25/1258 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 mei 2025, ARN 25/36 en ARN 24/8923 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)
Datum uitspraak: 24 september 2026
PROCESVERLOOP
In de uitspraak van 10 februari 2026 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante geen gronden heeft ingediend.
Appellante heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 2 juli 2026. Partijen zijn niet verschenen. Zeer kort voor de zitting heeft appellante verzocht om uitstel van de zitting.
OVERWEGINGEN
Appellante heeft op 27 maart 2026 bij de Raad tegen die uitspraak verzet gedaan. Op grond van artikel 8:55, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn de artikelen 6:7, 6:8 en 6:11 van de Awb van overeenkomstige toepassing bij verzet. Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het doen van verzet zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt die termijn aan met ingang van de dag na die waarop de uitspraak op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. De laatste dag waarop tijdig verzet kon worden gedaan, was 24 maart 2026. Op grond van het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na de verzetstermijn ingediend verzetschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Beoordeeld moet worden of die situatie zich voordoet.
Het verzetschrift is ontvangen door de Raad op 27 maart 2026. De laatste dag waarop verzet ingediend kon worden is 24 maart 2026. Appellante heeft haar verzetschrift op 26 maart 2026 per post verstuurd. Appellante heeft er in haar verzetschrift op gewezen dat haar doenvermogen beperkt is, op haar ‘concrete existentiële situatie’ waarover zij echter geen verdere mededelingen wil doen omdat dat een onaanvaardbare inbreuk op haar privéleven zou betekenen, op de rol van de gemeente en op de juridische complexiteit van de situatie waarin zij verkeert. In de later door haar ingediende stukken, voert zij vergelijkbare gronden aan. Een deugdelijke onderbouwing voor de verschoonbaarheid voor de te late indiening van het verzetschrift heeft zij daarmee niet geleverd.
Appellante heeft geen deugdelijke gronden aangevoerd voor haar verzoek om uitstel van de zitting. De gestelde gezondheidsproblemen zijn niet onderbouwd. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om het verzoek van appellante toe te wijzen. Er is om dezelfde reden evenmin een aanleiding om het onderzoek te heropenen.
Zoals hiervoor overwogen is er geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De overige gronden zullen daarom niet worden besproken.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) A.T. Dannenberg