SAMENVATTING
25/1972 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 augustus 2025, 24/9508 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 30 september 2026
In deze zaak heeft het Uwv terecht de ZWuitkering van appellante per 18 januari 2024 beëindigd. De Raad volgt het standpunt van appellante niet dat zij door haar beperkingen niet in staat was het eigen werk te verrichten en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZWuitkering terecht heeft beëindigd.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J. Berkouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 augustus 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Berkouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.W. Beers.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als klantenservice medewerker voor gemiddeld 26,88 uur per week. Op 1 april 2023 heeft zij zich ziekgemeld met lichamelijke klachten. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een Eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts het dossier bestudeerd en telefonisch contact met appellante gehad. De verzekeringsarts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 december 2023. Een arbeidsdeskundige heeft aan de hand daarvan vastgesteld dat appellante ondanks de vastgestelde beperkingen geschikt is voor haar laatste werk. Het Uwv heeft bij besluit van 17 januari 2024 de ZWuitkering van appellante met ingang van 18 januari 2024 (datum in geding) beëindigd.
Bij beslissing op bezwaar van 20 september 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat niet is gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 11 september 2024 inzichtelijk gemotiveerd dat uit de verkregen informatie is gebleken dat er bij appellante in november 2023 duidelijk sprake was van het weer actief zijn van de ziekte van Crohn, waarvoor beperkingen zijn vastgesteld. De arbeidsdeskundige heeft in het rapport van 15 januari 2024 inzichtelijk toegelicht dat appellante met inachtneming van de voor haar vastgestelde beperkingen in staat is haar eigen werk te verrichten. Hierbij is ook rekening gehouden met het feit dat appellante haar werkzaamheden vanuit huis verrichte.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het onderzoek door het Uwv onvoldoende zorgvuldig is verricht en dat haar medische beperkingen zijn onderschat. In dit verband heeft appellante erop gewezen dat rond de datum in geding sprake was van een opvlamming van de ziekte van Crohn. Als gevolg hiervan had zij veel (pijn)klachten, waardoor zij zich niet goed kon concentreren. Bovendien was sprake van veelvuldig en langdurig toiletbezoek. Daarnaast had appellante te kampen met gewrichtsklachten, tintelingen in de handen en had zij gekneusde ribben ten tijde van de beoordeling door het Uwv. Hiermee is onvoldoende rekening gehouden. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante diverse medische stukken ingediend.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 januari 2026, verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder ‘zijn arbeid’ verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
Net als de rechtbank is de Raad van oordeel dat het onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig is verricht. Uit het dossier blijkt dat er naar aanleiding van de ziekmelding per 1 april 2023 regelmatig contact met appellante is geweest over het beloop van haar klachten en de behandelingen die zij daarvoor, met name bij de MDLarts, had. Op 18 september 2023 en 30 oktober 2023 is appellante gezien op het spreekuur van een verzekeringsarts. Ook heeft de verzekeringsarts brieven van de MDLarts van 3 oktober 2023 en 6 november 2023 ontvangen. In het kader van de EZWb heeft de verzekeringsarts telefonisch contact gehad met appellante, waarbij zij vertelde dat haar klachten onveranderd waren en dat alles bij het vorige gesprek was besproken. De verzekeringsarts heeft het, gelet op de recente onderzoeken, niet noodzakelijk geacht om appellante opnieuw op een spreekuur te zien. Tijdens de bezwaarprocedure is de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanwezig geweest bij de hoorzitting, waarna aansluitend een medisch onderzoek heeft plaatsgevonden en de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante lichamelijk heeft onderzocht. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep kennisgenomen van de informatie van de huisarts die appellante in bezwaar heeft ingediend en nogmaals informatie opgevraagd bij de MDLarts, waarbij zij onder andere heeft gevraagd naar het verloop na oktober 2023. Hierop is een brief ontvangen van de MDLarts van 27 augustus 2024, die door de verzekeringsarts bezwaar en beroep kenbaar in de beoordeling is betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikte over voldoende informatie om de medische situatie van appellante op de datum in geding zorgvuldig te kunnen beoordelen.
De rechtbank heeft ook terecht geen aanleiding gezien om het standpunt van het Uwv, dat appellante op de datum in geding geschikt was voor haar eigen werk als klantenservice medewerker, voor onjuist te houden. Dat sprake was van een opvlamming van de ziekte van Crohn, was bekend bij de verzekeringsarts en hiermee is ook rekening gehouden door in de FML beperkingen op te nemen ten aanzien van zware fysieke belasting en te vermelden dat een toilet in de buurt aanwezig moet zijn. De arbeidsdeskundige heeft in het rapport van 15 januari 2024 uiteengezet dat appellante ondanks haar beperkingen geschikt is voor het werk als klantenservice medewerker, kortgezegd omdat dit werk niet fysiek zwaar is en een toilet in de buurt aanwezig is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hier nog aan toegevoegd dat het als gevolg van de ziekte van Crohn gerechtvaardigd is om energetische beperkingen aan te nemen, maar omdat appellante niet fulltime werkte dit niet afdoet aan de geschiktheid van het eigen werk. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat appellante tijdens een gesprek met de arbeidsdeskundige heeft verteld dat haar werkgever op de hoogte was van haar klachten, dat zij vanuit huis werkte en dat zij alle vrijheid had om gebruik te maken van het toilet indien noodzakelijk. De Raad ziet onvoldoende aanknopingspunten om te veronderstellen dat het Uwv de beperkingen die appellante op de datum in geding had als gevolg van de ziekte van Crohn heeft onderschat.
Wat appellante heeft aangevoerd over haar andere medische problemen, leidt ook niet tot een ander oordeel. Appellante heeft in hoger beroep een brief ingediend van een reumatoloog van 18 november 2025, waaruit blijkt dat de diagnose fibromyalgie is gesteld. Het Uwv heeft er, aan de hand van een rapport van 12 januari 2026 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, op gewezen dat dit dateert van na de datum in geding. De klachten bestonden al wel op de datum in geding maar dit leidt niet tot verdergaande beperkingen, omdat al fysieke beperkingen zijn aangenomen. Verder blijkt uit een door appellante ingediende brief van haar huisarts dat op 20 maart 2024 een ribcontusie is vastgesteld. Hieruit kan niet worden afgeleid dat dit al aan de orde was op de hier in geding zijnde datum 17 januari 2024. Wat betreft de tintelingen in de handen, blijkt uit informatie van een neuroloog dat begin 2025 onderzoeken hebben plaatsgevonden en dat daarbij geen aanwijzingen zijn gevonden voor een carpaal tunnelsyndroom rechts of links. De toekenning van een persoonsgebonden budget op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning per 13 juli 2026 dateert van ver na de datum in geding. Bovendien is niet duidelijk op welke medische informatie deze toekenning is gebaseerd. Ook het feit dat appellante in augustus en september 2024 afspraken heeft gehad voor het aanmeten en afleveren van steunkousen, werpt geen ander licht op haar medische situatie op de datum in geding.
Omdat geen twijfel bestaat aan de juistheid van de beoordeling door het Uwv, bestaat geen aanleiding om een deskundige te benoemen, zoals ter zitting door appellante is verzocht.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) G.T. Hunsel