SAMENVATTING
26/295 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 14 januari 2026, 25/195 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 24 september 2026
In deze zaak gaat het om een verzoek om herziening van een uitspraak van de Raad. Wat verzoeker heeft aangevoerd is niet voldoende om het bijzondere rechtsmiddel van herziening toe te passen. De Raad wijst het verzoek daarom af.
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 14 januari 2026. Het Uwv heeft een schriftelijke reactie op het verzoek gegeven.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 augustus 2026. Verzoeker is verschenen. Het Uwv is niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Voor de feiten en omstandigheden die in deze zaak van belang zijn, wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 14 januari 2026.
Uitspraak van de Raad
2. De Raad heeft in de uitspraak van 14 januari 2026 de uitspraak van de rechtbank vernietigd, voor zover niet is beslist op het verzoek van appellant om schadevergoeding, het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding afgewezen en de uitspraak van de rechtbank voor het overige bevestigd. De Raad heeft overwogen dat het Uwv hangende hoger beroep bij besluit van 15 oktober 2025 heeft vastgesteld dat appellant inmiddels aan zijn verplichtingen heeft voldaan door een schriftelijke machtiging af te geven om de uitkering uit te betalen op een bankrekening van een ander. Vanaf 1 juni 2020 wordt de WAOuitkering van verzoeker weer betaald en verzoeker krijgt daarom over de periode van 1 juni 2020 tot en met 1 november 2025 een nabetaling van bruto € 78.291,23. De Raad heeft vastgesteld dat de nabetaling aan verzoeker ook heeft plaatsgevonden. Verzoeker heeft in hoger beroep terecht aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op zijn verzoek om schadevergoeding. De Raad heeft dit verzoek zelf in behandeling genomen en afgewezen. Daartoe is overwogen dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van het onrechtmatige besluit van 7 juli 2020 schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt, omdat het oorzakelijk verband tussen de gestelde schade en dit besluit van het Uwv ontbreekt. Verzoeker heeft in december 2019 zelf verzocht om tijdelijke stopzetting van zijn WAO-uitkering, met als reden de problemen die hij indertijd ondervond met zijn bank. Het Uwv heeft aan dit verzoek gehoor gegeven, weliswaar in eerste instantie op een verkeerde manier, namelijk door de uitkering te beëindigen. Als het Uwv meteen het juiste besluit had genomen, had het Uwv de uitkering van verzoeker nog steeds niet kunnen uitbetalen. Het Uwv beschikte immers niet over een rekeningnummer van verzoeker zelf waarop kon worden uitbetaald en ook niet over een machtiging van verzoeker en een bankrekeningnummer om de uitkering op een rekening van een derde uit te betalen.
Standpunt van verzoeker
3. Verzoeker heeft als grond voor zijn verzoek om herziening aangevoerd dat hij na de uitspraak van 14 januari 2026 van een bevriende advocaat heeft gehoord dat het Uwv destijds zijn uitkering wel via een bankcheque had kunnen uitbetalen. Hierdoor had het Uwv de schade die hij heeft geleden kunnen beperken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de uitspraak van 14 januari 2026 moet worden herzien aan de hand van wat verzoeker heeft aangevoerd. De Raad komt tot het oordeel dat het verzoek om herziening wordt afgewezen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en;
waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Het is vaste rechtspraak van de Raad dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet bedoeld is om een hernieuwde discussie over de betreffende uitspraak te voeren of te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. Dit kan alleen als is voldaan aan de strikte, cumulatieve voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. De stelling van verzoeker dat het Uwv wel met een bankcheque de WAO-uitkering had kunnen uitbetalen, is ook in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 14 januari 2026 aan de orde geweest. Dit is dan ook geen feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb en kan alleen al daarom niet tot herziening van die uitspraak leiden.
Conclusie en gevolgen
Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om herziening wordt afgewezen. Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 14 januari 2026 in stand blijft.
5. Verzoeker krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Griffierecht is niet betaald.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) F.M. Gerritsen