ECLI:NL:CRVB:2026:1251

ECLI:NL:CRVB:2026:1251

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 23-09-2026
Datum publicatie 23-09-2026
Zaaknummer 25/1834 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medisch en arbeidskundige onderbouwing. Uitgaande van de juistheid van de FML van 22 augustus 2024 zijn de geselecteerde functies geschikt voor appellant.

Uitspraak

SAMENVATTING

25/1834 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

28 juli 2025, 24/3422 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 23 september 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant per 22 augustus 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIAuitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.K. Boelens hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingezonden. Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 augustus 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Boelens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant heeft voor het laatst gewerkt als magazijnmedewerker voor 37,84 uur per week. Op 24 augustus 2020 heeft hij zich ziekgemeld met psychische klachten. Appellant heeft later (opnieuw) last gekregen van pijnklachten aan zijn rug. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een voor het Uwv werkzame arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De Uwv-arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 maart 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk en heeft vervolgens voor appellant passende functies geselecteerd. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 32,07%. Het Uwv heeft bij besluit van 6 april 2023 geweigerd appellant met ingang van 22 augustus 2022 (de datum in geding) een WIA-uitkering toe te kennen, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 april 2023 en heeft, na het uitblijven van een besluit op bezwaar, beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Bij besluit van 2 september 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na dossieronderzoek en een lichamelijk en psychisch onderzoek een nieuwe FML opgesteld waarin aanvullende beperkingen zijn opgenomen vanwege de gehoorproblematiek van appellant en stijfheid en hypertonie van de schouders op grond van rugproblematiek. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft uitgaande van de gewijzigde FML van 22 augustus 2024 vastgesteld dat een van de geselecteerde functies binnen SBC-code 111160 niet langer passend is, waarna binnen die SBC-code een soortgelijke functie is geselecteerd. De mate van arbeidsongeschiktheid blijft daarmee onder de 35%.

Uitspraak van de rechtbank

Appellant heeft in beroep onder verwijzing naar rapporten van 12 februari 2025 en 7 mei 2025 van verzekeringsarts P.J.A.J. van Amelsfoort en arbeidsdeskundige M. Overduin van het Expertise Instituut aangevoerd dat hij door zijn vermoeidheid, psychische klachten en slaapproblemen niet hele dagen kan werken. Appellant rust dagelijks één tot twee uur na de lunch. Van Amelsfoort stelt zich op het standpunt dat appellant daarom verdergaand beperkt is ten aanzien van de duurbelastbaarheid en op energetische gronden zes uur per dag en dertig uur per week kan werken. Daarnaast gelden er volgens Van Amelsfoort specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid, met beperkingen voor belastingitems 1.8.1 (aangewezen op een werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen) en 1.8.3 (aangewezen op een werksituatie zonder afleiding door activiteiten van anderen) van de FML.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe is overwogen dat de medische rapporten van de artsen van het Uwv zorgvuldig tot stand zijn gekomen.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van de artsen van het Uwv. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 16 april 2025 gemotiveerd toegelicht waarom er geen aanleiding is om appellant beperkt te achten op de belastingitems 1.8.1 en 1.8.3 van de FML en ten aanzien van de duurbeperking. Conform het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem kan sprake zijn van een beperking op aspect 1.8.3 bij concentratieproblemen door een depressie. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen en de in het dossier aanwezige medische informatie blijkt niet dat bij appellant sprake is van zodanige concentratieproblemen dat appellant hierop beperkt is. Ook Van Amelsfoort zag geen aanwijzingen voor ernstige aandachts- en concentratiestoornissen. Appellant kan niet gevolgd worden in zijn standpunt dat hij als gevolg van zijn gehoorstoornis beperkt is op belastingitem 1.8.1 van de FML. Een beperking op grond van een gehoorstoornis dient te worden aangegeven onder belastingitem 2.2 van de FML. Verder pleit de depressie van appellant (zonder cognitieve stoornissen) niet voor een beperking op belastingitem 1.8.1 van de FML. Ook ten aanzien van de duurbelastbaarheid heeft de rechtbank overwogen zich te kunnen vinden in de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gerapporteerd dat de slaapproblemen van appellant zijn meegewogen in overeenstemming met de bevindingen van zijn KNO-arts en zijn anamnese. Volgens de gegevens van de KNO-arts waren de problemen matig van ernst. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder overwogen dat appellant ten tijde van de datum in geding al vier maanden onder behandeling was voor zijn apneu, waaruit valt te suggereren dat er reeds verbetering was opgetreden. Verder toont het dagverhaal zoals dat door appellant bij de UWV-arts is gepresenteerd geen verminderde mogelijkheden tot recuperatie wegens energetische tekorten. De rechtbank heeft deze toelichting navolgbaar geacht. De rechtbank heeft overwogen dat Van Amelsfoort in zijn aanvullend rapport van 7 mei 2025 ook opgemerkt heeft dat de apneu een kleine rol speelt bij het aannemen van een urenbeperking. In het rapport van 20 maart 2023 heeft de Uwv-arts vermeld dat appellant ook zelf verklaard heeft dat het slapen beter gaat. Uit dit rapport volgt verder dat appellant een gestructureerd dagverhaal heeft zonder dat sprake is van structurele rust- en/of slaapmomenten, waarbij appellant overdag slechts even op de bank televisie kijkt. Over de door Van Amelsfoort opgetekende bevinding dat appellant rond de datum in geding na de lunch een rustbehoefte had van ongeveer één tot twee uur per dag, heeft de rechtbank opgemerkt dat daarbij ook is vermeld dat appellant slecht sliep vanwege zijn apneu, terwijl deze op dat moment nu juist verbeterd was. De rechtbank hecht daarom meer waarde aan het dagverhaal dat appellant bij de Uwv-arts heeft afgelegd.

Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank gemotiveerd toegelicht waarom appellant de voor hem geselecteerde functie kan verrichten.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij meer beperkt is op de belastingitems 1.8.1 en 1.8.3 en dat er reden is voor een beperking van de duurbelastbaarheid. Appellant vindt steun voor zijn standpunt in de rapporten van het Expertise Instituut, waaronder het nader rapport van 9 oktober 2025 van Van Amelsfoort en Overduin. Daarin is vermeld dat een verdergaande urenbeperking wordt aangenomen op grond van energetische beperkingen en de noodzaak tot recuperatie op de dag doorgaans na de lunch/op de middag. De noodzaak tot recuperatie kan worden toegeschreven aan de depressie en de OSAS. Mogelijk dat de OSAS op de datum in geding al wat verbeterd was, hoewel harde data om dat te bevestigen ontbreken. Van Amelsfoort heeft daarover opgemerkt dat een verbetering van de OSAS niet impliceert dat de noodzaak tot recuperatie niet meer bestaat. Er kan nog steeds sprake zijn van een sterk onderbroken slaap. Meer bepalend voor de duurbeperking zijn de energetische problemen van appellant die verband houden met zijn depressie en nachtmerries. Ten aanzien van belastingitem 1.8.1 heeft Van Amelsfoort gerapporteerd dat bij appellant sprake is van een depressie en posttraumatische klachten. Deze klachten waren in de periode in geschil niet onderzocht. Ten aanzien van belastingitem 1.8.3 heeft Van Amelsfoort overwogen dat niet vereist is dat sprake is van ernstige concentratieproblemen, maar reeds afdoende is dat appellant concentratieklachten ervaart. Appellant heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 juni 2026, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Medische beoordeling

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn grotendeels een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. Wat appellant in hoger beroep onder verwijzing naar de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige expertise van verzekeringsarts Van Amelsfoort en arbeidsdeskundige Overduin heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 29 juni 2026 gemotiveerd toegelicht waarom appellant niet gevolgd kan worden in zijn standpunt dat hij meer beperkt is ten aanzien van de duurbelastbaarheid of de belastingitems 1.8.1 en 1.8.3. De bij appellant gemeten mate van apneu voor de behandeling is door de KNO-arts gesteld op AHI = 25,9, wat behoort tot de categorie matig slaapapneu. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 29 juni 2026 toegelicht dat uit de wetenschappelijke literatuur naar voren komt dat na 4 maanden MRA-behandeling een aanzienlijke vermindering van de AHI te verwachten is. Hoewel de Raad onderkent dat gegevens ontbreken hoe de waarde bij appellant was vier maanden na behandeling, laat dit onverlet dat bij appellant sprake was van een matige OSAS die, zoals ook door Van Amelsfoort is opmerkt, mogelijk verbeterd was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten aanzien van de psychische klachten van appellant uiteengezet dat er op de datum in geding geen sprake was van een ernstige depressie of andere psychische problematiek zoals PTSS. Het dagverhaal zoals uitgevraagd door de Uwv-arts ziet op de datum in geding en toont geen recuperatiebehoefte. Ook geven de gegevens van behandelaars en de bevindingen bij het onderzoek door het Uwv en de anamnestische gegevens op de spreekuren geen aanleiding om aan te nemen dat appellant op de datum in geding bekend was met (ernstige) psychopathologie met stoornissen in het functioneren met betrekking tot concentratie, herinneren en verdelen van de aandacht. Zowel de gegevens van behandelaars als de bevindingen bij het eigen onderzoek naast de anamnestische gegevens geven er geen aanleiding voor. De Raad voegt daaraan toe dat in het dossier geen informatie beschikbaar is van een psychiater of psycholoog waaruit blijkt dat bij appellant sprake is van PTSS of een ernstige depressie. Omdat twijfel aan de medische beoordeling ontbreekt, wordt geen aanleiding gezien om over te gaan tot benoeming van een deskundige.

Arbeidskundige beoordeling

Uitgaande van de juistheid van de FML van 22 augustus 2024 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er geen reden is om te twijfelen aan de opvatting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat de geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk in tegenwoordigheid van A.N. Bechinka als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.

(getekend) J.D. Streefkerk

(getekend) A.N. Bechinka

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand