ECLI:NL:CRVB:2026:1294

ECLI:NL:CRVB:2026:1294

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 01-10-2026
Zaaknummer 25/1329 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is per 20 augustus 2020 vastgesteld op 64,33%. De Raad oordeelt met de rechtbank dat sprake is van een toereikende medische en arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functies zijn passend voor appellante.

Uitspraak

SAMENVATTING

25/1329 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 mei 2025, 24/6010 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 30 september 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 15 augustus 2023 heeft vastgesteld op 64,33%. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.I. Bal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 juli 2026. Voor appellante is mr. Bal verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.L.M. Dunselman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

2. Appellante heeft voor het laatst gewerkt als medewerker centrale afwas in dienst van de [naam stichting] (werkgever) en voor werkzaamheden als schoonmaakster in dienst van [naam B.V.] Op 17 oktober 2012 heeft zij zich ziekgemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv appellante met ingang van 15 oktober 2014 volledig arbeidsongeschikt geacht en een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De loongerelateerde WGA-uitkering is op 15 februari 2017 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering.

Nadat appellante het Uwv op 24 november 2022 heeft laten weten dat haar gezondheid met ingang van 10 augustus 2022 is verslechterd, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 mei 2023. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 29,21%. Het Uwv heeft bij besluit van 14 juni 2023 met ingang van 15 augustus 2023 de loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA beëindigd, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Bij besluit van 29 augustus 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de WIA-uitkering van appellante per 15 augustus 2023 voortgezet. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en een nieuwe FML van 11 juli 2024 ten grondslag. De mate van arbeidsongeschikt is daarbij vastgesteld op 64,33%.

Uitspraak van de rechtbank

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank slagen de medische gronden niet. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar standpunt dat uit de aangenomen lichte beperkingen voor lopen en staan automatisch zou volgen dat appellante ook niet ten minste één keer twee trappen op en af, of één ladder op en af zou kunnen. Er is niet met medische stukken onderbouwd dat vanwege snelle fysieke uitputting meer beperkingen op deze en andere onderdelen van de rubrieken dynamische en statische houdingen moeten worden aangenomen. Ook het feit dat appellante beperkt is geacht op de onderdelen omgaan met conflicten en klantcontacten, betekent niet dat zij daarom ook beperkt moet worden op samenwerken. Uit het klachtenverhaal bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt niet dat appellante problemen heeft met samenwerken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarvoor dan ook terecht geen beperking aangenomen. Er zijn geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat met de aangenomen beperking van ongeveer één minuut aaneen boven schouderhoogte actief zijn, niet voldoende rekening is gehouden met de klachten van appellante. Hetzelfde geldt voor de klachten bij het gebruik van de handen. Uit het medische rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat appellante fijn motorisch goed gebruik kan maken van haar handen, maar weinig kracht heeft. Er zijn geen medische stukken ingediend die onderbouwen dat de aangenomen beperkingen bij het onderdeel dynamische handelingen niet volstaan. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat de diagnose PTSS niet wordt overgenomen, maar dat de diagnose angst- en stemmingsklachten wel wordt gesteld. Hiervoor zijn ook beperkingen aangenomen. Appellante heeft niet aangevoerd welke specifieke beperkingen nog meer zouden moeten worden aangenomen vanwege de ervaren angstklachten. De rechtbank kan volgen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen beperking heeft aangenomen voor het vasthouden van de aandacht. Er is geen reden om aan te nemen dat appellante zich minder dan 30 minuten kan concentreren op één informatiebron. Appellante kon zich gedurende 70 minuten concentreren op het medisch spreekuur bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Uit het dagverhaal en de beschrijving van de klachten blijkt ook niet dat sprake is van concentratieproblemen of een geheugenstoornis. Dit is ook niet onderbouwd met medische stukken. De rechtbank heeft ook de arbeidskundige gronden van appellante verworpen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat de opleidingseis ‘enkele jaren VMBO’ inhoudt dat de werkgever verlangt dat na het basisonderwijs enkele jaren vervolgonderwijs is gevolgd en heeft geconcludeerd dat appellante hieraan voldoet. Over het gebruik van de naaimachine heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep met de verzekeringsarts bezwaar en beroep overlegd en nader gemotiveerd dat er bij de functie productiemedewerker textiel geen risico op verwonding bij evenwichtsproblemen bestaat, omdat er zittend gewerkt wordt en er geen sprake is van bijvoorbeeld een onbeveiligde hakkende machine. Bovendien is een industriële naaimachine geen gevaarlijke machine zoals bedoeld in de FML. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden om te twijfelen aan de uitleg van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De twijfels van appellante over de uitleg van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep worden op geen enkele manier onderbouwd.

Het standpunt van appellante

4. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft herhaald dat de uit haar medische klachten voortkomende beperkingen zijn onderschat en dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn voor haar. Wat zij hierover heeft aangevoerd, zal hierna worden besproken.

Het standpunt van het Uwv

5. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

6. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 64,33% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

Medische beoordeling

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep getrokken conclusies. De rechtbank heeft de beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat het feit dat een beperking is aangenomen op emotionele problemen van anderen hanteren, niet zonder meer betekent dat appellante ook beperkt had moeten worden geacht op samenwerken. Dat er een relatie tussen beide beoordelingspunten is, omdat er een overlap kan zijn, is daartoe onvoldoende. Hetzelfde geldt voor de stelling van appellante dat zij ook beperkt had moeten worden geacht op trappenlopen, omdat zij in bezwaar beperkt is geacht op lopen en staan. De beroepsgrond dat de artsen van het Uwv appellante vragen hadden moeten stellen over samenwerken en trappenlopen, slaagt niet. Uit de onderzoeksbevindingen van de artsen van het Uwv is van specifieke problematiek op die beoordelingsaspecten niet gebleken. Appellante heeft ook in hoger beroep verder geen medische stukken overgelegd die aanknopingspunten zouden kunnen bieden voor twijfel aan de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Arbeidskundige beoordeling

De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellante. Wat appellante over het werken met een naaimachine in de functie productiemedewerker textiel heeft aangevoerd, is een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. Die beroepsgrond heeft de rechtbank voldoende gemotiveerd besproken. Wat appellante heeft aangevoerd over het niet voldoen aan de opleidingseis van enkele jaren VMBO in de functies productiemedewerker textiel en medewerker binderij, omdat zij haar opleiding niet in Nederland heeft gevolgd en haar taalvaardigheid voor deze functies onvoldoende is, slaagt niet. De arbeidsdeskundigen hebben opleidingsniveau 2 bij appellante vastgesteld, gebaseerd op afgerond basis- en middelbaar onderwijs in Iran. Volgens vaste rechtspraak is het niet relevant of het onderwijs in Nederland of in het buitenland is gevolgd. Verder is het zo dat volgens eveneens vaste rechtspraak ook iemand met een beperkte lees- en taalvaardigheid in de Nederlandse taal doorgaans in staat kan worden geacht eenvoudige productiematige functies te vervullen. In dit geval gaat het om eenvoudige en routinematige functies met opleidingsniveau 2 waarop deze rechtspraak van toepassing is. In beide functies worden mondelinge instructies ontvangen. Schriftelijke beheersing van de Nederlandse taal wordt in de functies niet vereist. Een beperkte beheersing van de Nederlandse taal is bij de betreffende functies geen belemmering.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering aan appellante waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 64,33% in stand blijft.

7. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en F.M. Rijnbeek en

L.A. Kjellevold als leden, in tegenwoordigheid van B. Uçurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) B. Uçurum

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand