ECLI:NL:CRVB:2026:1271

ECLI:NL:CRVB:2026:1271

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 29-09-2026
Datum publicatie 01-10-2026
Zaaknummer 25/2 PW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Intrekking en terugvordering van bijstand. Boete. Schending inlichtingenverplichting. Handel in nepdrugs. Feitelijke grondslag. Geen dringende redenen. Uit de processen-verbaal van de politie blijkt evident dat appellant op die dagen op straat heeft gehandeld in nepdrugs. De sociaal rechercheur heeft appellant geconfronteerd met deze processen-verbaal en appellant heeft de handel in nepdrugs erkend. Het college heeft dan ook terecht vastgesteld dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn handel in nepdrugs.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

25/2 PW, 25/3 PW

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 november 2024, 24/2710 en 24/2706 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 29 september 2026

Deze zaak gaat over een intrekking en terugvordering van bijstand en een boete. In geschil is of appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn activiteiten als straathandelaar in nepdrugs. Appellant voert aan dat er onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat hiervan sprake is. Daarnaast meent appellant dat er dringende redenen zijn om af te zien van terugvordering. Appellant krijgt geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.G. Meijer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 augustus 2026. Voor appellant is mr. Meijer verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant ontvangt sinds 18 september 1996, met onderbrekingen, bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) en naar de kostendelersnorm met drie kostendelende medebewoners. Appellant is gehuwd met X.

Na een melding dat appellant op 9 november 2022 en 29 januari 2023 is aangehouden op verdenking van het aanbieden van nepdrugs, heeft een sociaal rechercheur van de afdeling Handhaving Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de aan appellant en X verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder meer dossieronderzoek verricht en is appellant gehoord op 22 februari 2023. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een Rapport Uitkeringsfraude van 6 maart 2023.

Met een besluit van 13 maart 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 10 april 2024 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand van appellant en X over de maanden november 2022 en januari 2023 herzien (lees: ingetrokken) en de over die maanden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 2.702,27 van appellant en X teruggevorderd. Aan bestreden besluit 1 heeft het college, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van zijn activiteiten als straathandelaar in nepdrugs. Appellant heeft van de in- en verkoop van de nepdrugs geen deugdelijke administratie bijgehouden of op andere wijze aannemelijk gemaakt welke inkomsten hij hieruit heeft ontvangen, zodat het college niet kan vaststellen in hoeverre appellant en X recht hadden op (aanvullende) bijstand.

Met een besluit van 6 juni 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 10 april 2024 (bestreden besluit 2), heeft het college aan appellant en X een boete opgelegd van € 440,- wegens schending van de inlichtingenverplichting als bedoeld in 1.3.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de intrekking en terugvordering van bijstand en de boete in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Intrekking en terugvordering (25/2 PW)

Appellant bestrijdt dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant in dit verband desgevraagd toegelicht dat er onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het oordeel dat appellant op 9 november 2022 en 29 januari 2023 op straat heeft gehandeld in nepdrugs. De door appellant bij de sociaal rechercheur op 22 februari 2023 afgelegde verklaring bevestigt niet dat hij op de genoemde data zulke activiteiten heeft verricht. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang.

Uit de processen-verbaal van de politie van 9 november 2022 en 29 januari 2023 blijkt evident dat appellant op die dagen op straat heeft gehandeld in nepdrugs. Op 22 februari 2023 heeft de sociaal rechercheur appellant geconfronteerd met deze processenverbaal en heeft appellant de handel in nepdrugs erkend. Zelfs als zijn verklaring als een algemene verklaring zou moeten worden gezien en niet als een erkenning van handel in nepdrugs op genoemde twee dagen, doet dit er niet aan af dat alleen al de bevindingen uit de processen-verbaal van de politie voldoende grondslag bieden voor de handel in nepdrugs op die dagen. Het college heeft dan ook terecht vastgesteld dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn handel in nepdrugs.

Appellant heeft verder aangevoerd dat het college op grond van dringende redenen van terugvordering had moeten afzien. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant in dit verband gewezen op de schuldenproblematiek en de stress die de terugvordering bij appellant veroorzaakt. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van betekenis.

Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.

Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.

Op grond van wat appellant naar voren heeft gebracht heeft het college bij afweging van de betrokken belangen geen dringende redenen hoeven aannemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet van terugvordering af te zien, getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. De terugvordering is niet ontstaan of opgelopen door toedoen van het college, maar doordat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt wat de gevolgen van de terugvordering voor hem zijn. Hij heeft de door hem gestelde schuldenproblematiek en stress niet met stukken onderbouwd. Van omstandigheden die zo zwaarwegend zijn dat het college een andere afweging van belangen had moeten maken, is de Raad dan ook niet gebleken.

Boete (25/3 PW)

Gelet op wat is overwogen in 4.1.1 heeft het college ook aangetoond dat appellant op straat heeft gehandeld in nepdrugs en dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door dit niet te melden. Appellant kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. Het college was daarom verplicht een boete op te leggen. De opgelegde boete van € 440,- is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellant gebleken omstandigheden.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking, de terugvordering en de boete in stand blijven.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en E.J.M. Heijs en W.A. Timmer als leden, in tegenwoordigheid van W.B. Eefting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) W.B. Eefting

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet

Artikel 17, eerste lid

De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Artikel 18a, eerste lid

Het college legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, tweede lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Artikel 54, derde lid, eerste volzin

Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Artikel 58, eerste lid

Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Artikel 58, achtste lid

Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand