SAMENVATTING
25/2021 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 september 2025, 25/729 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 16 september 2026
Appellante heeft het Uwv verzocht terug te komen van het dagloon van een haar in 1997 toegekende WAOuitkering omdat het onjuist zou zijn vastgesteld. Het Uwv heeft dat verzoek afgewezen. De rechtbank en de Raad laten die afwijzing in stand.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. N.C.A. Elias-Boots, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 augustus 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Elias-Boots. Het Uwv is niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Bij besluit van 17 juni 1997 heeft Gak Nederland B.V. (Gak), een rechtsvoorganger van het Uwv, met ingang van 9 juni 1997 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan appellante toegekend. Het dagloon van deze uitkering is vastgesteld op fl. 65,68. Dit dagloon is berekend op basis van het door de werkgever opgegeven vaste maandloon van fl. 1.314 (vermeerderd met vakantietoeslag en een gratificatie).
Omdat nadien bleek dat appellante naast haar vaste baan ook inkomsten genoot uit werkzaamheden voor een uitzendbureau, heeft het Gak met een besluit van 24 september 1997 het dagloon van de WAOuitkering met ingang van 9 juni 1997 verhoogd naar fl. 68,60.
Vanaf 2020 heeft appellante meerdere keren aan het Uwv verzocht om de besluiten tot vaststelling van het dagloon te herzien, omdat daarbij volgens haar is uitgegaan van een onjuist aantal gewerkte uren en een onjuist salaris. Het Uwv heeft de verzoeken steeds afgewezen. Dit heeft onder andere geleid tot een uitspraak van de Raad van 22 februari 2024.
Met een brief van 9 april 2024 heeft appellante opnieuw verzocht om herziening van de besluiten over het dagloon. Zij heeft hierbij een werkgeversverklaring werkloosheidswet van de stichting Sociaal Fonds Bouwnijverheid ingediend. Volgens appellante blijkt uit deze verklaring dat het loon uit haar vaste baan laatstelijk fl. 1.626,10 bedroeg.
Bij besluit van 21 mei 2024 heeft het Uwv het verzoek van appellante afgewezen. Hierbij heeft het Uwv, onder verwijzing naar de eerdere correspondentie en de uitspraak van de Raad van 22 februari 2024, gesteld dat alleen tot een herberekening van het dagloon kan worden overgegaan als appellante de loonstroken indient over het refertejaar, dat loopt van 10 juni 1995 tot 10 juni 1996.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 mei 2024. Tijdens de bezwaarprocedure heeft zij een jaaropgave van 1996 en een verslag van een functioneringsgesprek van 26 maart 1996 ingediend. Ook heeft appellante een arbeidsovereenkomst met een derde werkgever, die is aangegaan voor de periode van 1 februari 1995 tot 1 juli 1995, ingediend. Bij beslissing op bezwaar van 25 februari 2025 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die zouden kunnen leiden tot een andere dagloonberekening en dat ook niet is gebleken dat het in 1997 vastgestelde dagloon onjuist is.
Uitspraak van de rechtbank
2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een loonstrook over juli 1996 ingediend. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht heeft gesteld dat de door appellante ingediende stukken en de daarin vermelde gegevens geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De betreffende stukken zijn allemaal ouder dan de besluiten waarmee het dagloon is vastgesteld en had appellante dus al eerder kunnen verstrekken. Wat betreft de stelling van appellante, onder verwijzing naar een brief van haar huisarts en een rapport van een verzekeringsarts, dat zij in die tijd nergens toe in staat was, heeft de rechtbank het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat uit de betreffende stukken niet blijkt dat appellante destijds niet in staat was om de stukken te overleggen. De rechtbank heeft verder geen aanleiding gezien om te oordelen dat de weigering om terug te komen van de besluiten uit 1997 evident onredelijk is. Daarvoor is vereist dat de besluiten waarvan herziening wordt gevraagd onmiskenbaar onjuist zijn. Het is aan appellante om informatie in te brengen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de besluiten onjuist zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante niet aan deze eis voldaan.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het Uwv haar verzoek niet heeft afgewezen onder verwijzing naar de eerdere besluiten, maar een inhoudelijke beoordeling heeft gedaan. Dat betekent dat ook de bestuursrechter een volledige inhoudelijke toets moet doen. Voor het geval de Raad haar hierin niet volgt, heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die een herziening van het in 1997 vastgestelde dagloon rechtvaardigen. In dit verband heeft appellante gesteld dat zij vanwege haar medische situatie eerder niet in staat was om actie te ondernemen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante rapporten van verzekeringsartsen van het Uwv uit de jaren 1997, 1998, 2000, 2002 en 2005 in het geding gebracht. Appellante heeft de Raad verzocht om een deskundige te benoemen die kan beoordelen of zij destijds in staat kon worden geacht om de noodzakelijke gegevens aan te leveren. Verder heeft appellante aangevoerd dat uit de door haar ingediende stukken duidelijk blijkt dat het in 1997 vastgestelde dagloon niet juist is. De weigering om terug te komen van de destijds genomen besluiten is daarom evident onredelijk. Ter onderbouwing hiervan heeft appellante een brief overgelegd van een administrateur die het dagloon per 9 juni 1997 heeft berekend op fl. 92,76. Tot slot heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de weigering om terug te komen van het in 1997 vastgestelde dagloon in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 juli 2026, gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
Volgens vaste rechtspraak is het uitgangspunt dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo'n aanvraag inwilligen of afwijzen. Hetzelfde geldt als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Als het bestuursorgaan de herhaalde aanvraag of het verzoek terug te komen van een besluit op inhoudelijke gronden afwijst, dan toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag of dat verzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag of dat verzoek.
Het bestuursorgaan kan er ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Als het bestuursorgaan – overeenkomstige – toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
Anders dan appellante heeft gesteld, blijkt uit het bestreden besluit dat het Uwv op het verzoek om terug te komen van de besluiten uit 1997 heeft beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv zich hierbij terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante aan haar verzoek geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. In reactie op het standpunt van appellante dat zij vanwege haar medische situatie niet in staat was om de stukken die zij aan het verzoek om herziening ten grondslag heeft gelegd eerder in te dienen, heeft het Uwv, aan de hand van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 juli 2026, inzichtelijk onderbouwd dat uit de door appellante ingediende rapporten van verzekeringsartsen onvoldoende blijkt dat zij destijds niet in staat was tot het opzoeken of opvragen van aanvullende informatie. De Raad ziet geen aanleiding om aan de juistheid van dit standpunt van het Uwv te twijfelen. Het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen, wordt daarom afgewezen.
De rechtbank heeft ook terecht geen aanleiding gezien om te oordelen dat de weigering om terug te komen van de besluiten uit 1997 evident onredelijk is. Uit de door appellante ingediende stukken blijkt niet dat het destijds vastgestelde dagloon onmiskenbaar onjuist is. Zoals de Raad al heeft overwogen in de uitspraak van 22 februari 2024, dateert de loonstrook van juli 1996 van na de referteperiode. De jaaropgave over 1996 heeft ook geen betrekking op de (gehele) referteperiode. In het verslag van het functioneringsgesprek van 26 maart 1996 is niets vermeld over het salaris van appellante. De werkgeversverklaring Werkloosheidswet heeft betrekking op een gedeeltelijk ontslag voor 12 uur per week per 1 januari 1993. Uit deze verklaring blijkt dat appellante voorafgaand aan het gedeeltelijke ontslag 32 uur per week werkte en daarvoor een vast loon genoot van fl. 1.626,10 per maand, maar dit ziet dus ook niet op de referteperiode. Uit de door appellante ingediende arbeidsovereenkomst blijkt dat zij voor de periode van 1 februari 1995 tot 1 juli 1995 een dienstverband is aangegaan met een derde werkgever, maar hierin staat ook dat de arbeidsovereenkomst tussentijds kon worden opgezegd en dat de werkgever niet verplicht was om appellante op te roepen. Voor zover tijdens de referteperiode nog sprake was van een dienstverband met deze werkgever, is niet gebleken dat appellante in die periode feitelijk loon heeft genoten. Ook de door appellante in hoger beroep ingediende brief van een administrateur, leidt niet tot een ander oordeel. De administrateur is bij zijn berekening namelijk uitgegaan van het door appellante gestelde vaste loon van fl. 1.626,10 per maand en heeft ook aangenomen dat appellante in de maand juni 1995 voor 24 uur per week werkzaam is geweest bij de derde werkgever, terwijl dit allerminst vaststaat.
Voor zover appellante van mening is dat het Uwv op grond van de zogenoemde ‘duuraansprakenjurisprudentie’ in elk geval voor de toekomst had moeten terugkomen van het eerder vastgestelde dagloon, wordt zij ook daarin niet gevolgd. De Raad ziet ook in dit verband onvoldoende aanknopingspunten om te komen tot het oordeel dat het dagloon in 1997 onjuist is vastgesteld.
Het beroep op het evenredigheidsbeginsel is niet onderbouwd en geeft daarom geen aanleiding tot een ander oordeel.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek om herziening in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) G.T. Hunsel
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 4:6 van de Awb:
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.