel bij het eind 2022 genomen besluit is geschonden, doordat de belangen van de volkstuinders niet zijn meegewogen (en “zelfs niet benoemd”) bij de totstandkoming van de Verordening. Deze grief is ook in eerste aanleg geuit en de rechtbank is daar volgens gemachtigde (ten onrechte) aan voorbij gegaan.Gemachtigde beroept zich in dit verband op het arrest HR 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1178, BNB 2025/1 (hierna: het arrest Gulpen-Wittem).
Tevens heeft het volgens gemachtigde bij de besluitvorming ontbroken aan een inhoudelijke evenredigheidstoets. De vereiste evenredigheid volgt volgens gemachtigde niet (reeds) uit de omstandigheid dat de verhoging in stappen is opgeknipt. Een verhoging – ten aanzien van, naar gemachtigde stelt, een specifieke groep (volkstuinders) – in vier jaar tijd van € 67 naar € 235 (250%) acht gemachtigde niet proportioneel. De verwijzing naar het tarief in omliggende gemeenten acht gemachtigde niet toereikend. Daar komt bij dat van die gemeenten de gemeenten Amsterdam en Diemen geen forensenbelasting hebben ingevoerd.
De grief over het begrip ‘gemeubileerde woning’ (artikel 1 en artikel 2, eerste lid, van de Verordening) is in hoger beroep niet herhaald.
Standpunt heffingsambtenaar 5.8. Volgens de heffingsambtenaar dient de rechtmatigheid van de Verordening terughoudend (exceptief) te worden getoetst. Het gaat erom of de gemeenteraad in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. De gemeente beschikt daarbij volgens de heffingsambtenaar over een ruime beleidsvrijheid.
Volgens de heffingsambtenaar kan het gemeentebestuur niet worden verweten dat het voorafgaand aan de vaststelling van de Verordening aan inspraak door de volkstuinders of hun vertegenwoordigers heeft ontbroken, omdat de gemeenteraad niet tot een dergelijke vorm van inspraak is gehouden.
Voor de motivering van de voor het jaar 2023 vastgestelde tariefverhoging verwijst de heffingsambtenaar naar hetgeen daarover in de onder 2.3 aangehaalde programmabegroting is vermeld. Volgens de heffingsambtenaar is daarbij rekening gehouden met de belangen van de volkstuinders.
Volgens de heffingsambtenaar heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de gemeenteraad in redelijkheid tot de vaststelling van de Verordening is kunnen komen. De verhoging is beleidsmatig onderbouwd, geleidelijk ingevoerd, de tariefstelling dient een legitiem belang en deze is gebleven binnen de beleidsvrijheid van de gemeenteraad.
In de bezwaarfase is niet om een vergoeding van proceskosten verzocht en ook overigens bestaat er volgens de heffingsambtenaar geen grond voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.
Oordeel Hof 5.12. In het arrest Gulpen-Wittem heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:
“4.4. Met betrekking tot belanghebbendes klachten over de verwerping van zijn beroep op het evenredigheidsbeginsel, stelt de Hoge Raad het volgende voorop.
Indien de rechtmatigheid van een voorschrift in een gemeentelijke belastingverordening dat leidt tot een lastenverzwaring, met een beroep op het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel wordt bestreden, dient de rechter in de eerste plaats te onderzoeken of de door de belanghebbende aangevoerde gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, zijn meegewogen. Komt de rechter tot de slotsom dat die belangen niet zijn meegewogen, dan dient hij op grond daarvan ervan uit te gaan dat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van het desbetreffende voorschrift in de verordening. Indien de belastingrechter als gevolg van een dergelijke onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering niet kan beoordelen of het voorschrift in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, kan dit ertoe leiden dat die rechter het voorschrift buiten toepassing laat en een daarop berustend besluit om die reden vernietigt.(…)
Het ligt niet op de weg van de rechter om de betrokken belangen alsnog af te wegen indien de gemeentelijke wetgever dit heeft nagelaten. Indien als gevolg van een onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering niet valt te beoordelen of een voorschrift dat tot een lastenverzwaring leidt in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, brengt dit als regel mee dat de rechter dit voorschrift buiten toepassing dient te laten. Dat is slechts anders indien de negatieve gevolgen van dat voorschrift zo beperkt zijn, dat zonder meer kan worden aangenomen dat die gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met die lastenverzwaring te dienen doelen.”
Naar ook ter zitting van het Hof is komen vast te staan heeft aan de als ‘hamerstuk’ eind 2022 vastgestelde wijziging van de Verordening geen andere motivering ten grondslag gelegen dan die welke hiervoor is aangehaald onder 2.3. Gezien het belang van die wijziging voor juist de volkstuinders, had het in de rede gelegen de positie van de volkstuinders op enigerlei wijze in de besluitvorming te betrekken en dat in de motivering van het wijzigingsbesluit tot uiting te brengen. Het Hof wijst in dit verband erop dat, zoals is vermeld onder 2.4, van de in totaal 797 aanslagen forensenbelasting die voor het jaar 2023 door de heffingsambtenaar zijn opgelegd, er 783 betrekking hebben op volkstuinders.
Daarbij heeft het van belang kunnen zijn, dat het bij de volkstuinders om een zodanig specifieke en voor de heffing van forensenbelasting betekenisvolle groep gaat, dat een (nadere) afweging van het belang van die groep tegenover het belang van de gemeente bij de voor het jaar 2023 doorgevoerde tariefsverhoging gemaakt had dienen te worden. Bij de enige en summiere toelichting die ter zake van die tariefsverhoging in de programmabegroting is opgenomen, valt niet te beoordelen of de tariefsverhoging met inachtneming van een afweging van belangen als hiervoor bedoeld, is tot stand gekomen en in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. Bovendien acht het Hof de wijziging van de Verordening niet voldoende gemotiveerd, indien en voor zover deze is gebaseerd op de tarieven van omliggende gemeenten, nu, naar onweersproken is komen vast te staan, de gemeenten Amsterdam en Diemen geen forensenbelasting hadden ingevoerd. Het baseren van de wijziging van de Verordening op (uitsluitend) het tarief van de gemeente Uithoorn doet dan – zonder nadere motivering, welke ontbreekt – nogal willekeurig aan.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen kan naar het oordeel van het Hof niet worden geoordeeld dat, gezien ook de in de programmabegroting opgenomen toelichting, de voor het jaar 2023 doorgevoerde tariefsverhoging op een zorgvuldige en voldoende gemotiveerde wijze is tot stand gekomen.
Dit oordeel leidt evenwel niet tot een (partiële) buitentoepassinglating van de Verordening. Zoals de Hoge Raad aan het slot van rechtsoverweging 4.4.2 van het arrest Gulpen-Wittem heeft overwogen, dient een (partiële) buitentoepassinglating van de Verordening achterwege te blijven, indien de negatieve gevolgen van de (wijziging van de) Verordening zo beperkt zijn, dat zonder meer kan worden aangenomen dat die gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de lastenverzwaring te dienen doelen. Bij de vraag of zich een dergelijke uitzondering voordoet beperkt het Hof zich tot (uitsluitend) de tariefsverhoging voor het jaar 2023. Nu deze € 41,37 bedraagt, acht het Hof deze in absolute zin van een zodanig beperkte omvang, dat, gelet daarop, zonder meer kan worden aangenomen dat het daaruit voortvloeiende negatieve gevolg voor de belanghebbenden niet onevenredig is in verhouding tot het met de lastenverzwaring te dienen doel. Op deze grond komt het Hof derhalve tot een afwijzing van het hoger beroep.
Slotsom 5.14. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
6. Kosten
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
7. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, H.E. Kostense en E.A.G. van der Ouderaa, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 8 september 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: