ECLI:NL:CRVB:2026:1259

ECLI:NL:CRVB:2026:1259

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 23-09-2026
Datum publicatie 23-09-2026
Zaaknummer 25/1475 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid op 68,55%. Zorgvuldig medisch onderzoek en voldoende arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functies overschrijden de medische belastbaarheid van appellante niet.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

25/1475 WIA

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juni 2025, 23/7857 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te Rotterdam (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 23 september 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 30 oktober 2017 heeft vastgesteld op 68,55%. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Berkel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, op 10 juli 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Appellante heeft een vraag van de Raad beantwoord.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 augustus 2026. Voor appellante is mr. V.C.D. Klaassen, advocaat en kantoorgenoot van mr. Berkel, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.W. Beers.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellante heeft gewerkt als stickermaker voor 40 uur per week. Op 2 november 2015 heeft zij zich ziekgemeld met psychische en lichamelijke klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft zij het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Tijdens dit spreekuur is besproken dat appellante nader zou worden onderzocht tijdens een diagnostische opname. Toen appellante hiervoor werd uitgenodigd door een psychiater, weigerde zij echter om mee te werken aan een opname. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 14 december 2017 geweigerd een besluit te nemen op de door appellante ingediende aanvraag, omdat haar arbeidsongeschiktheid niet kon worden vastgesteld.

Op 27 december 2017 heeft appellante opnieuw een WIA-uitkering aangevraagd. Naar aanleiding hiervan heeft zij het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellante onvoldoende medewerking verleende om haar te kunnen onderzoeken. Bij besluit van 8 november 2018 is de WIA-aanvraag afgewezen, omdat het recht op een eventuele WIA-uitkering niet kon worden vastgesteld. Bij besluit van 22 januari 2020 is het hiertegen door appellante ingediende bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam heeft in een uitspraak van 27 september 2021 het beroep van appellante tegen dit besluit gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv appellante terecht tegengeworpen dat zij geen medewerking heeft verleend aan medisch onderzoek waardoor het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld, maar heeft het Uwv ten onrechte de aanvraag afgewezen. In plaats daarvan had het Uwv de eventuele aanspraken van appellante op een WIA-uitkering buiten aanmerking moeten laten, zoals ook is gedaan in het besluit van 14 december 2017. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien, het besluit van 8 november 2018 herroepen en bepaald dat eventuele uit de Wet WIA voortvloeiende aanspraken op een uitkering vanaf 30 oktober 2017 buiten aanmerking blijven voor zolang het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld.

Op 9 februari 2021 heeft het Uwv een brief van appellante ontvangen, waarin zij heeft laten weten dat zij mee wil werken aan een onderzoek naar haar arbeidsongeschiktheid. Naar aanleiding hiervan heeft opnieuw een spreekuur met een verzekeringsarts plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat het nog altijd niet mogelijk is om de eventuele arbeidsongeschiktheid per 30 oktober 2017 vast te stellen. Bij besluit van 17 december 2021 heeft het Uwv bepaald dat appellante met ingang van 30 oktober 2017 geen WIA-uitkering kan krijgen, omdat het recht op uitkering niet kan worden beoordeeld.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 december 2021. Tijdens de bezwaarprocedure heeft het Uwv een expertiseonderzoek laten verrichten door een psychiater. De psychiater heeft op 7 april 2023 gerapporteerd. Mede op basis van het rapport van de psychiater heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 mei 2023. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 68,55%. Bij besluit van 26 oktober 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante gegrond verklaard en met ingang van 30 oktober 2017 (datum in geding) een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA aan haar toegekend. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft appellante met ingang van 14 juni 2019 recht op een WGA-vervolguitkering. Omdat appellante eerder niet heeft meegewerkt aan onderzoeken door het Uwv, is aan haar een maatregel van gehele tijdelijke weigering opgelegd tot de datum van ontvangst van het bezwaarschrift op 18 januari 2022. De WIA-uitkering komt dus pas vanaf die datum tot uitbetaling.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, voor zover dit ziet op de opgelegde maatregel. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het gaat om een maatregel die is opgelegd per 30 oktober 2017. Met toepassing van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten zou een dergelijke langdurige weigering van uitkering enkel kunnen bij het niet nakomen van verplichtingen uit de vierde categorie. Het niet nakomen van verplichtingen uit de vierde categorie is echter niet aannemelijk geworden. Aan het bestreden besluit kleeft daarom een motiveringsgebrek. De rechtbank heeft het Uwv opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Ook heeft de rechtbank bepaald dat het Uwv de door appellante gemaakte proceskosten en het door haar betaalde griffierecht moet vergoeden.

Wat betreft de door het Uwv vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid, heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een zorgvuldige en juiste vaststelling van de klachten en beperkingen van appellante. Appellante heeft niet met nadere (medische) stukken aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld heeft gehad van haar medische situatie. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat voldoende is gemotiveerd dat de belasting in de geselecteerde functies de medische belastbaarheid van appellante, zoals deze is vastgesteld in de FML, niet overschrijdt.

Nieuwe beslissing op bezwaar

3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv op 10 juli 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. In dit besluit is bepaald dat, met toepassing van artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA, de WIA-uitkering van appellante met ingang van 11 februari 2020 tot uitbetaling komt.

Het standpunt van appellante

4. Appellante heeft te kennen gegeven dat zij het eens is met de nieuwe beslissing op bezwaar van 10 juli 2025 over de datum met ingang waarvan de WIA-uitkering tot uitbetaling komt. Appellante is het niet eens met het oordeel van de rechtbank over de vaststelling van haar mate van arbeidsongeschiktheid. In dit verband heeft appellante erop gewezen dat zij al lange tijd psychische problemen heeft en dat door de behandelend sector de diagnose schizofrenie is gesteld. Zij acht het niet begrijpelijk dat het Uwv niet is uitgegaan van deze diagnose maar van de in het rapport van de psychiater van 7 april 2023 omschreven ongespecificeerde aanpassingsstoornis en is van mening dat in de FML onvoldoende rekening is gehouden met de psychische klachten. Er zijn ten onrechte geen beperkingen aangenomen ten aanzien van het vasthouden en verdelen van de aandacht. Ook de beperkingen die zijn gesteld vanwege de lichamelijke klachten zijn volgens appellante niet vergaand genoeg. Bovendien is ten onrechte geen urenbeperking aangenomen. Omdat appellante van mening is dat haar beperkingen niet juist zijn vastgesteld, acht zij zich ook niet in staat om de functies te vervullen die het Uwv op basis daarvan heeft geselecteerd.

Het standpunt van het Uwv

5. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

6. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit, voor wat betreft de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 68,55%, in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Medische beoordeling

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling.

Tijdens de bezwaarprocedure is, in overleg met appellante, een expertiseonderzoek ingezet om meer duidelijkheid te krijgen over het psychische toestandsbeeld op de datum in geding. In het kader hiervan heeft een neuropsychologisch onderzoek plaatsgevonden. Omdat appellante de instructies niet begreep en de testen niet op de juiste manier uitvoerde, konden er geen testresultaten verkregen worden bij het neuropsychologisch testonderzoek. Vervolgens heeft een psychiatrisch onderzoek plaatsgevonden. Hierbij heeft de psychiater ook kennisgenomen van de in het dossier aanwezige brieven van diverse behandelaren bij wie appellante in het verleden voor haar psychische klachten in behandeling is geweest. In het rapport van 7 april 2023 heeft de psychiater toegelicht dat appellante anamnestisch grotendeels voldoet aan de criteria voor schizofrenie. Hierbij dienen volgens de psychiater echter wel een aantal kanttekeningen geplaatst te worden. Daarbij heeft de psychiater onder meer genoemd dat het opvallend is dat in alle beschikbare psychiatrische correspondentie nergens specifiek wordt uitgelegd wat de inhoud is van de psychotische symptomen en op welke manier deze verminderd zijn door toedoen van medicatie. Bovendien lijkt het ziektebeeld gekenmerkt te worden door een stabiel verloop in de tijd terwijl bij schizofrenie meestal duidelijke psychotische decompensaties te herkennen zijn en dus sprake is van een beloop met een intermitterend karakter. Ook heeft de psychiater uiteengezet dat het onderzoek diverse inconsistenties vertoont en op verschillende vlakken atypisch is. Daarbij heeft zij er onder andere op gewezen dat er een discrepantie is in de observaties van de cognitieve functies tussen het neuropsychologisch onderzoek en het psychiatrisch onderzoek. Daarnaast is de vergeetachtigheid die appellante noemt niet compatibel met een psychiatrisch ziektebeeld. Een en ander wordt ondersteund door een verhoogde score op een symptoomvalidatietest naar het overdrijven van klachten. De klachten mogen daarom niet zonder meer vertaald worden naar een psychiatrische stoornis. Volgens de psychiater geeft de algemene presentatie geen aanleiding om een ernstig psychiatrisch beeld te veronderstellen en kan uitgegaan worden van de diagnose aanpassingsstoornis, ongespecificeerd. Hierbij heeft zij toegelicht dat vanuit de aanwezige informatie een beeld wordt geschetst dat al vele jaren stabiel is en er geen aanwijzingen zijn dat de psychische problematiek in oktober 2017 veel verschilde van de presentatie tijdens haar onderzoek.

Het rapport van de psychiater geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en de daarin getrokken conclusies zijn inzichtelijk gemotiveerd. Het Uwv heeft daarom terecht dit rapport als uitgangspunt genomen voor het vaststellen van de beperkingen die appellante op de datum in geding had als gevolg van haar psychische klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens in een rapport van 3 mei 2023 afdoende gemotiveerd dat er gelet op de bevindingen van de psychiater in 2017 geen ernstige beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren aan de orde waren. Wel moet de beperkte tolerantie voor stresserende factoren worden vertaald naar beperkingen voor het verrichten van arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat appellante is aangewezen op relatief eenvoudig en mentaal licht belastende werkzaamheden zonder aspecten waarvan bekend is dat die gepaard gaan met een relatief grote psychische belasting, zoals leidinggeven, conflicten of veelvuldige deadlines. Ook is rekening gehouden met het medicatiegebruik in 2017 en het mogelijk beperkende effect daarvan op de alertheid. In een rapport van 13 november 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep hier aan toegevoegd dat op basis van de onderzoeksresultaten duidelijk is dat geen sprake is van cognitieve stoornissen die reden zijn voor aanvullende beperkingen op het gebied van de aandacht en geheugenfunctie. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dit rapport toegelicht dat er geen indicatie is voor een urenbeperking. De Raad ziet geen aanleiding om de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin niet te volgen.

Wat betreft de lichamelijke klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep uiteengezet dat in 2017 sprake was van klachten aan het bewegingsapparaat, grotendeels passend bij een aspecifiek chronisch pijnsyndroom (ook geduid als fibromyalgie) en diabetes mellitus type twee. Op grond hiervan zijn beperkingen aangenomen ten aanzien van fysiek zware belasting. De Raad ziet ook op dit punt geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de beperkingen die zijn opgenomen in de FML. De eerst ter zitting aangevoerde beroepsgrond dat onvoldoende rekening is gehouden met het gegeven dat appellante ten tijde van de datum in geding in een rolstoel zat, leidt – mede gelet op het gebrek aan een onderbouwing van de medische noodzaak van het rolstoelgebruik – niet tot een ander oordeel.

Arbeidskundige beoordeling

De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor appellante.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering aan appellante waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 68,55% in stand blijft.

7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.

(getekend) S. Wijna

(getekend) G.T. Hunsel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand