ECLI:NL:CRVB:2026:1284

ECLI:NL:CRVB:2026:1284

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 01-10-2026
Zaaknummer 25/2092 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Weigering een IVA-uitkering toe te kennen op de grond dat appellante niet duurzaam arbeidsongeschikt is. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op inzichtelijke en navolgbare wijze toegelicht dat wat betreft de handklachten en de psychische klachten nog behandelmogelijkheden zijn voor appellante en dat daardoor een meer dan geringe kans op verbetering van de functionele mogelijkheden bestaat. Dat de omstandigheid dat deze behandelingen – achteraf bezien – niet of niet voldoende resultaat hebben opgeleverd, doen niet af aan die conclusies. Appellante heeft in hoger beroep geen medische informatie heeft ingebracht die aanknopingspunten biedt voor een ander oordeel.

Uitspraak

SAMENVATTING

25/2092 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2025, 24/6597 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 30 september 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om aan appellante per 29 september 2021 een IVA-uitkering toe te kennen, omdat de volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Volgens appellante zijn de beperkingen duurzaam. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht de WGAuitkering ongewijzigd heeft voortgezet.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 augustus 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Willering. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.L.M. Dunselman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellante heeft voor het laatst gewerkt als medewerker thuiszorg voor 19,3 uur per week. Zij heeft zich voor deze werkzaamheden ziekgemeld. Het Uwv heeft appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 18 april 2019 een WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van haar arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Bij besluit van 28 juli 2021 heeft het Uwv de WIA-uitkering per 29 september 2021 beëindigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Bij besluit van 30 december 2021 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 januari 2024 heeft de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat de medische grondslag van het besluit van 30 december 2021 onvoldoende is en het besluit daarom niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 30 december 2021 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen om met inachtneming van haar uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante.

Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante op 8 juli 2024 op een spreekuur gezien. Deze arts heeft de beperkingen van appellante neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 juli 2024. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van deze FML onvoldoende functies kunnen selecteren. In een tweede FML van 22 juli 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep alleen de medische beperkingen opgenomen die duurzaam zijn. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens op basis van deze FML functies geselecteerd, de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 3,7% en geconstateerd dat dus geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 26 september 2024 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 juli 2021 gegrond verklaard en vastgesteld dat zij 100% arbeidsongeschikt is en dat de WIAuitkering op 29 september 2021 onafgebroken zal doorlopen. Het Uwv heeft daarbij het standpunt ingenomen dat geen recht bestaat op een IVA-uitkering, omdat appellante niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft tevens besloten de kosten van appellante in bezwaar te vergoeden tot een bedrag van € 624,-.

Hangende het beroep tegen het bestreden besluit 1 heeft het Uwv op 1 juli 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen, waarin opnieuw is vastgesteld dat de WIA-uitkering op 29 september 2021 onafgebroken zal doorlopen en dat geen recht bestaat op een IVA-uitkering, omdat appellante niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft de kosten van het bezwaar vergoed tot een bedrag van € 1.248,- in plaats van € 624,-.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit 2 in stand gelaten.

De rechtbank heeft overwogen dat uit de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 en 22 juli 2024 en van 18 juni 2025 blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor de beperkingen van appellante ten gevolge van de lipodermatosclerosis en de fibromyalgie binnen een jaar dan wel het daaropvolgende jaar minder dan een geringe verbetering van de belastbaarheid verwacht.

Wat betreft de aandoeningen (ernstige) PTSS en het carpaaltunnelsyndroom, en de bijpassende beperkingen daarvan, is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep wel sprake van een nog meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid met aanvullende behandelingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij aangegeven dat complexe PTSS behandelbaar is maar vaak langer duurt, en dat traumagerichte therapie kan zorgen voor verlichting of verdwijning van klachten. Appellante stond in dat verband op de datum in geding op wachtlijsten bij verschillende psychologen. Verder heeft appellante verklaard dat de groepstherapie angst en depressie niet heeft geholpen, maar dat dat lag aan de groepsvorm en dat de PTSS-behandeling een beetje heeft geholpen, maar dat niet optimaal was dat de behandeling vanwege het coronavirus via videobellen plaatsvond, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Op de zitting bij de rechtbank heeft appellante aangegeven dat het volgen van één-op-één therapie het effect heeft gehad dat zij eerder uit haar aanvallen komt. Met betrekking tot de stelling van appellante dat de urenbeperking niet ziet op de PTSS, maar op de energiehuishouding heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangegeven dat appellante geen aandoening heeft die gepaard gaat met stoornissen in de energiehuishouding.

Wat betreft de handklachten door het carpaaltunnelsyndroom heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangegeven dat appellante vlak na de datum in geding is geopereerd om ruimte te creëren voor de zenuw in de carpale tunnel met als doel de klachten te laten verdwijnen. In veel gevallen is die operatie succesvol en in zeldzame gevallen kan dit syndroom terugkomen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv daarmee op goede gronden bepaald dat op de datum in geding de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het feit dat naderhand geen verbetering is opgetreden, daarbij niet van belang is. Het gaat om de inschatting die de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor de datum in geding kon maken, op basis van de toen beschikbare informatie. Het is de rechtbank niet gebleken dat op de datum in geding informatie bekend was die aantoont dat appellante toen duurzaam arbeidsongeschikt was.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zij van mening is dat haar beperkingen duurzaam zijn. Appellante heeft een ernstige vorm van PTSS (zeer complexe trauma) en paniekstoornis met agorafobie. Appellante heeft de afgelopen acht jaren intensieve behandelingen gevolgd zonder resultaat. Een nieuwe trauma therapie zal dat helaas ook niet bewerkstelligen. De behandelaren hebben ook aan appellante medegedeeld dat zij altijd veel beperkingen zal blijven behouden. Daarbij ziet de urenbeperking niet op de PTSS, maar op de energiehuishouding van appellante. De handklachten zijn niet alleen duurzaam omdat appellante het carpaaltunnelsyndroom heeft, maar omdat appellante fibromyalgie heeft en daardoor ook verkrampingen aan haar handen en vingers. Appellante ondervindt veel pijn aan haar handen en vingers en heeft verlies van kracht in haar handen en vingers. Appellante heeft niet uit de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep kunnen opmaken welke behandeling of therapie een verbetering van haar functionele mogelijkheden zou kunnen opleveren waardoor appellante weer functies zou kunnen verrichten. De door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gegeven motivering voor de meer dan geringe kans op herstel van de belastbaarheid is gelet op de uitspraak van de Raad van 17 februari 2021 onvoldoende gemotiveerd.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden in stand heeft gelaten voor zover dit betrekking heeft op de weigering van een IVA-uitkering, aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Niet in geschil is dat appellante volledig arbeidsongeschikt is. Gelet op de door partijen ingenomen standpunten ligt de vraag voor of de arbeidsongeschiktheid van appellante op de datum in geding, 29 september 2021, moet worden geacht volledig en duurzaam te zijn, zodat appellante op grond van artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering, in plaats van een WGA-uitkering.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009, geoordeeld dat de verzekeringsarts een oordeel moet vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.

Het standpunt van appellante in hoger beroep vormt een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante op 29 september 2021 niet ook duurzaam is. De overwegingen die de rechtbank aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd worden geheel onderschreven. Met de rechtbank wordt dan ook geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten van 8 en 22 juli 2024 en van 18 juni 2025 aan de hand van het Beoordelingskader duurzaamheid op inzichtelijke en navolgbare wijze heeft toegelicht dat wat betreft de handklachten en de psychische klachten nog behandelmogelijkheden zijn voor appellante en dat daardoor een meer dan geringe kans op verbetering van de functionele mogelijkheden bestaat. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de omstandigheid dat deze behandelingen – achteraf bezien – niet of niet voldoende resultaat hebben opgeleverd, niet afdoen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daaraan wordt nog toegevoegd dat appellante in hoger beroep geen medische informatie heeft ingebracht die aanknopingspunten biedt voor een ander oordeel over de datum in geding 29 september 2021.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering om aan appellante met ingang van 29 september 2021 een IVA-uitkering toe te kennen in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.H. Ermers, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.

(getekend) J.H. Ermers

(getekend) F.M. Gerritsen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand