ECLI:NL:CRVB:2026:1296

ECLI:NL:CRVB:2026:1296

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 24-09-2026
Datum publicatie 01-10-2026
Zaaknummer 24/2494 AKW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Afwijzing aanvraag dubbele kinderbijslag vanaf eerste kwartaal 2023. Voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een zodanig intensieve zorgbehoefte als bedoeld in artikel 11 van het BUK dat wordt voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor dubbele kinderbijslag.

Uitspraak

SAMENVATTING

24/2494 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 1 oktober 2024, 23/3443 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 24 september 2026

De Raad oordeelt dat de Svb de aanvraag van appellante voor dubbele kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 2023 terecht heeft afgewezen. De Svb heeft zich gebaseerd op het advies van het CIZ. De Raad concludeert dat dat advies zorgvuldig en concludent is en dat met dat advies voldoende is gemotiveerd dat geen sprake is van een zo intensieve zorgbehoefte dat wordt voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor dubbele kinderbijslag.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. van de Wiel hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Mr. R.J. Ruiter, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 augustus 2026. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Appellante heeft op 30 maart 2023 een aanvraag ingediend voor dubbele kinderbijslag op grond van de AKW voor haar dochter [naam dochter] , geboren op [geboortedatum] 2011. [naam dochter] heeft een mozaïek Turnersyndroom met een aangeboren standsafwijking aan haar beide voeten en een rugaandoening. Zij heeft een achterstand in spraak- en taalontwikkeling en in sociaal-emotionele vaardigheden.

Met een besluit van 30 juni 2023 heeft de Svb de aanvraag vanaf het eerste kwartaal van 2023 afgewezen. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt maar met een besluit van 8 november 2023 (bestreden besluit) is de Svb gebleven bij de afwijzing van de aanvraag. De Svb heeft vastgesteld dat [naam dochter] geen intensieve zorg als bedoeld in het BUK nodig heeft en zich daarbij gebaseerd op de adviezen van het CIZ van 26 juni 2023 en 6 november 2023. Op basis van die adviezen zijn 0 punten toegekend, waarmee niet voldaan wordt aan de minimale zorgscore van 3 punten die nodig is om aanspraak te maken op dubbele kinderbijslag voor kinderen van 10 tot en met 17 jaar.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Svb de aanvraag om dubbele kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 2023 terecht heeft afgewezen. De rechtbank overweegt dat het CIZ op basis van de aanwezige informatie voldoende heeft gemotiveerd waarom [naam dochter] niet in aanmerking komt voor een punt voor lichaamshygiëne, mobiliteit, medische verzorging, alleen thuis zijn en begeleiding buitenshuis en bezig houden/handreikingen. Daarbij acht de rechtbank het onder meer van belang dat appellante geen medische onderbouwing heeft gegeven voor haar stelling dat de zorg die [naam dochter] nodig heeft, voldoet aan de criteria om op die onderdelen een punt te toekennen.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat appellante tegen die uitspraak heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het standpunt van de Svb

De Svb heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. De Svb heeft zijn standpunt gehandhaafd dat [naam dochter] geen intensieve zorg als bedoeld in het BUK nodig heeft. De Svb baseert zich daarbij ook op de nadere adviezen van het CIZ van 7 maart 2024, 5 september 2024 en 10 januari 2025.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de herhaalde aanvraag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.

De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Een voorwaarde voor het recht op dubbele kinderbijslag op grond van artikel 7a van de AKW is dat het kind is aangewezen op intensieve zorg. De Svb kan vaststellen dat er sprake is van intensieve zorg wanneer er een positief advies van het CIZ ligt. Het CIZ geeft een positief advies als het kind naar zijn oordeel intensieve zorg nodig heeft. Dit is geregeld in artikel 2 van de Regeling. Voor die beoordeling hanteert het CIZ het Beoordelingskader. De Svb neemt ook zelf het Beoordelingskader tot uitgangspunt en schaart zich achter het advies van het CIZ, nadat de Svb heeft vastgesteld dat een advies van het CIZ op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en concludent is. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld, is het Beoordelingskader aan te merken als een vaste gedragslijn en kan dat als uitgangspunt worden genomen voor de beoordeling van een aanspraak op dubbele kinderbijslag.

Hiermee is niet gegeven dat het CIZ niet in een voorkomend geval, waarin de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven, zou moeten beoordelen of, in weerwil van de criteria van het Beoordelingskader, sprake is van een situatie van intensieve zorg als bedoeld in artikel 11, van het BUK. Het ligt in een voorkomend geval op de weg van de betrokkene om aan de hand van concrete, verifieerbare, objectieve feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat hiervan sprake is. Voor aanspraak op dubbele kinderbijslag is vereist dat een kind zodanig ernstig beperkt is in het dagelijks functioneren als gevolg van een ziekte of stoornis, dat de verzorging en oppassing door de ouders in ernstige mate wordt verzwaard. Dat betekent dat er een oorzakelijk verband moet zijn tussen de ziekte of stoornis en de beperkingen van het kind. Verder moet er, als gevolg daarvan, sprake zijn van verzwaring van de verzorging en oppassing door de ouders.

In de medische adviezen van het CIZ van 7 maart 2024, 5 september 2024 en 10 januari 2025 is alle informatie van de behandelaars van [naam dochter] betrokken. Ook de eerdere adviezen van het CIZ in deze procedure zijn daarbij betrokken. Niet gebleken is dat de adviezen van het CIZ onzorgvuldig tot stand zijn gekomen.

Appellante wordt niet gevolgd in haar betoog dat de adviezen van het CIZ over de zorgscore op de items ‘lichaamshygiëne’, ‘alleen thuis zijn’, ‘begeleiding buitenshuis’ en ‘bezig houden, handreikingen’ onjuist zijn.

De argumenten die appellante in dit verband heeft aangedragen zijn besproken in de medische adviezen van het CIZ van 7 maart 2024, 5 september 2024 en 10 januari 2025. De medisch adviseur van het CIZ reageert daarin op de gronden die appellante in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd. In die adviezen is uitgebreid verwezen naar de informatie van de behandelaars van [naam dochter] en naar de eerdere medische adviezen van het CIZ naar aanleiding van deze aanvraag. In de adviezen is op inzichtelijke wijze aangegeven waarom de zorgbehoefte van [naam dochter] niet voldoet aan deze criteria. Appellante heeft er op gewezen dat volgens het Beoordelingskader 2018 een score voor ‘lichaamshygiëne’ ook kan worden vastgesteld zonder dat bij het kind sprake is van een ziekte of stoornis. Dit neemt niet weg dat ook in een dergelijk geval voor die score een objectiveerbare onderbouwing nodig is dat het kind permanente aanwezigheid, aanwijzingen of fysieke hulp nodig heeft. Die onderbouwing ontbreekt hier, mede in het licht van het feit dat op school deze hulp niet nodig blijkt.

Appellante heeft gesteld dat met objectieve gegevens aannemelijk is gemaakt dat [naam dochter] niet alleen thuis kan zijn en begeleiding buitenshuis nodig heeft in verband met bewegingsangst. De Raad volgt appellante niet in die stelling. Appelante heeft in dit verband een beroep gedaan op de informatie van de orthopedisch chirurg en de kinderarts-endocrinoloog. De medisch adviseur van het CIZ heeft die informatie in de beoordeling betrokken. Dat geldt ook voor de informatie van de behandelend psycholoog. De medisch adviseur constateert terecht dat de angstklachten die worden beschreven, niet voldoende zijn onderbouwd met medische of psychiatrische rapportages. Er is dus geen verklarende (psychiatrische) diagnose en een nadere kwalificatie daarvan, die deze angst koppelt aan een medische noodzaak voor permanent toezicht binnen- of buitenshuis, aldus de medisch adviseur. In wat appellante heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling door de medisch adviseur op het onderdeel ‘alleen thuis zijn’ en ‘begeleiding buitenshuis’.

Appellante heeft ten slotte gesteld dat ook een punt zou moeten worden toegekend voor ‘bezig houden/handreikingen’, omdat uit de medische informatie blijkt dat kinderen met een mozaïek Turnersyndroom moeite hebben met planning en organisatie, en dat uit de informatie van de psycholoog volgt dat appellante strijdt met haar moeder over de dagelijkse regels. De Raad volgt appellante niet in die stelling. De medisch adviseur van het CIZ onderkent dat [naam dochter] moeite kan hebben met planning en organisatie en dat dat past bij haar aandoeningen maar wijst er op dat het beoordelingskader vereist dat de noodzaak tot het aanbieden van een volledige, complete dagstructuur met voortdurende individuele aandacht en activering het gevolg is van een ziekte of stoornis. In dit geval is er geen medische of psychiatrische diagnose die aantoont dat haar problemen met planning en organisatie het gevolg zijn van een ziekte of stoornis die haar beperkt in het zichzelf bezighouden, aldus de medisch adviseur. De Raad ziet in wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van die beoordeling door de medisch adviseur.

Naar het oordeel van de Raad is geen sprake is van feiten en omstandigheden die het CIZ aanleiding zouden moeten geven om te beoordelen of in weerwil van de criteria van het Beoordelingskader sprake is van een situatie van intensieve zorg als bedoeld in artikel 11 van het BUK. Appellante heeft geen concrete, verifieerbare en te objectiveren feiten en omstandigheden aangevoerd die erop zouden kunnen wijzen dat van die situatie sprake is en de Raad ziet daarvoor ook overigens geen aanwijzingen.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de herhaalde aanvraag in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en A. Hoogenboom en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) M.J.D. van Haren

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene Kinderbijslagwet (AKW)

Artikel 7a, eerste lid

Een verzekerde heeft voor een tot zijn huishouden behorend kind dat drie jaar is of ouder, maar nog niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, recht op een verdubbeling van het bedrag aan kinderbijslag, genoemd in artikel 12, eerste en tweede lid, indien het kind is aangewezen op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen mate van intensieve zorg.

Besluit uitvoering kinderbijslag (BUK)

Artikel 11

1. Van intensieve zorg als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de wet is sprake als het een kind betreft dat zodanig ernstig beperkt is in het dagelijks functioneren als gevolg van een ziekte of stoornis van lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of geestelijke aard dat de verzorging en oppassing door de ouders in ernstige mate wordt verzwaard.

2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop vastgesteld wordt of er sprake is van intensieve zorg als bedoeld in het eerste lid.

Regeling uitvoering dubbele kinderbijslag bij intensieve zorg

Artikel 2

1. De SVB kan vaststellen dat er sprake is van intensieve zorg, indien het advies positief luidt.

2. Het advies luidt positief indien: (…)

b. het kind blijkens de beoordeling van het CIZ intensieve zorg nodig heeft.

Artikel 3

1. De beoordeling, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, komt tot stand aan de hand van de volgende items:

a. lichaamshygiëne;

(…)

g. alleen thuis zijn;

j. begeleiding buitenshuis;

i. bezig houden, handreikingen.

2. Indien het CIZ oordeelt dat er sprake is van een zware zorgbehoefte op een item, kent het CIZ op dit item een punt toe.

3. Het kind behoeft intensieve zorg als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, indien:

(…)

c. het 10-17 jaar is en het CIZ minimaal 3 punten toekent.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand