ECLI:NL:CRVB:2026:1315

ECLI:NL:CRVB:2026:1315

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 02-10-2026
Zaaknummer 25/1745 WAJONG-T
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Tussenuitspraak. Weigering Wajong-uitkering toe te kennen. Motiveringsgebrek. Novum. De Raad is anders dan rechtbank, van oordeel dat het Uwv op onjuiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de conclusies van de deskundigen. De in dit rapport expliciet geformuleerde voorwaarde voor het sociaal functioneren in arbeid, wordt onvoldoende ondervangen. De Raad draag het Uwv op het vermelde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Uitspraak

SAMENVATTING

25/1745 WAJONG-T

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 juli 2025, 21/3412 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 30 september 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. De Raad is van oordeel dat het Uwv op onjuiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de conclusies van de door de rechtbank geraadpleegde deskundigen en dat de rechtbank het Uwv hierin ten onrechte gevolgd heeft. Het besluit van het Uwv berust daarom niet op een draagkrachtige motivering. De Raad draagt het Uwv op dit gebrek te herstellen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. van Helden, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 augustus 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Helden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant, geboren op [geboortedatum] 1982, heeft met een door het Uwv op 3 augustus 2010 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010). Bij besluit van 6 oktober 2010 heeft het Uwv de aanvraag om Wajong-uitkering afgewezen, omdat appellant meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Met een door het Uwv op 2 november 2015 ontvangen formulier heeft appellant een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Appellant heeft daarop vermeld sinds [geboortedatum] 2000 last te hebben van psychische klachten. Het Uwv heeft deze aanvraag aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 3 augustus 2010. Het Uwv heeft deze aanvraag bij besluit van 1 maart 2016 afgewezen, omdat appellant geen nieuwe feiten heeft gesteld die aanleiding geven een ander besluit te nemen. Bij besluit van 1 juni 2016 heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 1 maart 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden gesteld die aanleiding geven om terug te komen van het besluit van 6 oktober 2010 en zijn er geen aanwijzingen dat de gezondheidstoestand van appellant na 1 februari 2014 is verslechterd of gewijzigd.

Met een door het Uwv ontvangen formulier heeft appellant op 14 januari 2021 opnieuw een Wajong-aanvraag ingediend. Bij zijn aanvraag heeft hij een (onvolledig) ondersteuning-adviesplan van Samenleven gevoegd, een psychologische screening van 10 februari 2014 van NIP-psycholoog Y.H. van der Goot van Argonout en een psychodiagnostisch onderzoek door NIP-psycholoog M. Ramakers uit medio 2016 en vermeld dat bij hem sprake is van een pervasieve ontwikkelingsstoornis. Bij besluit van 15 februari 2021 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft gesteld die aanleiding geven een ander besluit te nemen dan het besluit van 6 oktober 2010. Dit berust op het standpunt van de verzekeringsarts dat de problematiek van appellant in essentie ongewijzigd is. Ook is er geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen de Wajong-relevante periode op grond van dezelfde ziekteoorzaak. De verzekeringsarts heeft hieraan toegevoegd dat nu het destijds mogelijk was functies te duiden, appellant volgens de SMBA-criteria (Compendium Participatiewet) in ieder geval ook een taak zou kunnen vervullen, waardoor hij over arbeidsvermogen beschikt.

Bij besluit van 30 november 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft gesteld die aanleiding geven om van het besluit van 6 oktober 2010 of 1 juni 2016 terug te komen. Ook is er geen sprake van een Amber-situatie of een onjuiste inschatting van de beoordeling dat appellant een uur aaneengesloten kan werken, ten minste vier uur kan werken en over werknemersvaardigheden beschikt. Over de door appellant ter hoorzitting aangevoerde bezwaargrond dat hij van jongs af aan bekend is met verkorte beenspieren en motorische problemen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat dit gegevens zijn van voor de eerste beoordeling en appellant dit feit bij de voorgaande beoordelingen had kunnen melden. Ook ontbreken medisch objectiveerbare gegevens over deze aandoening, zodoende is er geen sprake van nova. De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschrijft het standpunt van de verzekeringsarts dat de diagnose autismespectrumstoornis geen nieuw feit betreft. Ten aanzien van Amber gelden de criteria voor de Wajong 2015. Er is echter geen sprake van een novum ten aanzien van de Ambervraag in 2016. Appellant is zijn arbeidsvermogen in de periode van periode [geboortedatum] 2000 en [geboortedatum] 2005 niet duurzaam verloren.

Uitspraak van de rechtbank

2. In beroep heeft appellant onder verwijzing naar een rapport van bedrijfsarts/verzekeringsarts drs. J.J.B. Batelaan van 29 augustus 2023 van het Expertise Orgaan aangevoerd dat de diagnose pervasieve stoornis (autismespectrumstoornis) gezien kan worden als een nieuw medisch feit en noodzaakt tot forsere en meer beperkingen dan aangenomen door het Uwv. Appellant heeft herhaald dat zijn beperkingen in de periode van [geboortedatum] 2000 tot en met [geboortedatum] 2005 zijn toegenomen en hij duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikt, waardoor hij op grond van artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong, recht heeft op een uitkering.

Het Uwv heeft geen aanleiding gezien het standpunt te wijzigen.

De rechtbank heeft vervolgens psychiater W. Nieuwdorp en verzekeringsarts K.C. Rammeloo van WPEX geraadpleegd als deskundigen. In hun rapport van 2 januari 2024 hebben deze deskundigen uiteengezet dat bij appellant sprake is van PDDNOS/autismespectrumstoornis. Deze diagnose kan als een novum of nieuw inzicht gezien worden, dat een andere blik werpt op het gebrekkig functioneren van appellant en zijn beperkte belastbaarheid op achttienjarige leeftijd en de jaren erna. De gegeneraliseerde angststoornis, sociale angststoornis en persoonlijkheidsstoornis zijn beter te verklaren door de later gestelde PDD-NOS. Appellant was hierdoor op achttienjarige leeftijd duurzaam meer beperkt te achten dan door het Uwv werd aangenomen. Volgens de deskundigen was er bij appellant op de leeftijd van achttien jaar sprake van beperkingen betreffende (onder meer) het hanteren van emotionele problemen van anderen, uiten van eigen gevoelens en omgaan met conflicten. Appellant was aangewezen op werk zonder veelvuldige productiepieken, deadlines, hoog handelingstempo en zonder afleiding door activiteiten van anderen. Appellant was verder aangewezen op een voorspelbare werksituatie zonder veelvuldige of ingrijpende veranderingen of wisselingen, met die aanvulling dat dit niet volledig voorgestructureerd werk of vaste bekende werkwijzen behoefden te omvatten. De deskundigen hebben ten aanzien van de specifieke voorwaarden voor het sociaal functioneren in arbeid geconcludeerd dat appellant aangewezen is op zo nodig begeleiding op het werk. Appellant kon wel zelfstandig en solistisch werken, maar begripvolle begeleiding op de werkvloer had veel problemen kunnen voorkomen. Proactieve begeleiding met kennis van autisme was ook nodig, omdat appellant zelf niet tijdig effectief om hulp vroeg. De deskundigen hebben ten aanzien van de duurbelastbaarheid gerapporteerd dat indien met voornoemde beperkingen rekening wordt gehouden, een aanvullende beperking ten aanzien van de duurbelastbaarheid niet noodzakelijk is, met die aanvulling dat appellant ten hoogste acht uur per dag en veertig uur per week belastbaar is in passend werk in regelmatige diensten (geen werk in de avond en nacht).

Appellant heeft zich deels met de conclusies van de deskundigen kunnen verenigen, maar niet met de conclusies dat hij niet beperkt is ten aanzien van inzicht in eigen kunnen en hij fulltime belastbaar wordt geacht.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 23 januari 2025 uiteengezet dat het stellen van een nieuwe diagnose op een reeds bekend feitencomplex geen novum is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant aanvullend beperkt geacht voor het hanteren van emotionele problemen van anderen en het uiten van eigen gevoelens, maar geen aanleiding gezien om de deskundigen te volgen in de door hen geadviseerde beperking op belastingitem 2.12.6. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uiteengezet dat deze beperking en de daarin gevatte begeleiding is opgenomen bij belastingaspect 2.12.3: 'de cliënt is aangewezen op werk waarin zo nodig kan worden teruggevallen op directe collega’s of leidinggevenden (géén solitaire functie)'. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen reden gezien deze beperking aan te passen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 januari 2025. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft berekend dat appellant 0% arbeidsongeschikt is.

Appellant heeft zich niet kunnen vinden in de wijze waarop het Uwv uitvoering heeft gegeven aan het rapport van de deskundigen. Volgens appellant had de verzekeringsarts bezwaar en beroep de specifieke begeleidingsbehoefte die door de deskundigen is beschreven, moeten overnemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is er, anders dan de deskundigen, ook ten onrechte van uitgegaan dat hij niet in een solitaire functie kan werken. Appellant acht de functie productiemedewerker ongeschikt vanwege zijn beperkingen voor externe prikkels. Weliswaar heeft de arbeidsdeskundige gesteld dat hij gebruik kan maken van een koptelefoon met noise cancelling, maar daarmee worden de visuele prikkels niet weggenomen en bovendien kan er niet van uitgegaan worden dat zo’n koptelefoon met noise cancelling in 1990 bestond. Ten slotte acht appellant zich niet in staat fulltime te werken. Zijn laag zelfbeeld, beperkt inzicht in eigen kunnen en overbelasting door tegen zijn grenzen aan te lopen maken dat een urenbeperking op preventieve gronden noodzakelijk is.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv met zijn rapportage en nadere standpunt naar aanleiding van het deskundigenrapport toereikend gemotiveerd dat de beoordeling van de eerste aanvraag van appellant in 2010 niet onjuist is geweest. Wat appellant daartegen heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven daaraan te twijfelen. De verzekeringsarts heeft het deskundigenrapport als uitgangspunt genomen en geconstateerd dat de conclusies daarvan grotendeels overeenkomen met de in 2010 vastgestelde belastbaarheid van eiser. Op enkele punten heeft zij de FML bijgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank ook gemotiveerd waarom zij de door de deskundigen geformuleerde begeleidingsbehoefte van appellant niet volledig heeft overgenomen en in plaats daarvan heeft vastgehouden aan de beperking bij 2.12.3 in de FML. De rechtbank heeft dit niet ten nadele van appellant geacht. De rechtbank heeft naar aanleiding van de door appellante geuite bezwaren tegen gebruikmaking van een noise cancelling bij de werkzaamheden van productiemedewerker overwogen dat dit aanleiding kan geven tot enige twijfel, maar niet aan het Uwv kan worden tegengeworpen omdat dit inherent is aan het groot tijdsverloop sinds de achttiende verjaardag van appellant. Volgens de rechtbank geldt dit te meer omdat er ook andere, minder innovatieve, manieren zijn om geluiden te dempen zoals het dragen van oordoppen. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat hij ook beperkt is ten aanzien van inzicht in eigen kunnen en meer beperkt is ten aanzien van de duurbelastbaarheid. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat dit standpunt geen steun vindt in het deskundigenadvies. Naar het oordeel van de rechtbank is de motivering van het Uwv om niet terug te komen van het besluit van 6 oktober 2010 niet deugdelijk geweest. De rechtbank ziet in de nadere standpuntbepaling van het Uwv in beroep echter reden om dat gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren omdat appellant daardoor (inhoudelijk) niet is benadeeld. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen daarom in stand worden gelaten. De rechtbank heeft het Uwv veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn en een veroordeling uitgesproken tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank zijn eigen deskundigen had moeten volgen in hun conclusies. De door het Uwv vastgestelde beperking bij belastingitem 2.12.3, inhoudende dat appellant moet kunnen terugvallen op collega’s of een leidinggevende, houdt volgens appellant iets wezenlijk anders in dan het advies van de deskundigen dat proactieve begeleiding op het gebied van autisme nodig is. Deze door de deskundigen gestelde kwalificatie impliceert volgens appellant dat hij niet in gangbare arbeid kan werken, maar aangewezen is op werk in beschutte omstandigheden. Appellant verwijst hiertoe naar een uitspraak van de Raad van 1 april 2026. Volgens appellant blijkt uit het rapport van de deskundigen dat hij vanwege zijn ASS-problematiek en daaruit voortvloeiende beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren (interacties) en zijn problemen met gezag en autoriteit het best kan functioneren in een solitaire functie. Het standpunt van het Uwv dat appellant niet in een solitaire functie kan werken is hiermee niet verenigbaar. Tegen de arbeidskundige beoordeling door het Uwv heeft appellant aangevoerd dat het voor hem niet duidelijk is of de indexatie van het maatmaninkomen betrekking heeft op het jaar 2000 en of de actualisering van de functies ook ziet op die periode. Appellant heeft verder herhaald dat hij niet kan functioneren in een productiehal waar sprake is van geluidsprikkels van anderen, drukte en visuele prikkels. Appellant acht de voor hem geselecteerde functies daarom niet passend. Wat de functie productiemedewerker industrie betreft, heeft appellant aangevoerd dat er ook sprake is van visuele prikkels. Appellant weerspreekt dat de techniek in de periode 2000-2005 zodanig was dat er toen al noise cancelling bestond. De overweging van de rechtbank dat er ook nog andere manieren zijn om het geluid te dempen zoals oordoppen, betreft een medisch oordeel, waartoe de rechtbank niet deskundig is. Appellant mist in de uitspraak van de rechtbank een toetsing aan de criteria van de Wajong 2015. Appellant stelt niet over werknemersvaardigheden te beschikken en daarom geen arbeidsvermogen te hebben. Ook dient te worden aangenomen dat de diagnose autisme een novum is, zodat de ingangsdatum van een toe te kennen Wajong-uitkering op 3 augustus 2010 dient te worden gesteld, de datum van zijn eerste aanvraag.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit over 30 november 2021 terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor.

Het deskundigenrapport van het gecombineerd psychiatrischverzekeringsgeneeskundig onderzoek door verzekeringsarts Rammeloo en psychiater Nieuwdorp geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek. De deskundigen hebben dossierstudie verricht, bij appellant een anamnese afgenomen en alle in het dossier aanwezige medische informatie bij hun beoordeling betrokken. In hun rapport hebben de deskundigen – voor zover relevant in hoger beroep en ter discussie staat – onder meer overwogen dat de diagnose PDD-NOS als een novum of nieuw inzicht te beschouwen is, dat een andere blik werpt op het gebrekkig functioneren van appellant en zijn beperkte belastbaarheid op achttienjarige leeftijd en de jaren erna. Verder hebben de deskundigen de in overweging 2.2 van deze uitspraak genoemde aanvullende beperkingen op de FML noodzakelijk geacht.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv verklaard de conclusie van de deskundigen te onderschrijven dat de in 2016 gestelde diagnose PDD-NOS aan te merken is als een novum.

Ter zitting van de Raad is verder vastgesteld dat het geschil in hoger beroep zich met name toespitst op de vraag welke kwalitatieve begeleiding appellant in verband met zijn PDD-NOS nodig heeft om arbeid te kunnen verrichten en op de vraag of de voor appellant geselecteerde functie productiemedewerker industrie, gelet op de daarin voorkomende prikkels, geschikt is te achten voor appellant. De juistheid van de Amber-beoordeling wordt in afwachting van een antwoord op deze geschilpunten minder urgent geacht.

Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het Uwv met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 januari 2025 op een juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de conclusies van de deskundigen. De in het rapport van de deskundigen Rammeloo en Nieuwdorp expliciet geformuleerde voorwaarde voor het sociaal functioneren in arbeid, die inhoudt dat appellant aangewezen is op zo nodig begeleiding op het werk waarbij het gaat om een proactieve begeleiding met kennis van autisme, wordt onvoldoende ondervangen met de in belastingitem 2.12.3 gestelde voorwaarde dat appellant aangewezen is op werk waarbij hij zo nodig kan terugvallen op directe collega’s of leidinggevende (geen solitaire functies). De deskundigen hebben in hun rapport kwalitatieve eisen aan de begeleiding geformuleerd. Het moet gaan om een proactieve begeleiding met kennis van autisme. De omstandigheid dat de deskundigen deze kwalitatieve verzwaring van de begeleiding bij de invulling van de FML mogelijk beter hadden kunnen opnemen bij belastingitem 1.9.3, zoals door het Uwv in verweer is gesteld, doet hier, gelet op de duidelijke bewoordingen van het rapport van de deskundigen, niet aan af. De Raad weegt mee dat uit de door de deskundigen gegeven toelichting bij belastingitem 2.7.1 ‘eigen gevoelens uiten’ ook blijkt dat het terug kunnen vallen op collega’s niet volstaat. De deskundigen hebben bij belastingitem 2.7.1 immers ook benoemd dat een op autisme gerichte begeleiding die proactief begeleidt, informeert en de-escaleert, kan voorkomen dat appellant anderen in verwarring brengt door een onduidelijke, onvoorspelbare of onconventionele wijze van gevoelsuitingen.

Naar aanleiding van het standpunt van appellant dat de functie productiemedewerker industrie niet geschikt is vanwege het werken in een productiehal waarin sprake is van geluidsprikkels van anderen, drukte en visuele prikkels, overweegt de Raad dat de deskundigen ten aanzien van de specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid hebben vastgesteld dat appellant aangewezen is op werk waarbij hij niet wordt afgeleid door activiteiten van anderen. Daarmee lijken de deskundigen zich niet te beperken tot afleiding door geluidsprikkels of drukte. De Raad is vooralsnog niet overtuigd van de geschiktheid van de functie productiemedewerker industrie. Op de Resultaat Functiebeoordeling bij de functie productiemedewerker industrie is bij belastingaspect 1.9.4 bij de toelichting van de signalering vermeld dat geen sprake is van een drukke omgeving en dat er met een noise cancelling gewerkt kan worden. In de toelichting wordt echter niet ingegaan op de daarin voorkomende visuele prikkels.

Conclusie en gevolgen

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit met de aanpassingen in beroep nog steeds lijdt aan een motiveringsgebrek en genomen is in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

6. Om tot een definitieve beslechting van het geschil te komen, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d, van de Awb het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe dient een verzekeringsarts bezwaar en beroep een FML op te stellen die in overeenstemming is met de conclusies van Rammeloo en Nieuwdorp en met inachtneming van wat daarover in deze uitspraak is overwogen. Vervolgens zal het Uwv moeten bezien of dit aanleiding geeft om terug te komen van het besluit van 6 oktober 2010 dan wel aan te nemen dat er sprake is van toegenomen beperkingen, en welke gevolgen dit heeft voor de aanspraak van appellant op een Wajonguitkering.

7. Uit het voorgaande volgt dat de Raad er, anders dan het Uwv ter zitting heeft verzocht, niet voor gekozen heeft om de door de rechtbank geraadpleegde deskundigen te verzoeken nader te rapporteren, omdat bij de Raad geen onduidelijkheid bestaat over de conclusies van de deskundigen.

8. Omdat met deze uitspraak nog geen einde aan het geding is gekomen, wordt nog geen oordeel gegeven over de proceskostenvergoeding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het hiervoor vermelde gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van B. Uçurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) B. Uçurum

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand