SAMENVATTING
23/1149 ZVW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 januari 2023, 21/1642 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
CAK
Datum uitspraak: 24 september 2026
In deze zaak gaat het over de vraag of het CAK terecht het verdragsrecht van appellant heeft beëindigd per 30 juni 2020.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het CAK heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken aan de Raad toegestuurd.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 augustus 2026. Appellant is verschenen. Het CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant woont sinds 2013 in Spanje en ontving een WAO-uitkering uit Nederland. Met een besluit van 7 maart 2013 heeft het CAK vastgesteld dat appellant met ingang van 1 maart 2013 verdragsgerechtigde is. Dit betekent dat hij recht heeft op zorg in Spanje ten laste van Nederland. Hiervoor was hij een verdragsbijdrage verschuldigd die werd ingehouden op zijn WAO-uitkering.
Met een besluit van 2 oktober 2020 heeft het CAK aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 30 juni 2020 niet langer verdragsgerechtigde is, omdat hij geen uitkering meer uit Nederland ontvangt. Hij is daarom geen verdragsbijdrage meer verschuldigd.
Met een besluit van 11 februari 2021 (bestreden besluit) heeft het CAK het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank is appellant vanaf 1 maart 2013 terecht als verdragsgerechtigde aangemerkt, en was appellant vanaf de datum van de stopzetting van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering niet meer bijdrageplichtig.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant wil helemaal geen verdragsbijdrage meer betalen, ook niet over de rest van het jaar 2020. Appellant heeft – ook ter zitting – uitgebreid naar voren gebracht dat hij een aantal keren heeft ondervonden dat hij in Spanje slecht of helemaal niet is geholpen met zijn medische problemen. Volgens appellant is het Spaanse zorgsysteem slecht en worden de kosten van medische zorg die hij in een particuliere kliniek heeft gemaakt, niet vergoed. Bovendien heeft hij in 2020 helemaal geen medische zorg in Spanje gehad. Voor niet geleverde zorg wil appellant niet betalen. Hij houdt het CAK verantwoordelijk voor de problemen die hij – mede door de stopzetting van zijn WAO-uitkering – heeft ondervonden. Ook wil hij geen verdragsbijdrage betalen over de periode waarover zijn WAO-uitkering inmiddels is nabetaald, en wil hij in de toekomst geen verdragsbijdrage meer hoeven te betalen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Ter zitting heeft appellant bevestigd dat hij het met de beëindiging van zijn verdragsrecht in het bestreden besluit eens is. Het geschil betreft de vraag of het CAK terecht niet eerder dan per 30 juni 2020 het verdragsrecht van appellant heeft beëindigd, waardoor hij pas vanaf die datum geen verdragsbijdrage meer verschuldigd is. Daarbij kan de Raad slechts oordelen over het jaar 2020, omdat het bestreden besluit alleen op dat jaar betrekking heeft.
Naar het oordeel van de Raad bestaat geen aanleiding voor een eerdere beëindiging van het verdragsrecht dan per 30 juni 2020, omdat appellant vóór die datum nog verdragsgerechtigde was. Dat hij in Spanje in 2020 geen medische zorg heeft afgenomen die door het Spaanse wettelijke stelsel wordt gedekt, doet niet af aan het feit dat hij als verdragsgerechtigde een verdragsbijdrage moet betalen. Dit vloeit voort uit artikel 30 van Verordening (EG) nr. 883/2004 in verbinding met artikel 69 van de Zorgverzekeringswet. Dat appellant ontevreden is over de zorg krachtens het Spaanse publieke stelsel kan de Raad, uitgaande van de ervaringen die appellant ter zitting heeft geschetst, begrijpen, maar dat leidt niet tot een ander oordeel. De status van appellant als verdragsgerechtigde vloeit rechtstreeks voort uit artikel 24 of 25 van Vo 883/2004. Een keuzerecht om zich al dan niet te onderwerpen aan de werkingssfeer van artikel 24 of 25 van Vo 883/2004 is er niet. Het CAK is niet bevoegd de verzekeringspositie van appellant anders vast te stellen dan uit het Unierecht voortvloeit.
Mocht appellant op enig moment weer als verdragsgerechtigde worden aangemerkt, waardoor hij een verdragsbijdrage moet betalen, dan kan hij desgewenst tegen die besluiten in rechte opkomen.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten. In hoger beroep is geen griffierecht betaald.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) F.M. Gerritsen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Zorgverzekeringswet
Artikel 69
1. In het buitenland wonende personen die met toepassing van een verordening van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie dan wel toepassing van zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland, melden zich, tenzij zij op grond van deze wet verzekeringsplichtig zijn, bij het CAK aan.
2. De personen, bedoeld in het eerste, vijftiende en zestiende lid, zijn een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verschuldigd.
(…).
Verordening (EG) nr. 883/2004
Artikel 24 – Geen recht op verstrekkingen krachtens de wetgeving van de lidstaat van de woonplaats
1. Degene die een pensioen ontvangt krachtens de wetgeving van een of meer lidstaten en geen recht heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, ontvangt desalniettemin verstrekkingen voor zichzelf en zijn gezinsleden voorzover hij hierop recht zou hebben krachtens de wetgeving van de lidstaat, of van minstens een van de lidstaten die voor zijn pensioenen bevoegd is, indien hij in die lidstaat zou wonen. De verstrekkingen worden voor rekening van het in lid 2 bedoelde orgaan verstrekt door het orgaan van de woonplaats alsof de betrokkene recht had op pensioen en verstrekkingen krachtens de wetgeving van die lidstaat.
(…)
Artikel 25 – Pensioenen krachtens de wetgeving van een of meer andere lidstaten dan de lidstaat van de woonplaats in gevallen waarin er een recht op verstrekkingen in de lidstaat van de woonplaats
Ingeval degene die een pensioen ontvangt krachtens de wetgeving van een of meer lidstaten, woont in een lidstaat waarvan de wetgeving voor het recht op verstrekkingen geen voorwaarden stelt inzake verzekering of inzake het al dan niet in loondienst verrichten van werkzaamheden, en waarvan de betrokkene geen enkel pensioen ontvangt, komen de kosten voor verstrekkingen voor de betrokkene en zijn gezinsleden voor rekening van het krachtens de regels van artikel 24, lid 2, aangewezen orgaan van een van de lidstaten die bevoegd zijn voor zijn pensioenen, voorzover genoemde pensioengerechtigde en zijn gezinsleden recht zouden hebben op deze verstrekkingen indien zij zouden wonen in die lidstaat.
Artikel 30 – Premies of bijdragen ten laste van de pensioengerechtigden
1. Het orgaan van een lidstaat dat krachtens de door dat orgaan toegepaste wetgeving belast is met het inhouden van de premies of bijdragen ter dekking van prestaties bij ziekte en van moederschaps- en daarmee gelijkgestelde vaderschapsuitkeringen, kan slechts deze premies of bijdragen, welke worden berekend overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wetgeving, heffen en innen voorzover de kosten voor de verstrekkingen die moeten worden verleend krachtens de artikelen 23 tot en met 26, worden gedragen door een orgaan van genoemde lidstaat.
2. Wanneer een pensioengerechtigde, in de in artikel 25 bedoelde gevallen, krachtens de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, premies of bijdragen, of soortgelijke inhoudingen verschuldigd is voor het verkrijgen van prestaties bij ziekte en van moederschaps- en daarmee gelijkgestelde vaderschapsuitkeringen, zijn deze niet invorderbaar uit hoofde van zijn woonplaats aldaar.