SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/2757 ANW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 november 2024, 24/4996 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 24 september 2026
Appellante krijgt een lagere ANW-uitkering uitbetaald omdat de Svb een bedrag inhoudt als gevolg van een derdenbeslag. Appellante is het daar niet mee eens. Net als de rechtbank, oordeelt de Raad dat de Svb binnen de grenzen van het beslag is gebleven. Voor een beoordeling van de rechtmatigheid van het beslag en de hoogte van de beslagvrije voet moet appellante zich tot de burgerlijke rechter wenden.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. G. Grijs, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 augustus 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Grijs. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Appellante heeft vanaf 1 juni 2022 een nabestaandenuitkering op grond van de ANW ontvangen. Op 12 februari 2024 heeft een gerechtsdeurwaarder op verzoek van een schuldeiser beslag gelegd op de nabestaandenuitkering van appellante (derdenbeslag). De gerechtsdeurwaarder heeft de beslagvrije voet, het deel van de uitkering dat niet voor beslag vatbaar is, bepaald op € 1.161,-.
De Svb heeft met een besluit van 16 februari 2024 uitvoering gegeven aan het beslag. Daartoe heeft de Svb vastgesteld dat vanaf februari 2024 € 61,49 per maand wordt ingehouden op de nabestaandenuitkering van appellante. Daarnaast wordt in mei het vakantiegeld ingehouden en overgemaakt naar de deurwaarder als de schuld dan nog niet is voldaan. Tegen dat besluit heeft appellante bezwaar gemaakt maar de Svb is met zijn besluit van 26 april 2024 (bestreden besluit) gebleven bij de eerdere vaststelling.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Svb bij de vaststelling van de inhouding op de nabestaandenuitkering binnen het kader van het beslag is gebleven. Volgens de rechtbank heeft de Svb rekening gehouden met de beslagvrije voet die de deurwaarder heeft vastgesteld. Voor de stelling dat appellante in een financiële noodsituatie zou geraken ontbreekt een voldoende onderbouwing. Voor toepassing van een hardheidclausule ziet de rechtbank geen ruimte. De rechtbank onthoudt zich van een oordeel over de keuze van de Svb voor een maandelijkse in plaats van een jaarlijkse afdracht aan de gerechtsdeurwaarder, omdat die keuze geen besluit is waartegen beroep kan worden ingesteld. Van een ongerechtvaardigde inbreuk op het privéleven van appellante is volgens de rechtbank niet gebleken. Het verzoek om voorlopige voorziening en het verzoek tot schadevergoeding heeft de rechtbank afgewezen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat appellante tegen die uitspraak heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Op de zitting van de Raad heeft appellante haar beroepsgrond dat de Svb niet maandelijks maar jaarlijks aan de gerechtsdeurwaarder had moeten worden afdragen, ingetrokken.
Het standpunt van de Svb
De Svb heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de uitvoering van het derdenbeslag door inhouding op de nabestaandenuitkering vanaf februari 2024 in stand heeft gelaten. Het hoger beroep heeft geen betrekking op de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij het verzoek om een voorlopige voorziening heeft afgewezen. De Raad beoordeelt ook het verzoek van appellante om de Svb te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade. De Raad doet die beoordeling aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en dat het schadevergoedingsverzoek moet worden afgewezen.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat bezwaren betreffende een beslag kunnen worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter en dat het niet op de weg van de derde-beslagene, in dit geval de Svb, ligt om de geldigheid en de omvang van het beslag te beoordelen. Ook de bestuursrechter dient daarover niet te oordelen. Bij de beoordeling van een betalingsbeslissing als in dit geding aan de orde, moet het gelegde beslag als een gegeven worden aanvaard. De bestuursrechter dient zijn toetsing te beperken tot het beantwoorden van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van deze betalingsbeslissing binnen het kader van het beslag is gebleven. Toetsing van de geldigheid en de omvang van het beslag zijn voorbehouden aan de civiele rechter. Appellante heeft de juistheid van dit beperkte beoordelingskader betwist maar de Raad gaat daaraan voorbij. Appellante heeft geen enkele mogelijke grondslag genoemd waaruit eventuele verdergaande verplichtingen van de Svb en de bestuursrechter zouden kunnen voortvloeien en de Raad heeft zo’n grondslag ook zelf niet gevonden.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de Svb bij de vaststelling van de inhouding op de AOW-uitkering van appellante steeds rekening heeft gehouden met de door de deurwaarder vastgestelde beslagvrije voet en dat voor het overige niet is gebleken dat de Svb met het bestreden besluit buiten de kaders van het beslag is getreden of dat de Svb onzorgvuldig heeft gehandeld. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat de deurwaarder de beslagvrije voet op € 1.161,00 per maand heeft vastgesteld en dat appellante na inhouding van € 61,49 per maand en het vakantiegeld € 1.174,18 per maand overhoudt. Appellante heeft gesteld dat zij door de toepassing van het derdenbeslag maandelijks slechts een bedrag ter hoogte van 90% van de voor haar geldende bijstandsnorm overhoudt maar uit het hiervoor overwogene volgt dat deze klacht aan de burgerlijke rechter moet worden voorgelegd nu de Svb binnen de kaders van het beslag is gebleven. Met betrekking tot de geldigheid van het gelegde beslag, de hoogte van de beslagvrije voet, de mogelijke sociale of financiële problemen en de mogelijke schending van fundamentele rechten door het beslag, zal appellante zich tot de deurwaarder of de burgerlijke rechter moeten wenden.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit stand houdt. Dit betekent eveneens dat het verzoek van appellante om vergoeding van immateriële schade moet worden afgewezen omdat geen sprake is van een onrechtmatig besluit.
Conclusie en gevolgen
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het besluit over de uitvoering van het derdenbeslag door inhouding op de nabestaandenuitkering vanaf februari 2024 in stand blijft. Het verzoek van appellante om de Svb te veroordelen tot vergoeding van schade wordt afgewezen.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en A. Hoogenboom en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) M.J.D. van Haren
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Algemene nabestaandenwet
Artikel 46, eerste lid en tweede lid
De Sociale verzekeringsbank betaalt de uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat.
De betaling bedoeld in het eerste lid geschiedt in de regel per maand.
Artikel 50, eerste lid
De Sociale verzekeringsbank betaalt, voor zover niet reeds betaald, de vakantie-uitkering in afwijking van artikel 46 jaarlijks in de maand mei over de aan die maand voorafgaande maanden, of indien het recht op uitkering eerder dan in de maand mei eindigt, in de desbetreffende maand, tenzij aansluitend aan het recht op uitkering op grond van deze wet recht op uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet ontstaat.
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
Artikel 475, eerste lid, aanhef en onder a
Het beslag op vorderingen die de geëxecuteerde op derden mocht hebben of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen, en op hem toebehorende roerende zaken die onder derden mochten berusten en geen registergoederen zijn, geschiedt bij een exploot van een deurwaarder dat, behalve de gewone formaliteiten, op straffe van nietigheid inhoudt: een bevel aan de derde om het verschuldigde of de zaken onder zich te houden op straffe van onwaarde van elke in weerwil van het beslag gedane betaling of afgifte.
Artikel 477, eerste lid
De derde-beslagene die overeenkomstig het vorige artikel verklaring heeft gedaan, is verplicht de volgens deze verklaring verschuldigde geldsommen aan de deurwaarder te voldoen en de verschuldigde goederen of af te geven zaken te zijner beschikking te stellen.
Artikel 477b, eerste lid
Betaling of afgifte door de derde-beslagene overeenkomstig zijn buitengerechtelijke verklaring of krachtens een veroordeling als bedoeld in artikel 477a geldt als betaling of afgifte aan de geëxecuteerde.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:88, eerste lid
De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
a. een onrechtmatig besluit;
b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit; (…).