SAMENVATTING
24/48 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2023, 23/5510 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
Datum uitspraak: 22 september 2026
het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (college)
Deze zaak gaat over een intrekking en terugvordering van bijstand, omdat appellante de medewerkingsverplichting heeft geschonden door een huisbezoek te weigeren als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellante heeft terecht aangevoerd dat niet is voldaan de eis van ‘informed consent’, maar dat leidt er in dit geval niet toe dat er sprake is van schending van het huisrecht. Verder is de Raad met de rechtbank van oordeel dat sprake is van weigering van medewerking aan een huisbezoek door appellante. Appellante krijgt dus geen gelijk.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. N. Velthorst, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 juni 2026. Voor appellante is mr. T.S. Brinkman verschenen, kantoorgenoot van mr. Velthorst. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Blok.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante ontving, tezamen met A, over de periode 29 maart 2017 tot en met 1 januari 2019 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de gehuwdennorm, omdat zij in die periode een gezamenlijke huishouding voerden. Samen hebben zij vier minderjarige kinderen. Vanwege een verhuizing van A naar een andere gemeente ontving appellante sinds 2 januari 2019 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante staat samen met haar kinderen in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op adres X. A staat ingeschreven op een adres in een andere gemeente.
Naar aanleiding van een signaal dat appellante in het bezit is van een auto, die eerder nog op naam stond van A, heeft een handhavingsmedewerker van de afdeling sociale zaken van de gemeenschappelijke regeling IJsselgemeenten (handhavingsmedewerker) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Op grond van de resultaten van het administratief vooronderzoek is het vermoeden ontstaan dat appellante mogelijk een gezamenlijke huishouding voert met A. In het kader van een verdiepingsonderzoek heeft de handhavingsmedewerker onder meer geprobeerd om op 30 maart 2023, tezamen met een collega, een huisbezoek af te leggen. De bevindingen van het administratief vooronderzoek en het verdiepingsonderzoek zijn neergelegd in een rapport van 31 maart 2023. Over het bezoek aan de woning van appellante op adres X is in dat rapport het volgende vermeld:
“Bekend maken doel onderzoek
Na aanbellen wordt de toegangsdeur van de woning geopend door een vrouw die aangeeft dat zij [appellante] is. Wij hebben vervolgens aangegeven dat wij van IJsselgemeenten zijn en dat wij een huisbezoek willen afleggen om de woon- en leefsituatie te controleren.
Reactie belanghebbende aan de voordeur
[Appellante] geeft op dat moment aan dat zij aan koken is en het huisbezoek haar niet goed uitkomt. Ze loopt weg en laat de voordeur en de tussendeur die uitkomt in de woonkamer open staan. Ze schreeuwt vanuit de keuken dat wij naar binnen mogen komen waarop collega (…) aangeeft dat zij officieel toestemming (informed consent) dient te verlenen voor het betreden van de woning en het verrichten van het huisbezoek. In het kader van de privacy van belanghebbende zijn collega (…) en rapporteur de woning binnen gestapt en in deuropening van de hal die naar de woonkamer loopt blijven staan. Vanuit de hal is de woonkamer te zien. In de woonkamer is een man en 4 kinderen aanwezig.
Weigering huisbezoek
Aan [appellante] is medegedeeld dat wij ter controle van de feitelijke woon- en leefsituatie, een huisbezoek willen afleggen en dat er een redelijke grond bestaat voor het afleggen van dit huisbezoek. Tevens is haar uitgelegd dat zij het huisbezoek ook kan weigeren maar dat een eventuele weigering wel directe gevolgen voor haar uitkering heeft. Er is uitgelegd dat dit concreet betekent dat de uitkering zal worden beëindigd indien zij de medewerking aan het huisbezoek weigert. [Appellante] geeft nogmaals aan dat het huisbezoek haar niet uitkomt, ze aan het koken is, haar kinderen voor het eerst meedoen aan de Ramadan en dat ze op het punt staan om met zijn allen te gaan eten. Zij ziekenhuisafspraken had, gestrest is, haar oudste dochter misschien een jaar over moet doen op school en zij nooit heeft gezegd dat zij geen contact heeft met [A]. Bij dit laatste wijst zij in de richting van de man die bij haar in de woonkamer staat.
Wij geven nogmaals aan dat [appellante] de keuze heeft zij wel of niet wilt meewerken aan het huisbezoek en bij weigering, de uitkering wordt beëindigd. [Appellante] wenste geen medewerking te verlenen aan het huisbezoek.”
Met een besluit van 31 maart 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 4 juli 2023 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 30 maart 2023 ingetrokken en de voor 30 en 31 maart 2023 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 73,29 van appellante teruggevorderd. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende medewerkingsverplichting heeft geschonden. Bij het college zijn twijfels ontstaan over de juistheid van de door appellante verschafte inlichtingen over haar woon- en leefsituatie. Appellante heeft haar woonsituatie echter niet willen ophelderen door medewerking te verlenen aan een huisbezoek. Daardoor is er onvoldoende inzicht in de woon- en leefsituatie van appellant en kan het recht op bijstand vanaf 30 maart 2023 niet worden vastgesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. De bestuursrechter toetst het bestreden besluit dan voor de periode van de ingangsdatum van de intrekking tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. In dit geval loopt deze periode van 30 maart 2023 tot en met 31 maart 2023 (te beoordelen periode).
Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie.
Tussen partijen is niet in geschil dat er een redelijke grond was om een huisbezoek af te leggen op adres X. Appellante heeft allereerst aangevoerd dat de verklaring die zij tijdens het huisbezoek heeft afgelegd als onrechtmatig bewijs buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat niet is voldaan aan het vereiste van ‘informed consent’. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van betekenis.
Heeft het college een inbreuk gemaakt op het huisrecht?
Er is geen inbreuk op het huisrecht als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van de nodige informatie (‘informed consent’). Dit houdt in dat de toestemming van de betrokkene berust op volledige en juiste informatie over de reden en het doel van het huisbezoek en over de gevolgen van het weigeren van toestemming voor de verlening van bijstand. De bewijslast voor het ‘informed consent’ bij het binnentreden in de woning rust op het college. Welke gevolgen het weigeren van toestemming voor het binnentreden in de woning heeft hangt af van de vraag of een redelijke grond voor het huisbezoek bestaat. Als een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek bestaat dan moet de betrokkene erop worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand. Ontbreekt een redelijke grond dan moet de betrokkene erop worden gewezen dat het weigeren van toestemming geen gevolgen heeft voor de bijstandsverlening. Dit is vaste rechtspraak.
Nu ervan uit moet worden gegaan dat er een redelijke grond was om een huisbezoek af te leggen op adres X, moest appellante worden voorgehouden dat het weigeren van een huisbezoek gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand.
Uit het rapport van 31 maart 2023, zoals weergegeven in 1.2, blijkt dat de handhavingsmedewerker en diens collega zich bij het openen van de voordeur aan appellante hebben voorgesteld en het doel van het huisbezoek hebben uitgelegd. Appellante is vervolgens naar de keuken gelopen en heeft de handhavingsmedewerkers uitgenodigd om binnen te komen. Hierna zijn de handhavingsmedewerkers de woning binnengegaan en in de deuropening van de hal naar de woonkamer blijven staan, waarna zij appellante hebben geïnformeerd dat een eventuele weigering directe gevolgen voor haar uitkering heeft. Deze gang van zaken heeft appellante niet betwist. Onder deze omstandigheden kan in dit geval niet worden geoordeeld dat sprake is van schending van het huisrecht als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Daarbij is van belang dat appellante wist dat de handhavingsmedewerkers van de afdeling sociale zaken van IJsselgemeenten waren en dat zij een huisbezoek wilden afleggen om de woon- en leefsituatie van appellante te controleren en dat appellante desondanks hun toestemming heeft gegeven om de woning binnen te treden en dat haar toestemming er uitsluitend op zag om daar verder te praten. Zoals ter zitting besproken, zijn de handhavingsmedewerkers niet buiten de toestemming van appellante om binnen verder te praten getreden en ziet de beroepsgrond van appellante op wat er daarna is gebeurd. Weliswaar is vanuit de hal waargenomen dat in de woonkamer een man en vier kinderen aanwezig waren, maar dit is niet aan de besluitvorming ten grondslag gelegd. Verder moet als vaststaand worden aangenomen dat appellante is voorgehouden dat het weigeren van een huisbezoek gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand voordat de handhavingsmedewerkers verder met haar in gesprek gingen. De bevindingen van het huisbezoek vanaf dat moment, in het bijzonder het verslag van het gesprek dat op 30 maart 2023 met appellante is gevoerd, kunnen daarom aan de besluitvorming van het college ten grondslag worden gelegd.
Heeft appellante het huisbezoek geweigerd?
Appellante heeft verder aangevoerd dat zij het huisbezoek op 30 maart 2023 niet heeft geweigerd, maar dat zij de handhavingsmedewerkers heeft gevraagd om tien tot vijftien minuten buiten te wachten totdat zij klaar was met koken. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang.
Uit het rapport van 31 maart 2023 blijkt dat appellante tot tweemaal toe heeft aangegeven dat een huisbezoek haar niet uitkomt. Vervolgens heeft appellante – nadat haar een laatste keer de keuze is voorgehouden om wel of niet mee te werken aan het huisbezoek – op dat moment niet haar medewerking verleend aan een huisbezoek. Dat de beschrijving in het rapport op dit punt onjuist is, is de Raad niet gebleken. De stukken bieden geen aanknopingspunten voor de stelling dat appellante de handhavingsmedewerkers heeft gevraagd om tien tot vijftien minuten te wachten. Bovendien hebben de handhavingsmedewerkers in een e-mailbericht van 24 oktober 2023 expliciet verklaard dat hun niet is verzocht om even te wachten waarna appellante alsnog haar medewerking zou willen verlenen.
Verder moet als vaststaand worden aangenomen dat appellante heeft verklaard dat het huisbezoek niet uitkwam en dat zij daarvoor diverse redenen heeft gegeven. Zo heeft appellante te kennen gegeven dat zij aan het koken is, dat haar kinderen voor het eerst meedoen aan de Ramadan en dat zij op het punt staan om met elkaar te gaan eten, dat zij ziekenhuisafspraken heeft, dat zij gestrest is en dat haar oudste dochter mogelijk een jaar moet overdoen op school.
Gelet op 4.7.1 en 4.7.2 moet worden geoordeeld dat appellante heeft geweigerd mee te werken aan een huisbezoek op 30 maart 2023. Voor het oordeel dat appellante in de hectiek van het moment niet (goed) heeft begrepen wat de gevolgen zijn van een weigering ziet de Raad – in het licht van het voorgaande – geen grond, waarbij tevens in aanmerking wordt genomen dat bij appellante in 2017 en 2020 ook al huisbezoeken zijn afgelegd. De door appellante gestelde reden om niet mee te werken aan het huisbezoek levert niet een zodanig zwaarwegend belang op dat daarvoor het belang van het college om onmiddellijk de door appellante opgegeven woonsituatie te verifiëren door middel van een huisbezoek had moeten wijken.
Uit 4.5 tot en met 4.7.3 volgt dat het college terecht heeft geconcludeerd dat appellante de op haar rustende medewerkingsverplichting heeft geschonden door niet mee te werken aan het huisbezoek op 30 maart 2023. Ook heeft het college terecht geconcludeerd dat het recht op bijstand in de te beoordelen periode daardoor niet is vast te stellen, waardoor het college de bijstand met ingang van 30 maart 2023 mocht intrekken.
Tegen de terugvordering heeft appellante geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat deze geen verdere bespreking behoeft.
Conclusie en gevolgen
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering van bijstand in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. Karman, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026.
(getekend) C. Karman
(getekend) A.T. Dannenberg
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke regels
Participatiewet
Artikel 17, tweede lid
De belanghebbende verleent het college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
Artikel 54, derde lid
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 8, eerste lid
Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
Artikel 8, tweede lid
Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.