ECLI:NL:CRVB:2026:1283

ECLI:NL:CRVB:2026:1283

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 01-10-2026
Zaaknummer 24/2847 BBZ
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Afwijzing aanvraag om bedrijfskapitaal. Bedrijf niet levensvatbaar. Deskundigenadvies. Schadevergoeding redelijke termijn. Het IMK heeft gemotiveerd beargumenteerd waarom de door appellant verstrekte gegevens over o.a. de begrote taakstellende omzet niet haalbaar zijn. Volgens het IMK heeft appellant zijn begroting ook onvoldoende onderbouwd. Daarnaast heeft appellant geen deskundig tegenadvies overgelegd als ondersteuning voor zijn standpunt dat sprake is van een levensvatbaar bedrijf.

Uitspraak

SAMENVATTING

24/2847 BBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

21 november 2024, 22/7863 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 22 september 2026

In deze zaak gaat het om een aanvraag om bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het college heeft de aanvraag afgewezen op de grond dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is. De Raad is het met het college eens. Het hoger beroep van appellant slaagt niet. Wel heeft appellant recht op een schadevergoeding van € 500,- in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.A.S. Maduro, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 juli 2026. Voor appellant is mr. Maduro verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Bogaards.

Namens appellant heeft mr. Maduro ter zitting verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant is voornemens een bedrijf met de naam [naam bedrijf] (bedrijf) te starten dat zich richt op het verlenen van ICT-diensten en activiteiten die verband houden met muziek- en theaterproducties (beoogde dienstverlening). Appellant heeft met het oog daarop op 4 maart 2022 als startende ondernemer een aanvraag ingediend om toekenning van algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal (bedrijfskapitaal) op grond van het Bbz 2004. Hij heeft daarbij een ondernemingsplan ingeleverd.

De aanvraag is namens het college behandeld door het Bureau Zelfstandigen van de gemeente Den Haag (Bureau). Het Bureau heeft het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) verzocht om advies uit te brengen over de door appellant ingediende aanvraag.

Op 7 juni 2022 heeft het IMK een advies aan het Bureau uitgebracht (advies) en geconcludeerd dat het bedrijf niet levensvatbaar is.

Met een besluit van 8 juni 2022 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat het bedrijf naar verwachting niet levensvatbaar is. Het college heeft zich daarbij gebaseerd op het advies.

Met een besluit van 31 oktober 2022 heeft het college het tegen dit besluit ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, waarna appellant beroep heeft ingesteld.

Met een besluit van 15 mei 2023 (bestreden besluit) heeft het college, onder intrekking van het besluit van 31 oktober 2022, het bezwaar tegen het besluit van 8 juni 2022 ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om bijstand voor levensonderhoud en bedrijfskapitaal op grond van het Bbz 2004 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Gelet op wat ter zitting is besproken is in hoger beroep uitsluitend nog in geschil of het college de aanvraag van appellant om bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal terecht heeft afgewezen. In dat kader ligt ter beoordeling voor of het bedrijf van appellant levensvatbaar is in de zin van artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004. Omdat het hier gaat om een aanvraag, rust de bewijslast van levensvatbaarheid naar vaste rechtspraak op appellant.

Een levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep is volgens artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan. Dit betekent dat het inkomen toereikend dient te zijn om aan alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar dienen te zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan.

Voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf is bepalend de situatie van het bedrijf ten tijde van het besluit op de aanvraag. Met eventuele ontwikkelingen na dat tijdstip wordt geen rekening gehouden.

Het is vaste rechtspraak dat de bijstandverlenende instantie in zaken als deze gerechtigd is om zich bij zijn besluitvorming te baseren op concrete adviezen van deskundige instanties als het IMK. Het college mag bij de besluitvorming daarom in beginsel uitgaan van het advies van het IMK, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies of de juistheid ervan.

Appellant voert aan dat het IMK niet neutraal is, omdat het vaak om advies wordt gevraagd.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Dat is alleen al het geval omdat appellant niet aan de hand van concrete aanwijzingen heeft onderbouwd waarom getwijfeld zou moeten worden aan de onafhankelijkheid van het IMK. Het advies biedt voor die twijfel ook geen concrete aanwijzingen.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de conclusie van het IMK, dat het bedrijf niet levensvatbaar is, onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat die conclusie onjuist is. Appellant heeft zijn kennis en kunde steeds op peil gehouden en heeft geen instabiele privésituatie. Appellant is gedreven en enthousiast om zelfstandig in zijn inkomsten te voorzien. Uit het ondernemingsplan blijkt dat hij voldoende voorbereid is en dat hij op de hoogte is van de ontwikkelingen in de markt. De SWOT-analyse gaat uit van bepaalde vooronderstellingen die verschillend interpreteerbaar zijn. Er is voorafgaande aan de aanvraag overleg met appellant geweest over de levensvatbaarheid van het bedrijf en er werd juist gesteld dat hij de aanvraag kon indienen omdat die levensvatbaarheid wel werd ingezien. De medewerker van het IMK heeft zich onvoldoende verdiept in het bedrijfsplan waaruit zeer gedetailleerd blijkt dat het bedrijf wel levensvatbaar is.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende redengevend.

Het IMK heeft gemotiveerd beargumenteerd waarom de op basis van de door appellant verstrekte gegevens begrote taakstellende omzet van € 120.000,- per jaar en een begroot taakstellend resultaat van minimaal € 21.000,- per jaar niet haalbaar zijn. Volgens het IMK heeft appellant zijn begroting ook onvoldoende onderbouwd. Het IMK heeft daarbij betekenis toegekend aan de verklaring van appellant dat de bedragen op de begroting mede voortvloeien uit oude facturen en offertes en dat appellant zijn omzet- en margebegroting heeft gebaseerd op ‘gemiddelde berekeningen’, die hij niet over kan of wil leggen. In een SWOT-analyse van het bedrijf worden de privésituatie van appellant en de concurrentiepositie, de naamsbekendheid, de bedrijfsformule, de organisatorische opzet, de financiële positie, de voorbereidingen en de promotie van het bedrijf als zwakke punten genoemd. De bestaande interne concurrentie op de markt voor de beoogde dienstverlening en de dreiging van nieuwe toetreders op die markt worden in de SWOT-analyse als bedreigingen voor het bedrijf gezien. Gelet op deze analyse is het IMK niet positief over de marktmogelijkheden van het beoogde bedrijf. Het IMK heeft verder toegelicht dat en waarom appellant lang uit de roulatie is geweest en dat de instabiele privésituatie van appellant een succesvolle start van het bedrijf in de weg staat. Het IMK heeft daarnaast in ogenschouw genomen dat appellant zowel op het vlak van ICT als op het vlak van muziek teert op kennis en ervaring uit het verleden en dat de marktanalyse in het ondernemingsplan wordt ondersteund met data uit met name de jaren 2009 en 2011, terwijl de wereld in de sectoren ICT en muziek tussentijds ingrijpend is veranderd. In de visie van het IMK heeft appellant de doelgroep van het bedrijf nog onvoldoende in beeld gebracht en is het aanbod van het bedrijf te breed om de markt succesvol te kunnen bewerken. Het IMK heeft uiteengezet dat de promotionele paragraaf in het ondernemingsplan geen invulling heeft gekregen en dat de opbouw van naamsbekendheid, zonder een plan, met een uitwerking in tijd en budget, moeizaam zal verlopen. Het IMK verwacht dat het bedrijf nauwelijks van de grond zal komen.

Appellant heeft ook in hoger beroep geen deskundig tegenadvies overgelegd als ondersteuning voor zijn standpunt dat sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Ook als appellant geen door derden gegeven deskundige bestrijding van de juistheid van het advies levert, maar hij zelf onderbouwd en gemotiveerd het door het college aan de besluitvorming ten grondslag gelegde advies betwist of aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van dat advies aandraagt, kan de rechter oordelen dat het advies de besluitvorming niet kan dragen. Dit is vaste rechtspraak. Appellant heeft echter geen concrete en objectieve gegevens verstrekt waaruit blijkt dat het bedrijf de komende jaren in staat zal zijn de taakstellende omzet en bedrijfsresultaat te behalen. Appellant heeft ook niet met concrete gegevens onderbouwd waarom de daaraan ten grondslag gelegde SWOTanalyse onjuist is. Met wat appellant zonder concrete onderbouwing verder nog heeft aangevoerd heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat zijn bedrijf op 8 juni 2022 wel levensvatbaar was. Eigen verwachtingen van appellant over de levensvatbaarheid van het bedrijf vormen onvoldoende basis voor het toekennen van bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal.

Schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn

Naar aanleiding van het ter zitting gedane verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM overweegt de Raad als volgt.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden.

Vastgesteld wordt dat vanaf de indiening van het bezwaarschrift van appellant op 16 juli 2022 tot de datum van deze uitspraak vier jaar en (naar boven afgerond) drie maanden zijn verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met (afgerond) drie maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,-.

Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het college vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 16 juli 2022 tot de beslissing op bezwaar van 15 mei 2023 (afgerond) tien maanden geduurd en de behandeling in de rechterlijke fase vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 30 juni 2023 bij de rechtbank tot de datum van deze uitspraak drie jaar en (afgerond) drie maanden. Dit betekent dat de redelijke termijn alleen in de bestuurlijke fase is geschonden. De rechterlijke fase heeft in haar geheel namelijk niet langer dan drie en een half jaar geduurd. Het college wordt dan ook veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 500,-.

Conclusie en gevolgen

Uit 4.6.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt, voor zover aangevochten, bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijstand voor bedrijfskapitaal op grond van het Bbz 2004 in stand blijft.

Proceskosten en griffierecht

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

Wel bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (0,5 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,-).

Verzoek om schadevergoeding

6. Appellant krijgt een schadevergoeding tot een bedrag van € 500,- in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026.

(getekend) C.F.E. van Olden-Smit

(getekend) J. Bonnema

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand