SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1902 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 september 2025, 24/10201 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 23 september 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 20 september 2023 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIAuitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Tracey hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak ter behandeling aan de orde gesteld op een zitting van 12 augustus 2026. Partijen zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als dierenartsassistente voor 31,95 uur per week. Op 22 september 2021 heeft zij zich ziekgemeld met rugklachten. In 2022 heeft zij een hernia-operatie ondergaan. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 september 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 13 november 2023 geweigerd appellante met ingang van 20 september 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 18 oktober 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen een rapport en een gewijzigde FML van 16 oktober 2024 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat drie eerder geselecteerde functies, gelet op de gewijzigde FML, niet geschikt zijn voor appellante. Zij heeft daarvoor in de plaats vier andere functies geselecteerd. Uitgaande van de nieuw geselecteerde functies is de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 10,5%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Wat appellante in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen reden gegeven om te twijfelen aan het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep was op de hoogte van de door appellante genoemde klachten en heeft deze meegewogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd waarom er geen aanleiding is om voor appellante meer of andere beperkingen aan te nemen. In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een aanvullend rapport van 16 december 2024 nog toegelicht dat uit de verkregen informatie van de neuroloog niet valt af te leiden dat er bij appellante sprake is van een objectiveerbare afwijking op basis waarvan haar klachten kunnen worden verklaard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft weliswaar aanleiding gezien om beperkingen aan te nemen op beoordelingspunten zitten en zitten tijdens werk. De aard van de klachten rechtvaardigt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep echter geen zwaardere beperking ten aanzien van zitten, zoals appellante heeft gesteld. Evenmin geldt dit voor een beperking ten aanzien van vervoer. De rechtbank heeft overwogen dat appellante in beroep verder geen medische stukken heeft overgelegd waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat zij op de datum in geding (20 september 2023) meer medisch objectiveerbare beperkingen ondervond dan in de FML van 16 oktober 2024 zijn opgenomen. Uitgaande van de FML van 16 oktober 2024, moet appellante in staat worden geacht de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gevonden functies te verrichten. Dat betekent dat het arbeidsongeschiktheidspercentage terecht op minder dan 35% is bepaald.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de FML van 16 oktober 2024 interne tegenstrijdigheden bevat die van wezenlijk belang zijn voor de beoordeling van haar belastbaarheid. Deze tegenstijdigheden zijn in beroep niet opgeheven. Zij herkent zich daarom niet in het beeld dat het Uwv over haar belastbaarheid schetst.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische argumenten genoemd en geen nieuwe medische informatie overgelegd. Welke de innerlijke tegenstrijdigheden in de FML zijn is ook niet nader toegelicht. Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid.
Arbeidskundige beoordeling
De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat, uitgaande van de juistheid van de FML van 16 oktober 2024, de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellante.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van A.N. Bechinka als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) A.N. Bechinka