SAMENVATTING
25/1941 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 augustus 2025, 23/6695 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 16 september 2026
In deze zaak is aan appellant per 12 september 2022 geen WIAuitkering toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIAuitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.I. Bal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 augustus 2026. Appellant is niet verschenen en is vertegenwoordigd door mr. A. Bal, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van de Graaff.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als magazijnmedewerker voor 38,50 uur per week. Op 14 september 2022 heeft hij zich ziekgemeld met klachten aan de rug en nek, krachtsverlies aan de rechterarm en rechterbeen en overspanning. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 februari 2023. Een arbeidsdeskundige heeft aan de hand daarvan vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 28,27%. Het Uwv heeft bij besluit van 14 maart 2023 geweigerd appellant met ingang van 12 september 2022 een WIAuitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Bij beslissing op bezwaar van 10 augustus 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er geen medische reden is om af te wijken van de primaire beoordeling. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien de maatmanomvang en het maatmaninkomen aan te passen, één van de primair als reservefunctie geselecteerde functies laten te vervallen en geconcludeerd dat appellant onverminderd geschikt is voor de overige vier geselecteerde functies. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis hiervan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 13,16%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding is te oordelen dat de verzekeringsartsen van het Uwv aspecten van de gezondheidstoestand van appellant hebben gemist. De rechtbank kan appellant niet volgen in zijn standpunt dat hij meer beperkt moet worden geacht dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen. De door appellant genoemde klachten zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep erkend en betrokken bij het vaststellen van zijn belastbaarheid. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep dit onjuist heeft gedaan. Appellant heeft geen medische gegevens in het geding gebracht die zijn standpunt onderbouwen. Dat appellant geen behandeling kan betalen en daarom geen medische informatie tot zijn beschikking heeft, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Niet is gebleken dat appellant geen gegevens van bijvoorbeeld zijn huisarts in het geding had kunnen brengen. Anders dan appellant stelt zijn verzekeringsartsen niet gehouden te motiveren waarom wordt afgeweken van een eerdere beoordeling, die in het geval van appellant bovendien in een ander wettelijk kader heeft plaatsgevonden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een beoordeling in het kader van de WIAaanvraag een nieuwe beoordeling is, die ziet op een andere datum. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep met zijn overweging dat bij de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) beperkingen zijn aangenomen die niet werden onderbouwd door medisch substraat inzichtelijk gemotiveerd waarom in het kader van onderhavige beoordeling minder beperkingen zijn aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de arbeidsdeskundigen (bezwaar en beroep) in hun rapporten en in de resultaat functiebeoordeling voldoende uitgelegd waarom de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de geselecteerde functies voor wat betreft opleiding niet kan verrichten. De arbeidsdeskundigen (bezwaar en beroep) hebben volgens de rechtbank voldoende gemotiveerd toegelicht waarom, ondanks de knelpunten, de functies voor appellant geschikt zijn. Dat appellant zich in deze systematiek niet kan vinden betekent niet dat, zoals hij heeft gesteld, ‘de spelregels gedurende het spel worden gewijzigd om hem een uitkering te ontzeggen’. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat in de functie met SBC-code 272043 sprake is van incidenteel tillen en dragen en heeft daarbij gewezen op de NIOSH-methode, waarin twee keer of minder per uur tillen als incidenteel wordt aangemerkt. Omdat in de functie deze frequentie niet wordt overschreden is sprake van incidenteel tillen en dragen, ook indien dit structureel, want behorend tot de dagelijkse werkzaamheden, plaatsvindt. Tegen deze achtergrond heeft de verzekeringsarts op de vragen van de arbeidsdeskundige voldoende inzichtelijk gemotiveerd waarom deze functie toch passend is. Omdat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in beroep de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw heeft vastgesteld (conform de primaire vaststelling op 28,27%), ziet de rechtbank aanleiding aan appellant een vergoeding van zijn proceskosten toe te kennen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zijn beperkingen worden onderschat en zijn belastbaarheid wordt overschat. Volgens appellant is het opmerkelijk dat de medische beoordeling sterk afwijkt van de EZWb. Dit verschil is niet verklaarbaar, temeer omdat de klachten van appellant juist zijn verergerd. De FML schiet tekort in het erkennen van de werkelijke medische beperkingen. Appellant heeft jarenlang zwaar fysiek werk verricht als magazijnmedewerker waaraan hij ernstige gezondheidsproblemen heeft overgehouden. Appellant heeft vanwege financiële redenen geen toegang tot professionele medische hulp. Hij kan zich geen fysiotherapie veroorloven. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het een arbeidsdeskundige vrij staat een verzekeringsarts te raadplegen voor een oordeel wat betreft een signalering waarover onvoldoende duidelijkheid is. Een verzoek om een nadere toelichting met betrekking tot een beperking is wat anders dan het stellen van een vraag over een specifieke signalering in een specifieke functiebelasting. Volgens appellant is hij niet in staat zwaar te tillen en zeker niet frequent tien kilo. De geselecteerde functies overschrijden zijn belastbaarheid verder op de opleidingseisen en zijn beheersing van de Nederlandse taal. Verder kan hij niet beroepsmatig een auto besturen en is er geen rekening gehouden met zijn prostaathypertrofie.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIAuitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
Wat appellant heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat in beroep naar voren is gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. Het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
Ter zitting heeft appellant ter onderbouwing van zijn stelling dat zijn klachten zijn onderschat gewezen op het rapport van de primaire verzekeringsarts. Daarin valt te lezen dat de verzekeringsarts tijdens het lichamelijk onderzoek heeft geconstateerd dat de knijpkracht rechts sterk is verminderd ten opzichte van rechts (naar de Raad begrijpt: ten opzichte van links). Volgens appellant valt niet in te zien waarom in de FML op dit punt minder beperkingen zijn aangenomen dan tijdens de EZWb, terwijl duidelijk blijkt dat sprake is van een beperking op knijpen en armbewegingen rechts. Deze grond slaagt niet. Het bestreden besluit is gebaseerd op het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, hetgeen een volledige heroverweging in bezwaar inhoudt. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat appellant fysiek is onderzocht, waarbij in elk geval de armen en handen zijn onderzocht. Daarbij is divers onderzoek ingezet, maar behoudens overgewicht en degeneratieve afwijkingen aan de wervelkolom, werden geen afwijkingen vastgesteld, met name niet op neurologisch gebied. Waar bij de EZWb nog werd gesproken over een hemibeeld rechts, werd dit niet aangetoond. Er zijn geen afwijkingen gevonden die leiden tot het aannemen van forse beperkingen. Al met al overweegt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat bij de EZWb beperkingen zijn aangenomen die niet worden onderbouwd door het medisch substraat. Naar het oordeel van de Raad heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport voldoende en inzichtelijk gemotiveerd dat en waarom geen aanleiding bestaat tot het aannemen van extra beperkingen.
Arbeidskundige beoordeling
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor appellant. De ter zitting herhaalde beroepsgrond dat in de functie met SBC-code 272043 geen sprake is van incidenteel tillen en dat tillen anders wordt beoordeeld dan dragen, slaagt niet. Appellant is beoordeeld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die uitgebreid heeft gemotiveerd dat en waarom appellant hiertoe wel in staat wordt geacht, waarna de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de geschiktheid van de functie heeft gemotiveerd. De Raad ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering appellant een WIAuitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) G.T. Hunsel