SAMENVATTING
25/1327 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 mei 2025, 24/4148 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 23 september 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ingangsdatum van de verhoging van de WAZ-uitkering op 3 april 2023 heeft bepaald. Volgens appellant is aannemelijk dat de toegenomen klachten al eerder aan de orde waren. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht de ingangsdatum van de verhoging van de WAZuitkering op 3 april 2023 heeft bepaald.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P. Rijnsburger, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend. Appellant heeft een nader stuk ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 juli 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Rijnsburger. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant heeft in het verleden gewerkt als zelfstandig mede-eigenaar van een taxi en busvervoersbedrijf voor gemiddeld 50 uur per week. Op 1 mei 2000 heeft appellant zich voor dit werk ziekgemeld. Het Uwv heeft appellant met ingang van 26 oktober 2005 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 25 tot 35%.
Appellant is naast zijn WAZ-uitkering werkzaam geweest als vervoersmanager voor acht uur per week en als adviseur/toezichthouder voor vijf uur per week. Appellant heeft zich achtereenvolgens in november 2015 en januari 2016 voor beide werkzaamheden ziekgemeld en na de wachttijd een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellant heeft zich ook toegenomen arbeidsongeschikt gemeld voor de WAZ. Het Uwv heeft met een besluit van 30 januari 2018 de WAZ-uitkering ongewijzigd voortgezet, omdat sprake is van een uitval als gevolg van een andere ziekteoorzaak. Met een besluit van 28 juni 2018 heeft het Uwv appellant met ingang van 15 november 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 43,83%.
Appellant heeft zich op 21 augustus 2023 bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten en daarbij onder meer een brief van een internist van 4 april 2022 overgelegd. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 11 januari 2024 de WAZ-uitkering van appellant met ingang van 3 april 2023, te weten 52 weken na 4 april 2022, verhoogd, omdat hij 80 tot 100% arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 12 januari 2024 heeft het Uwv appellant met ingang van 2 september 2022 een IVA-uitkering toegekend. De IVA-uitkering van appellant wordt gekort op zijn WAZuitkering en die uitkering wordt uitbetaald voor zover deze hoger is dan de IVAuitkering, maar tenminste het garantiebedrag. Appellant krijgt dus per 3 april 2023 de WAZuitkering ongewijzigd uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, waarop het garantiebedrag is gebaseerd.
Bij besluit van 12 september 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv – voor zover in deze procedure van belang – het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 januari 2024 ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Bij brief van 11 oktober 2024 heeft het Uwv de motivering van het bestreden besluit aangevuld en toegelicht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen concrete datum heeft kunnen aannemen voor de toename van de beperkingen en dat de brief van de internist van 4 april 2022 het meest objectieve gegeven is om van uit te gaan.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank, voor zover hier nog van belang, overwogen dat voor een eerdere ingangsdatum van de herziening van de WAZ-uitkering van appellant geen aanleiding is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 23 augustus 2024 inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd waarom arbitrair is gekozen voor 4 april 2022, de datum van de brief van de internist, als ingangsdatum voor wijziging van de belastbaarheid. Hij heeft er daarbij op gewezen dat ook door deze internist geen medische gegevens zijn aangeleverd die aannemelijk maken wanneer de beperkingen van appellant zijn toegenomen. In 2018 heeft nog een WIAbeoordeling plaatsgevonden en de vastgestelde belastbaarheid van appellant is nadien niet gewijzigd. Het besluit over die beoordeling staat in rechte vast. Appellant heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd om te oordelen dat zijn WAZ-uitkering met een eerdere ingangsdatum dan 3 april 2023 verhoogd had moeten worden. De brief van de internist van 29 april 2024 leidt niet tot een ander oordeel, omdat hieruit niet kan worden afgeleid dat de verslechtering van de medische situatie feitelijk eerder is opgetreden dan 4 april 2022. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 4 november 2024 heeft gesteld dat een ingangsdatum vóór 4 april 2022 niet kan worden onderbouwd met medische gegevens. De rechtbank heeft het Uwv hierin gevolgd.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is, omdat de primaire verzekeringsarts geen informatie bij de behandelaren van appellant heeft opgevraagd. Daarnaast had moeten worden uitgegaan van een eerdere ingangsdatum van de verhoging van de WAZ-uitkering, primair per 7 december 2011, subsidiair per 30 januari 2018 dan wel 9 mei 2018 en meer subsidiair per 6 april 2021. Dit volgt volgens appellant uit de medische informatie. Daarnaast had het Uwv volgens appellant moeten onderzoeken in hoeverre de later gestelde diagnoses bij toekenning van de WAZ-uitkering in 2006 of bij de herbeoordelingen in 2010 en 2018 al tot beperkingen hadden moeten leiden. De situatie van appellant in 2018 was hetzelfde zoals die is vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 3 januari 2024. Appellant heeft verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de ingangsdatum van de verhoging van de WAZ-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 38, tweede lid, van de WAZ kan de WAZ-uitkering niet eerder ingaan dan 52 weken vóór de aanvraag om een herbeoordeling. Op grond van artikel 13, eerste lid, van de WAZ gaat de verhoging van de WAZ-uitkering pas in als de toegenomen arbeidsongeschiktheid 52 weken heeft geduurd.
Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat het onderzoek van het Uwv onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 22 augustus 2025 toegelicht dat zowel bij de beoordeling in 2018 als bij de beoordeling uit 2023 de relevante medische informatie van de behandelend sector is betrokken. De verzekeringsarts heeft dossieronderzoek verricht en de medische informatie bestudeerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook dossieronderzoek verricht en heeft in beroep en hoger beroep op de aanvullende medische informatie gereageerd.
In wat appellant heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien om aan te nemen dat het Uwv de verhoging van de WAZ-uitkering van appellant eerder had moeten laten ingaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan worden gevolgd in het oordeel dat het medische beeld in medisch objectieve zin niet is veranderd sinds 2018, dat geen concreet omslagpunt is vast te stellen en dat de keuze om aan te sluiten bij de datum van de brief van de internist verdedigbaar is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd toegelicht dat uit de medische informatie niet van een duidelijk omslagpunt is gebleken door bijvoorbeeld een gebeurtenis of ziekte en dat het medische beeld van appellant sinds de vorige beoordeling in 2018 niet duidelijk is gewijzigd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij opgemerkt dat de reden dat de primaire verzekeringsarts per 2022 meer beperkingen heeft aangenomen een gevolg is van een meer klachtengerichte benadering van de primaire verzekeringsarts en niet zozeer vanwege een verslechtering in medisch objectieve zin. Ook uit de door appellant overgelegde medische informatie blijkt geen ander omslagpunt, zodat hierin geen aanleiding wordt gezien voor het oordeel dat het Uwv had moeten uitgaan van een andere ingangsdatum van de verhoging.
Nu geen twijfel bestaat over de juistheid van het medisch oordeel, ziet de Raad geen aanleiding een deskundige te benoemen.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de verhoging van de WAZ-uitkering per 3 april 2023 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en L.A. Kjellevold en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.