ECLI:NL:GHAMS:2026:2725

ECLI:NL:GHAMS:2026:2725

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 18-09-2026
Datum publicatie 23-09-2026
Zaaknummer 23-001678-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

mishandeling

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij, op of omstreeks 20 maart 2024 te Purmerend tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] één of meerdere malen tegen het hoofd, althans het gezicht, te slaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich (vrijwel geheel) vinden in de beslissingen die de politierechter heeft genomen maar bezigt deels andere bewijsmiddelen en komt – in reactie op verweren die in hoger beroep zijn gevoerd – tot (een enigszins) andere bewijsoverweging en strafmotivering. Omwille van de leesbaarheid zal het hof gelet hierop het vonnis vernietigen.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de tenlastegelegde geweldshandelingen. Hiertoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte en de medeverdachte beiden ontkennen dat de aangever is mishandeld, terwijl de verklaring van de aangever niet ondersteund wordt. De raadsman heeft er daarbij op gewezen dat de getuige [getuige] bij de raadsheer-commissaris een andere verklaring heeft afgelegd dan bij de politie, dat de verklaringen van de aangever en de getuige uiteenlopen, en dat onvoldoende is komen vast te staan dat de aangever letsel heeft opgelopen.

Het hof overweegt als volgt.

Op 21 maart 2024 vond er een ontmoeting plaats tussen (onder meer) enerzijds de aangever en [getuige] (hierna: de getuige) en anderzijds de verdachte en [de medeverdachte] (hierna: de medeverdachte). De achtergrond van deze ontmoeting was een ruzie die het broertje van de verdachte zou hebben met de getuige.

De aangever heeft verklaard dat hij tijdens deze ontmoeting door beide verdachten in zijn gezicht is geslagen. Die lezing vindt steun in hetgeen de getuige ter plaatse tegen de politie heeft gezegd. Die verklaring houdt in dat de getuige ruzie zou hebben met jongens (het hof begrijpt: de verdachten), dat zij hem kwamen opzoeken, en dat hij heeft gezien dat de jongens aangever sloegen. De getuige heeft vervolgens aangifte gedaan en ook daarin verklaarde hij dat hij zag dat de beide verdachten de aangever in zijn gezicht sloegen en zag dat zij hem op zijn rechteroor raakten.

De verklaringen van de aangever en de verklaringen die de getuige ter plaatse en in zijn aangifte heeft afgelegd zijn niet in alle details hetzelfde, maar naar het oordeel van het hof in de kern genomen wel gelijkluidend. Dat de getuige in zijn latere verklaring bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat hij geen geweld heeft gezien, doet niet af aan de betrouwbaarheid van zijn eerdere verklaringen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de getuige, vlak na het incident, zowel in zijn eigen aangifte als tegen verbalisant [verbalisant] ter plaatse, heeft verklaard dat hij zag dat de verdachte en de medeverdachte de aangever sloegen. Tevens neemt het hof in aanmerking dat de getuige bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard destijds (op 20 maart 2024) bij de politie de waarheid te hebben verklaard. Ook acht het hof het feit dat de aangever naar aanleiding van het incident zijn moeder en de politie heeft gebeld, passend bij de verklaringen die de getuige en de aangever in eerste instantie hebben afgelegd. Steun voor de juistheid van die verklaringen ontleent het hof verder aan de opmerking van de medeverdachte dat hij en de verdachte ‘verhaal wilden halen’ en dat daarom de ontmoeting plaatsvond. Het hof zal dan ook – anders dan door de raadsman is bepleit – uitgaan van de verklaringen die de aangever en de getuige bij de politie hebben afgelegd, een en ander zoals die zullen worden opgenomen in de bewijsmiddelen.

Dat de aangever in zijn gezicht is geslagen vindt bovendien steun in het letsel dat door een politieambtenaar wordt beschreven. De politieambtenaar zag dat de beide oren van de aangever vuurrood waren en dat hij op beide wangen rode plekken had zitten. De verdediging heeft geopperd dat die rode plekken ook zouden “kunnen wijzen op opwinding en verhitting door de situatie en het rennen naar de politie op het moment vlak voordat de politie ter plaatse kwam”. Het hof volgt de raadsman hierin niet. De locaties van de rode plekken (op de oren en op de wangen) komen overeen met de plekken waar de aangever zou zijn geslagen, zoals volgt uit de bewijsmiddelen. Het hof is bovendien van oordeel dat deze rode oren en rode plekken op beide wangen (door de verbalisant als letsel geduid) passen bij het geweld dat volgens de aangever kort daarvoor op hem was uitgeoefend.

Gelet op het voorgaande en mede gezien de overige feiten en omstandigheden zoals die volgen uit de bewijsmiddelen, is het hof van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte zich in vereniging schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van de aangever.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 20 maart 2024 te Purmerend tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meerdere malen tegen het gezicht te slaan.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door samen met de medeverdachte het slachtoffer meermalen tegen zijn hoofd te slaan. Door zo te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn slachtoffer. De mishandeling moet voor het slachtoffer en zijn aanwezige vrienden bovendien zeer angstaanjagend zijn geweest. Daarbij rekent het hof het de verdachte aan dat hij en de medeverdachte zich bijzonder intimiderend hebben opgesteld tegenover het – destijds minderjarige – slachtoffer. Dit soort feiten zorgt daarnaast ook in de samenleving voor gevoelens van angst.

Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Ook heeft het hof acht geslagen op het strafblad van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder ter zake van geweldsdelicten onherroepelijk is veroordeeld. Het hof weegt dit ten nadele van de verdachte mee bij het bepalen van de straf.

Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen de ernst van het feit, is het hof – anders dan de raadsman – van oordeel dat niet kan worden volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke straf. Het hof acht, alles afwegende, een (deels voorwaardelijk) taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

In hoger beroep is de redelijke termijn met ruim twee maanden overschreden. Nu aan de verdachte een taakstraf van minder dan 100 uren wordt opgelegd, zal het hof volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. V.J.M. Goldschmeding, mr. T. de Bont en mr. A.M.A. Keulen, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 september 2026.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.M. Pattinama

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand